Uit de reisportefeuille van Mevrouw Carla Serena.
I
Van mijn uitstapje naar de kust te Tiflis teruggekeerd, was ik
daar nauwelijks aangekomen, toen ik de uitnoodiging ontving van
den bestuurder van het district Oezoergheti, een Armeniër met
wien ik vroeger kennis gemaakt had, om in gezelschap van zijne
echtgenoote, een tochtje naar Goerië te maken. Ik nam dus nogmaals
plaats in den spoortrein van Poti, om aan het station Samtredi uit
te stappen. Ongelukkig was de _tarantasse_ van mijn gastheer bij den
wagenmaker om gerepareerd te worden; met vele verontschuldigingen,
kon hij mij niets anders aanbieden dat een zeer ter kwader name staand
rijtuig, eene _pérékladnaja._ Wie in het binnenland reizen wil, moet
wel van dit rijtuig gebruik maken. Het woord rijtuig moet evenwel
in beperkten zin worden opgevat. De perekladnaja is niets anders
dan een bak op vier wielen, met een dwarsplank van voren, waarop de
koetsier plaats neemt. Als de reiziger zitten wil, dan kan hij dit
op zijn bagage doen, die behoorlijk vastgesjord en met een mantel,
_boerka_ genoemd, overdekt wordt. Dit voertuig, waarin men, door het
onophoudelijke horten en schokken, letterlijk heen en weer geslingerd
wordt, en niet dan met kunst- en vliegwerk zijn evenwicht kan bewaren,
is bespannen met drie paarden, waarvan het middelste een bel om den
hals draagt. Niettemin kan niet ieder zich zoo maar het genoegen
gunnen van een rit in eene perekladnaja: daartoe is eene officieele
vergunning noodig, in den vorm van eene _podorojna_ of reispas,
die u het recht geeft aan de posthuizen van paarden te wisselen
en die voor drie maanden geldig is. Zulk een pas kost ongeveer een
roebel. Voor de perekladnaja zelve betaalt ge drie kopeken per werst
voor elk paard. Wanneer men met eene zoogenaamde gouvernementspas
reist, bedragen de kosten minder: men betaalt dan geen tolgeld en
ook geene vergoeding voor het insmeeren der wielen. Aan elk posthuis
wordt de bagage afgeladen, en krijgt men niet alleen versche paarden,
maar ook een ander rijtuig: ook hier echter is niet elke verandering
eene verbetering.
Ik heb reeds vroeger meermalen van de posthuizen en hunne inrichting
gesproken: het is dus niet noodig, nu nog eene beschrijving te geven
van het poststation van Samtredi, dat niet beter of slechter was dan de
anderen, en waar wij den nacht doorbrachten. Dit station is het tweede
aan de lijn van Poti naar Tiflis, na dat van Novo-Senaki. Het vlek
zelf behoort tot Mingrelië. Op eenige wersten afstands ligt Orpiri,
dat men langs een goeden straatweg bereikt. Den volgenden morgen
vroeg vertrokken wij van Samtredi naar Orpiri, waar ik niet verzuimde
een bezoek te brengen aan de voornaamste hoofden van de sekte der
Skoptzis, die daar gevestigd zijn. Orpiri aan de Rion gelegen, is,
zoo als men weet, een der plaatsen geweest, waarheen deze sektarissen
werden verbannen. De achtergeblevenen maken een allertreurigsten
indruk; hunne doffe oogen, hun zwakke stem, hun trage slepende gang
vormen een zonderling contrast met het voorkomen van de krachtige
schoone Mingreliërs, in wier midden zij leven en onder wie zij nooit
proselieten hebben kunnen maken. Deze Skoptzis, voor het meerendeel
grijsaards en oude vrouwen, eten geen vleesch, maar voeden zich met
visch. Voor den aanleg van den spoorweg, toen men om het binnenland
van Mingrelië te bezoeken, gebruik moest maken van de booten die
op de Rion voeren, hadden zij het monopolie van dat vervoer; maar
sedert de spoorweg de vaart op de rivier heeft vernietigd, hebben
de schippers en ondernemers van stoombootdiensten Orpiri verlaten,
om zich elders te vestigen.
Het dorp, waar wij bij een aldaar gevestigden Skoptzi een vischmaal
gebruikten, ziet er welvarend en bekoorlijk uit; men kan zich moeilijk
voorstellen, dat dit in een krans van weelderig groen gelegen vlek zoo
ongezond is. En toch is dit werkelijk het geval. De Rion vormt hier
de grens tusschen Mingrelië en Goerië; men steekt de rivier over met
een soort van gierpont, die zoowel de passagiers als het rijtuig en de
paarden opneemt. Die pont, van zeer primitieve constructie, bestaat
uit uitgeholde boomstammen, waarover een vierkante plankenvloer is
gelegd. Vier mannen brengen dien toestel in beweging: de een draait
aan eene soort van schroef; twee anderen zijn gewapend met lange
roeispanen; terwijl de vierde op den oever aan een touw trekt, dat
aan de pont is vastgemaakt. De bemanning bestaat uit Mingreliërs en
Goeriërs, beiden even schoon wat lichaamsbouw en voorkomen betreft,
maar verschillend in kleederdracht: de eersten gekleed met de lange
_tsjokha_, terwijl de anderen een kort wambuis dragen. Het hoofddeksel,
de _bashlik_, is voor beiden gelijk: bij de Goeriërs is deze kap of
muts dikwijls rood van kleur.
Samtredi ligt op drie-en-vijftig wersten van Oezoergheti, de oude
residentie der vorsten van Goerië. De landstreek is verrukkelijk
schoon. De Rion vloeit tusschen schilderachtige oevers en verdient
nog altijd den naam van de _Snelle_ (_Phasis_), dien de ouden haar
gegeven hadden. Tot Oezoergheti is het een aaneenschakeling van
heerlijk schoone landschappen en panorama's: dorpen wegschuilende
tusschen de groene bergen, bosch- en bloemrijke heuvelen, alles
verrukt en bekoort het oog. Voeg daarbij de verkwikkende lentegeuren,
die in dezen tijd des jaars (het was in Mei) de lucht vervulden en
de velden welriekend maakten. De goed onderhouden weg kruist, over
eene ijzeren brug, het riviertje de Subsa. Dorpen en vlekken zien er
allen zeer welvarend uit, en de bewoners, een prachtig menschenras,
doen hun best om zich goed voor te doen.
De Turken, in hunne beeldrijke spraak, noemen Goerië het land der
rozen, _Galbashtsjé_. De benaming is juist: Oezoergheti, aan den
ingang der provincie gelegen, schijnt op een afstand inderdaad een
met rozen gevulde bloemkorf. Na een dag reizens kwamen wij aan het
stedeke. De woning van het districtshoofd staat tegenover de kazerne;
uit mijn venster kon ik al aanstonds een blik werpen op eenige jonge
miliciens, die zich in het exerceeren oefenden.
De voormalige residentiestad der vorsten van Goerië ligt in eene
vlakte, aan den rechter oever van de Bzoedsja, en wordt bovendien nog
door eene andere rivier, de Nataneba, besproeid. Aan dezen overvloed
van stroomend water dankt zij dien weelderigen, rijken plantengroei,
die haar als met een mantel van groen omhangt. In het rond, een krans
van bergen; aan de eene zijde met name de keten van de Adsjartzki, die
Goerië van de turksche provinciën scheidt; aan den voet dezer bergen
vloeit de Dsjolak, die zich bij Sint-Nikolaas in de Zwarte-zee uitstort
en de natuurlijke grensscheiding vormt tusschen Rusland en Turkije.
Van de nabijheid der turksche grenzen maken een aantal landloopers en
bandieten gebruik om zich buiten het bereik der russische policie te
stellen, en van tijd tot tijd invallen en strooptochten in Goerië te
doen. Somwijlen zelfs rooven zij vrouwen en kinderen. Eenige weken voor
mijne komst had het districtshoofd zich naar de grenzen moeten begeven,
vergezeld van eenige officieren der milicie, om aan de struikrooverij
een einde te maken. Deze milicie vormt een regiment, dat het regiment
van Koetaïs genoemd wordt, en uit vier eskadrons kavalerie en twee
compagniën infanterie bestaat; elk eskadron en elke compagnie is
honderd-zes-en-twintig man sterk. De officieren en de soldaten
zijn allen inboorlingen van het oude Kolchis, dat de tegenwoordige
provinciën Imerethië, Mingrelië en Goerië omvatte. De kolonel alleen
is een Rus. De ruiters behooren, voor minstens twee derden, tot den
adel des lands; de infanteristen zijn, naar het schijnt, onvermoeid
in het marcheeren en leggen zonder bezwaar honderd wersten per dag
af. De ruiterij draagt het tsjerkessische kostuum: de _tsjokha_,
een lange jas van zwart laken, op de borst laag uitgesneden en aan
iedere zijde voorzien van zes of acht smalle en diepe zakjes, waarin de
patronen geborgen worden; voorts, onder de tsjokha, de _arsjaloeck_,
een soort van mouwvest of tuniek, die tot de kniëen reikt, met een
staande kraag, van roode wollen stof; eindelijk, als hoofddeksel,
een muts van rood laken met zwart astrakhan omzoomd. Zij voeren een
geheel arsenaal met zich, bestaande vooreerst, uit een geweer, in een
vilten omkleedsel gewikkeld; ten tweede uit een pistool, dat aan den
gordel is bevestigd, waarin bovendien een aantal andere voorwerpen
van dagelijksch gebruik gestoken worden: een vetzak, een vuurslag,
een schroevedraaier en meer dergelijke dingen. De gordel is, even
als de wapenen en de patroonbussen, van gedamasceerd zilver en zeer
kunstig en smaakvol bewerkt. Het kruit wordt bewaard in eene doos
van hetzelfde metaal, die aan een zilveren snoer of galon gedragen
wordt. De _tsjaska_, een lange met zilver ingelegde sabel, voltooit de
uitrusting van den milicien te paard, wiens pantalon beneden de knie
in hooge rijlaarzen verdwijnt. Als dekking tegen koude en regen dragen
deze ruiters de nationale _boerka_ of vilten mantel met een kap van
witte wol. Deze prachtige soldaten, op uitmuntende paarden gezeten,
worden in vlugheid van beweging en bedrevenheid in de rijkunst,
misschien door geen andere ruiters overtroffen.
De uitrusting der infanteristen is geheel anders. Hun uniform bestaat
uit een kort buis van zwart laken, met een goud galon versierd;
uit een wit vest, dat onder het openstaande buis tevoorschijn komt;
uit een rood laken muts met gouden kwast; en uit een sjerp van
veelkleurige zijde, die als gordel dient en gedragen wordt door
een tweeden gordel van zwart leer met goud geborduurd, waaraan een
lange dolk, een pistool, de patronen, een kruit- en kogelzak hangen,
benevens nog een zonderling toestel, bestaande uit een zeker aantal
touwen met knoopen, vooruit klaar gemaakt om de gevangen vijanden
te knevelen. Vergeet ook niet een lederen beker, die als drinkglas
dienst doet, een tabakzak, en een zak voor sigaren en lucifers. Het
geweer wordt schuin over den rug gedragen. In Europa zou zulk eene
uitrusting aan een soldaat uit eene vaudeville doen denken; hier is
alles er op berekend om een verrassenden, schilderachtigen aanblik op
te leveren en den smaak te streelen. De infanterie van het regiment
van Koetaïs is met engelsche carbeygeweren gewapend.
Daar de inlandsche regimenten van den Kaukasus zelven hunne uitrusting
moeten betalen, behalve het geweer, dat de staat verschaft, is
de soldij hier veel hooger dan in het russische leger; de soldaat
ontvangt zestig roebels per jaar, behalve voeding voor zich en zijn
paard, terwijl een gewoon russisch militair slechts vier roebels
ontvangt. Er zijn maar twee zulke regimenten, dat van Koetaïs en dat
van Daghestan. Er is bovendien te Oezoergheti ten allen tijde een
russisch garnizoen.
Tusschen den prikkelbaren, strijdlustigen Goeriër en den bij uitstek
vreedzamen, om niet te zeggen lafhartigen Mingreliër bestaat, sedert
onheugelijke tijden, eene erfelijke veete en vijandige naijver. Men
verhaalt, dat eens, in de zestiende eeuw, toen de koning van Imerethië
zijne beide buren, den Dadian van Mingrelië en den vorst van Goerië,
tot bijwoning van een feest had uitgenoodigd, deze laatste in zijn
gevolg en zijne geheele uitrusting zoo groote weelde en pracht ten toon
spreidde, dat de Dadian zich daardoor gekrenkt achtte. Wat deed hij
nu om zich te wreken? Terwijl zijn mededinger, in het uur der siësta,
rustig lag te slapen, sneed hij hem een zijner knevels af. Dat is de
ergste beleediging, die men in Kaukasië iemand kan aandoen. Toen de
Goeriël wakker werd en bespeurde wat men hem gedaan had, zwoer hij
bij zijn knevel--een nog heden gebruikelijke eedsformule--, dat hij
zich geducht wreken zou. Zich het gelaat met zijn bashlik bedekkende,
opdat niemand bemerken zou hoe men hem mishandeld had, vertrok hij
op stel-en-sprong, zonder zelfs afscheid te nemen van zijn gastheer,
den koning van Imerethië. Na zijn vertrek vertelde de Dadian aan
iedereen, welke poets hij den Goeriël gespeeld had. De koning van
Imerethië, bevreesd voor de gevolgen van deze ongepaste aardigheid,
zond aanstonds den vorst een bode na, om hem te verzoeken naar het
feest terug te keeren. Hij antwoordde, dat hij eerst dan terug zou
keeren naar een plaats waar men geen ontzag had voor een slapende,
als hij zich wakende zou hebben gewroken.
Toen eenigen tijd daarna, de vorst van Goerië vernam dat de meest
geliefde zoon van den Dadian zich te Oezoergheti bevond, maakte hij
van de feesten ter gelegenheid van Paschen gebruik om den prins aan
zijn hof te noodigen; daar liet hij den jongeling het hoofd afslaan
en deed dat in een zilver kistje, hetwelk hij aan zijn vader als
Paasch-geschenk wilde zenden. Daar niemand den moed had, zich met
deze gevaarlijke boodschap te belasten, verklaarde eindelijk de
kok zich daartoe bereid, onder voorwaarde dat hem landerijen en
den titel van _aznaoer_ (edelman) zouden geschonken worden, indien
hij heelhuids terugkeerde. Kostte zijne vermetelheid hem het leven,
dan zouden diezelfde voorrechten zijn kinderen ten deel vallen.
De Dadian was juist bezig met veel praal het Paaschfeest te vieren,
toen de noodlottige bode aan zijn hof verscheen. Terwijl hij aan
den maaltijd zat, bood de gezant, uit naam van zijn meester, den
vorst het zilveren kistje aan. De Dadian, ziende dat het kistje
gesloten was, vroeg den sleutel; de slimme gezant antwoordde dat
hij dien, bij ongeluk, in den zak van zijn zadel had laten zitten,
maar dat hij dien aanstonds halen zou. Eenmaal buiten het paleis,
steeg hij te paard en rende in vliegende vaart naar Goerië, waar hem
de toegezegde belooning ten deel viel. Zijne afstammelingen leven nog
heden ten dage in het land, waar de legende van hunne verheffing in
den adelstand van geslacht op geslacht is overgegaan.
Nadat de Dadian een poos te vergeefs op den sleutel had gewacht,
besloot hij het kistje met de punt van zijn dolk open te breken: en
wie beschrijft zijn ontzetting, toen hij daarin het bebloede hoofd van
zijn geliefd kind aanschouwde. Hij begreep aanstonds, dat de vorst van
Goerië zich op deze wijze over de aangedane beleediging had gewroken,
en zon nu van zijn kant op weerwraak. Te dien einde verzamelde hij in
alle stilte een legermacht, saamgesteld uit de edelen van Mingrelië;
en bijgestaan door de Imerethiërs, de Abkhasen en de Tsjerkessen, viel
hij onverwachts in Goerië, plunderde en verbrandde wat hij vond, en
maakte zich meester van Oezoergheti, de residentie van den vorst. Deze,
dus onvoorziens overvallen, moest met de inwoners haastig de wijk
nemen naar Atsji, een dorp, dat boven op een hoogen, steilen heuvel
is gelegen, naast een klooster. Van daar tastte hij met zijn dappere
krijgers den vijand aan en behaalde eene volkomen overwinning. De
Dadian en de voornaamste hoofden der bondgenooten werden gevangen
genomen en de wapenen der verwonnelingen als zegeteekenen in de kerk
van Atsji opgehangen, waar de Goeriël het verhaal zijner schitterende
overwinning met eigen hand op schrift stelde: welk dokument nog altijd
bewaard wordt.
Even als in de andere gewesten van het oude Georgië, is ook in
Goerië het feodale stelsel door de russische regeering afgeschaft;
de slavenhandel echter, die vroeger een voorname bron van rijkdom
voor het land was, leeft nog in stilte voort, in spijt van de
edikten en strenge verbodsbepalingen van den Tsaar. De nabijheid
van de turksche grens werkt natuurlijk mede, om dit bedrijf in stand
te houden. Bij de nadering van vreemdelingen, gaan de kinderen dan
ook meestal instinktmatig op de vlucht; maar somwijlen laten zij
zich door geschenken verlokken, en dan worden zij naar den vreemde
weggevoerd en zien nooit hun land of hunne maagschap weder; zij
vergeten na verloop van eenigen tijd hunne godsdienst en zelfs hunne
moedertaal. Het gebeurt echter meermalen, dat zij in het vreemde land
fortuin maken. Mahmoed-pâsja, die onder de regeering van Abdoel-Aziz
de waardigheid van groot-vezier bekleedde, was geboortig van
Oezoergheti. Als kind werd hij aan zijne ouders, die landbouwers waren
en den familienaam van Anteledzé voerden, ontroofd en naar Turkije
gebracht, waar hij tot de hoogste waardigheden opklom.--In Goerië
zelf is diefstal van paarden een van de meest voorkomende misdrijven,
waarmede de russische rechtbanken zich hebben bezig te houden. Zulk een
diefstal wordt zonder eenige aarzeling op klaarlichten dag gepleegd;
ik meen reeds vroeger gezegd te hebben, dat de publieke opinie in
zulk een roof niets schandelijks of onteerends ziet. Daarentegen
wordt het wegnemen van wat het ook zij, binnen de muren eener woning,
als eene lage en eerlooze daad beschouwd.
Hoewel de Goeriërs geruimen tijd het juk van den Islam hebben moeten
dragen, zijn zij toch onveranderlijk aan het Christendom trouw
gebleven; naarmate hunne kerken werden geschonden en verwoest, werden
zij niet moede, ze weder te herstellen en op te bouwen. Dit was met
name het geval met de kapel van Ecadia, tegenover Oezoergheti, op
een heuvel gelegen, die een der uitloopers is van de bergketen, welke
Goerië van Turkije scheidt. Ge kunt u haast niets schilderachtigers
denken dan die kleine kapel, oprijzende uit de weelderige bosschages,
waarmede de heuvel is bekleed. Wilt ge haar bezoeken, dan is het
u nuttig, eenigszins ervaren te zijn in de gymnastiek. Vooreerst
moet ge de rivier de Bzoedsja oversteken over eene brug van de meest
eenvoudige samenstelling, bestaande uit een lange lat van ongeveer
een voet breed en waarvan de vrij sterke helling--de beide oevers
verschillen aanmerkelijk in hoogte--nog gevaarlijker wordt door het
slingeren der plank en de onstuimigheid van den stroom, die schuimend
en brullend onder de zwevende brug heenschiet. Zijt ge zonder ongeval
aan de overzijde gekomen,--wee u, zoo gij aan duizeling onderhevig
zijt!--dan moet ge langs het halsbrekende pad naar boven klauteren,
dat de voeten der geloovigen in de rots hebben uitgehold, en dat naar
het heiligdom voert.
De onlangs geheel herbouwde kapel staat op een kerkhof, waar nog
voortdurend begraven wordt en is omgeven door een muur, die aan
een vestingwal denken doet. Een trap van zes-en-dertig treden,
die door den tijd versleten en afgebrokkeld zijn, voert naar den
doodenakker. Boven gekomen, wacht u tot loon voor uwe moeite een
allerprachtigst uitzicht. Ik heb het reeds meermalen gezegd en moet het
nog eens herhalen: Tyrol, Zwitserland en Italië hebben geen panorama's,
die in grootschheid en majesteit met deze kaukasische landschappen
kunnen wedijveren, veel minder ze overtreffen. En hoe aangrijpend
is hier de tegenstelling tusschen het trotsche bergenpanorama en den
stillen, weemoedigen eenvoud van dit liefelijke Campo-Santo, waar de
graven als het ware wegschuilen onder een tapeet van veelkleurige
bloemen! Opzienbarende graftomben, luidruchtige monumenten moet ge
hier niet zoeken: hier geen kermis der ijdelheid, als op zoo menige
mode-begraafplaats. Dit volk, zoo eenvoudig in zijne levenswijze,
weet niets van den tooi der graven: een houten kruis en een zerk,
ziedaar voor hen de eenige tombe. De kerk van Ecadia, dus genoemd
naar het naburig dorp, heeft tegenwoordig zelve slechts een houten
toren, in plaats van den steenen, dien zij vroeger bezat. Wie in
dit land architektonische monumenten zoekt, kan die vinden onder de
oude kloosters.
En dan noem ik in de eerste plaats het klooster Djamati, op vijftien
wersten afstands van Oezoergheti, waar zich de grafkelder bevindt
der oude vorsten van Goerië; voorts het klooster Tsjamashmedi,
op slechts zeven wersten afstand van de voormalige residentie; in
de kerk van dit klooster liggen de leden van den jongeren tak der
vorstelijke familie begraven. Wij mogen ook niet vergeten, dat de naam
van klooster hier aan elke oude kerk gegeven wordt, onverschillig of
daar een gebouw bij behoort, dat vroeger of nog heden door monniken
of nonnen wordt bewoond. Te Tsjamashmedi evenwel vindt men nog
eenige overblijfselen van eene geestelijke orde, namelijk enkele oude
vrouwen, door gebrek en onthouding schier tot geraamten uitgeteerd. De
beide kloosters kronen den top van steile, rotsachtige hoogten. Zij
zijn rijk in oude schilderijen, in geïllustreerde perkamenten, in
edelgesteenten, mijters, byzantijnsche kruisen en andere sieraden
van dien aard. Tsjamashmedi bezit ook een grooten robijn, waaraan de
volgende legende verbonden is.
Een vorst van Goerië, Giorgi genoemd, die een geweldig jager was,
's nachts in een bosch verdwaald zijnde, bespeurde eensklaps een
lichtglans, waarvan zijn paard schrikte. Het spoor van het schijnsel
volgende, kwam hij op eene plek, waar een groote menigte, mannen,
vrouwen, kinderen, druk bezig was met feestvieren. Een der lieden
kwam naar hem toe, en noodigde hem uit, het naburige huis binnen
te treden, hem daarbij tevens een gouden schaal aanbiedende, gevuld
met diamanten en kostbare steenen. De vorst greep uit den hoop een
robijn; maar voor de uitnoodiging om spijs te gebruiken, bedankte hij,
uit vrees van vergiftigd te worden. Op zijne weigering om aan den
feestdisch plaats te nemen, bood men den vorst op nieuw den schotel
met diamanten aan. De lichtgloed, die van den schotel uitstraalde,
herinnerde hem het schijnsel, dat hij kort te voren gezien had; hij
begreep nu dat er hier bovennatuurlijke invloeden in het spel waren
en dat hij met eene verzoeking des duivels te doen had. IJlings gaf
hij zijn paard de sporen, rende in vliegende vaart weg, en bereikte
het klooster Tsjamashmedi, waar hij, uit dankbaarheid voor de redding
uit het hem dreigende gevaar, den robijn Gode wijdde.