Onder de onmogelijke verhalen, die ik mij uit mijn kindertijd herinner,
onafscheidelijk verbonden aan het beeld van de oude kindermeid die
ze vertelde, is er een van een daglooner die een varken geslacht
had, en daarvan den geheelen winter ééne zij spek bewaarde. Als de
kinderen vroegen waarvoor die eigenlijk bewaard werd, dan luidde vaders
antwoord: "Voor de lange lange lente."--Eens op een bar kouden dag,
terwijl de man uit was, kwam er een heel lange bedelaar vragen of hij
niet een stukje spek kon krijgen. De vrouw, die erg dom was--werd er
altijd bij verteld--vroeg hem, of hij dan de lange lente was, waarvoor
haar man eene zij spek bewaarde. De bedelaar antwoordde van ja, en zij
gaf hem de zij. Toen haar man t'huis kwam, en zij hem vertelde wat er
gebeurd was, werd hij er erg boos om; en toen nu werkelijk de lange
lente kwam, hadden de kinderen geen eten en stierven van den honger.
De lente nadert weer, en ik hoop van harte dat zij u niet tot
verhongering zal doemen. Overigens geloof ik, dat het niet de lente
zelve is die den mensch lang toeschijnt, maar wel het wachten op de
lente; dat welbekende voorjaarstijdperk, waarin zieken en gezonden
ongeduldig worden, omdat de dagen wel helderder, maar daarom nog niet
zoeler worden, en de zon wel hooger stijgt, maar geen kracht schijnt te
hebben. 't Is vooral de maand Maart, die in dit opzicht zeer berucht
is; en op al het kwaad dat men van haar pleegt te vertellen, moet ik
antwoorden, dat zij zonder twijfel een dikken mantel en "goed voer en
een warmen stal" zeer op prijs doet stellen. Doch zooals alle andere
dingen, kan men Maart ook van twee kanten bekijken. Men kan à la baisse
speculeeren op haar eigenschappen en zeggen: "Maart heet Lentemaand;
een mooie lente met die Maartsche buien!" Maar men kan het, omgekeerd,
ook à la hausse doen, en met een keurig versje van Gautier verzekeren:
"Mars, qui rit, malgré ses averses,
Prépare en secret le printemps."
In deze laatste woorden is, dunkt mij, haar karakter zeer juist
uitgedrukt. Men moet van Maart niet eischen of verwachten, dat zij
de lente is, maar slechts dat zij de lente voorbereidt. En in dit
opzicht twijfel ik ook dit jaar niet aan hare goede diensten.
Hoe zij dat doet?... Wel, door die scherpe "Maartsche lucht" die
velen zoo onaangenaam aangrijpt. Wat maakt deze zoo geducht voor
teêre, verwende gestellen, maar tevens zoo beroemd voor "de Maartsche
bleek"? 't Is haar rijkdom aan ozon. 't Is omdat, in dezen tijd van het
jaar, de zonnestralen hare sterkste oplossende en verbindende kracht
hebben, en die kracht naar alle zijden doen gelden,--om 't even of
hun een stuk linnen of menschelijke longen ter bearbeiding aangeboden
worden. Guur en bar als zij soms wezen moge, is Maartsche koude heel
iets anders dan Novemberkoude; voor zwakken is zij dikwijls wèl zoo
schadelijk; zij "pakt hen erg aan" en maakt hen eer verkouden; maar
voor gezonden is zij des te levenwekkender. Wie op een mooien--neen,
zij het slechts op een gewonen, grauwen--Maartdag één uur goed
doorgeloopen heeft, voelt aan zijn eetlust, aan zijn opgewektheid en
zijn helderheid, hoe "sterk" de lucht is. Hij behoeft daartoe niet eens
te zien hoe dik de knoppen van de meeste heesters worden, hoe de elzen
bloeien, en hoe de wilgen zich gereed maken hun voorbeeld te volgen:
de groeikracht werkt inwendig. En als dan, zoo als vaak gebeurt, de
lente eensklaps komt, en "het groen" in een paar dagen "uitloopt",
dan verwondert men zich dikwijls hoe dat zoo snel geschieden kan; en
dan blijkt het hoeveel Maart gedaan heeft, toen zij, volgens onzen
dichter, "tusschen hare buien door lachend, in 't geheim de lente
gereed maakte." Geloof maar, wat zij kwaad doet in het openbaar,
dat vergoedt zij ruimschoots in stilte.
Ik weet wel, er zijn booze jaren, waarin de lange winter aan de arme
lente een poets speelt, en telkens weer zijn koude hand legt op alles,
wat zich aan zijn lang gerekt gezag wil ontworstelen. Maar dat zijn
uitersten en uitzonderingen. En welbezien, zal men dan altijd bevinden
dat de natuurvoortbrengselen, die onder zulk een toestand lijden,
diegenen zijn, die eigentlijk in ons klimaat niet thuis behooren. Zoo
was het in het voorjaar van 't beruchte jaar 1740, toen een Haarlemsch
bloemkweeker, "geholpen door de Muzen" aldus in een vriendenkring
zijn nood klaagde: