lazen de dominus en Tryfo te gelijker tijd:
De Bacchides van Plautus.
--De Bacchides! De Bacchides!! klapten de tweelingen zegevierend in
de handen. De Bacchides!!!
En zij zagen om naar de deur: daar verschenen de gezichten van den
senex en den "paraziet". Nu, dacht de senex, hij had toch een aardige
rol in de Bacchides. Maar de "paraziet" was bleek van woede en beloofde
zich zijn lamme, kleine rol slècht te spelen, zelfs al zoû de dominus
hem een kwaad ding doen....
--Staan onze namen er nu niet eens onder?? vroegen te gelijker tijd
de tweelingen. Waarom staan onze namen er nu niet eens onder?
--Dat is geen gewoonte! zei de dominus beslist.
--Heelemaal niet! zei Tryfo.
--Wijk maar eens van de gewoonte af, ried Martialis aan. Mooi zoo:
daar valt mij een epigram op "De Gewoonte" in! Dat heb ik ten minste
al weêr!
Maar Lavinius en Tryfo beiden waren het met elkaâr eens, dat een
strenge traditie gehandhaafd moest worden in den titulus.
--Didascalia, verbeterde eigenwijs Cecilius, die het Grieksche woord
mooier vond.
--.... Didascalia, bauwde Cecilianus, klein mondje, na.
--Ziet u, edele Martialis; de titulus màg niet afwijken van de antieke
tutulï, zooals Plautus en Terentius ze gaven.
--Jullie tooneelvolk groeit vast in je "traditie" en gewoonte,
meende Martialis.
En hij zelve herhaalde nu:
De Bacchides van Plautus.
De geheel Grieksche handeling valt voor
te Athene.
Daarna:
Verschillende ATELLANÆ
met Zang, Dans en Fluitspel.
Muziek van....
--De namen van die muziekmakers worden wèl genoemd, viel Cecilianus
Martialis in de rede.
--.... Wèl genoemd, kwam ouder broêrtje nijdig na.
Daarna,
lazen zij alle drie, dichter, dominus, boekhandelaar:
DE KOFFER,
Mimusspel van Publilius.
Gespeeld door den beroemden Latinus....
--Latinus wordt oòk al genoemd! siste nijdig Cecilius; broêrtje siste
dadelijk na....
En....
ging Martialis voort, met een ondeugenden blik naar de tweelingen:
Door de zeer beroemde Danseres.....
--Oooh!! verontwaardigden zich de tweelingen.
"THYMELE"
voltooide Martialis.
--Een vrouw!! krijschten de tweelingen te zamen, de vuisten
ballend. Alleen maar een danseres! Nièts dan een danseres! Thymele,
verbeeldt je! Wordt die oòk al genoemd! En nog wel geschreven met
zulke groote letters, heelemaal rood! Heelemaal rood!
--Dat is de gewoonte, zei Tryfo. Thymele en Latinus worden altijd
genoemd. Mimus en Danseres....
--En waarom niet de comoedi?? protesteerden de tweelingen.
--Om de "traditie", komediantjes! plaagde Martialis.
--Wij mimeeren ook, wij dansen immers ook....
--.... Zijn ook mimus en danser....
Ten slotte:
viel de dominus in met autoritaire verheffing van stem om die
dondersche tweelingen toch te doen zwijgen: de heele caterva nu
gluurde binnen, kop na kop en las, hard-op, een voor een:
--.... De Bacchides.... Dus de Bacchides?.... Daarna....
De Koffer....? Latinus en Thymele?
LAUREOLUS
Groot Exodium-Spel.
Gespeeld door den allerberoemdsten archimimus Lentulus, ving Martialis
het van den dominus op.
--Allerberoemdst! Allerberoemdst!! raasden de beide jongens: de
blonde koppen naast elkaâr hadden nijdige adderbewegingen rond den
dominus en ze fluisterden na, ze flikkeflooiden....; mochten hun
namen oòk niet....??
--Kom, pleitte Martialis; dominus! Laat nu maar schrijven door de
copiïsten met véel rooden inkt:
De Bacchides van Plautus,
Waarin de hoofdrollen zullen gespeeld worden door mijn twee
onvergelijkelijke tweeling-comoedi, Cecilius en Cecilianus....
Tryfo lachte. De dominus werd zenuwachtig.
--Edele Martialis, waarlijk! En jùllie jongens, hoor nu even
toch.... Gaan jùllie toch dóór, naar het Theater?! donderde hij
de caterva toe, die bleef kijken: de koppen, plots, verdwenen: het
daglicht viel helderder neêr over den, door Tryfo steeds opgehouden,
uitgespreiden titulus:
--Je weet, ik doe voor jullie wàt ik kan! Jullie zijn ook lieve,
aardige jongens....
--Blonde schàtten! prees Martialis.
--Jullie spelen goed, zeggen móoi; ik geef het àlles toe, jullie
spelen de Bacchides....
--Als èchte Bacchides! viel Martialis in.
--Maar....
--Maar.... echode Martialis.
--De traditie, zie je, de traditie....
--Ja, de "traditie", knikte Martialis den jongens toe.
--.... Wil niet, ging Lavinius door; wil niet....
--.... dat jullie namen worden vermeld, viel Tryfo in en rolde den
titulus op....
--Neen! herwon zich Lavinius. De traditie wil het niet. En dat
is heel goed.... Kijk, het mimus-spel blijft altijd een kijkspel,
zonder zèggingskunst, nu ja, mimiek, dans, saltatio, dat kan alles
heel mooi worden en we zullen ook pogen het zoo mooi mogelijk te doen,
maar het evenaart nóoit de èrnstige, hoogere komedie, de palliata, het
Grieksche blijspel, verlatinizeerd, maar tòch Grieksch, onherroepelijk
Grieksch en daarom alléen al, naast de tragedie, het hoogst staand van
alles wat op de planken vertoond wordt, vertoond kàn worden.... En,
zie je, jongens, ziet ge, edele Martialis, we kùnnen niet, we mògen
niet, in iets van de palliata mimus-manieren aannemen, zèlfs niet in
den titulus, waarin noch de Grieken, noch Plautus, noch Terentius
de namen van de spelers ooit hebben vermeld; we moeten trouw aan
de traditie blijven, de hooge traditie en jullie mogen niet, neen
Martialis, ge moògt niet aandringen op die vermelding van de namen
der hoofdrolspelers, en dat nog wel met rooden inkt, veel rooden inkt:
neen, Martialis, ge moògt niet!!
Op eens schrikte Lavinius.
--Tryfo!! riep hij. Tryfo! De namen van de Consuls zijn toch niet
vergeten onder aan den titulus?
--Heb geen vrees, Lavinius, zei Tryfo; voor de autoriteit heb ik
minstens even veel eerbied als jij.... Ze stáan er op: onder het
Consulaat van.... Zie je wel?--plooiende de rol nog even open. Dus
alles in orde, Lavinius? Edele Martialis, vindt ge het dan goed,
dat de copiïsten het schrijven van uw laatste bundeltjes staken voor
van daag en morgen? En met de titulï beginnen? Er is zoo veel aan te
doen! Om aan te plakken in het Forum, de Baden, bij het Velabrum,
het Theater.... Ja, druk, drùk is het leven, edele Martialis, voor
een boekhandelaar in Rome!
--Druk is het, beste Tryfo, voor een armen dichter, die van epigrammen
leeft!
--Maar druk ook, met uw verlof, edele Martialis, zei Lavinius; voor een
dominusgregis tijdens de Megalezia. Ik moet weg: repeteeren moeten we,
den heelen middag....
--De Bacchides! verzekerden de jongens trotsch.
Het stond nu op den titulus; zij waren nu zeker van hun zaak. En zij
namen alle drie afscheid van Martialis, die terug moest naar zijn
huisje, heelemaal bij de Porta Nomentana, en te voet....
--Heb je je vijfde epigram voor den Keizer gisteren avond nog
gevonden? vroeg Cecilius, al gemeenzaam met den jovialen dichter.
--Hèb je? riep Cecilianus na.
--Ik heb, ik heb, o comoedi der hoogere palliata, arme roode inktlooze
slachtoffers van de traditie, blonde Bacchides-spelertjes met je
aardige bakkesen! declameerde Martialis en wuifde ze toe, glimlachte
ze toe met zijn Silenus-glimlach.
Zij wuifden, lachten terug; de dominus drong ze vooruit. De caterva
was reeds een eind voort geslenterd; ja, de tweelingen bleven altijd
de lievelingen. Wat wil je, hè; er waren er àltijd een paar, die....
De jongens, alleen met den dominus, verzekerden hem sentimenteel,
dat zij èrg veel van hem hielden.... Dat zij hem nooit zouden
willen verlaten, zelfs al werden ze rijk.... Ze hingen hem
ieder aan een arm, gezellig slenterend met hun drieën, terwijl
zij het Velabrum overstaken.... Daar was de markt nog in vollen
gang; in Rome begon het huishouden laat. Daar waren de slagers,
poeliers, warmoeziers, de banketbakkers, ooftverkoopers.... Daar
waren de sneeuwverkoopers.... Onder bonten zeiltjes, kraampjes
met afdakken, onder groote zonneschermen krioelde en woelde het
marktgedoe. Vrijgelatenen, intendanten van rijke burgers, bevalen
hun slaven de inkoopen in manden te bergen; vrouwen dongen, venters
scholden terug, gaven toch toè, riepen dan weêr aanprijzende. Op den
weg gingen onder oorverdoovend geschreeuw, geklak, gevloek, de karren
elkander voorbij, reden op muilezels en ezels, ter weêrszijden beladen,
de koopers met hunne korven provizies.
--Goed geluk! riep Nilus plots van zijn ezel hun toe: hij had zijn
inkoopen gedaan; ter weêrszijden van zijn lastdier hingen de korven
vol geladen met den voorraad voor de cena.
--Goed geluk! riepen Lavinius, de knapen: basroep tusschen
soprane-gilletjes.
--.... Heb al de caterva daar ginds gezien! riep Nilus van af den
ezel. Heb jij van den moord gehoord?
--Ja.... Nigrina....? Maar nièt Crispina, hè?
--Nigrina.... Vermoord!! Keèl afgesneden!.... Is de moèite waard
zwaardvechtster te zijn om vermoord te worden door een dièf! Of een
weggeloopen slaaf!!
--Door wiè? Een dièf?.... Weggeloopen slaàf??
--Klanten van mij.... Maar niet zeker: dief òf slaaf....
De jongens keken elkander aan, zeiden niets van hun ontmoeting van
gisteren avond, bang voor het gerecht in Rome.
--Beiden? vroeg Lavinius.
--Wie weet! Kom je van avond?
--Ja! Avondmalen.... Nà de repetitie!
--Zal de lange tàfel voor je open houden, hoor!
--Kooltjes in laserpicium gestoofd?? gilde Cecilius.
--Picenum-broodjes? gilde Cecilianus hooger.
--Op je lieve snoètjes!! riep Nilus.
De ezel sloeg de achterpooten naar boven. Wie volgde, vloekte. Nilus
vloekte terug, reed toch voort, spoorde met de hielen het beest. De
jongens schaterden, zoo maar, om de vroolijkheid....
--Vlug toch, jongens; we hebben nog zoó veel te doen....
--Ja ja, de Bacchides! De Bàcchides!! triumfeerden de jongens,
vroolijk.
Zij liepen nu haastiger, duwden zich brutaal een weg door de markt.
--Bijna zoo aardig als in Alexandrië.... glunderde Cecilianus,
wereldwijs, hàd de wereld gezièn. Maar aan het einde van het Velabrum
was de slavenmarkt en zij hoorden de uitroepers prijzen.
--Even kijken? vroeg Cecilius den dominus.
--Ja, even kijken? kwam Cecilianus na.
--Waarom niet.... meende de dominus.
Je wist nooit.... Geld had hij nu, voorschot van de ædilen, in bewaring
gegeven bij een bekenden wisselaar en àls hij op de markt eens een goed
slaafje aantrof, dan was het in Rome, waar de groote slavenmarkten
waren, geen kwaad zaakje er éen te koopen.... Een knaapje, om op te
leiden voor vrouwerol als de tweelingen te oud zouden zijn....
Zij liepen naar de slavenmarkt. Het krioelde en joelde er en de stemmen
woelden door elkaâr. Het was daar aan het einde van het Velabrum een
soort baziliek, zuil-overdakt, waar de slavenkooplui hunne slaven
ten toon stelden. Zij betaalden voor hunne standplaats, zooveel
voor iederen slaaf. De dominus trof er den slavenkoopman Autronius,
die over den voller woonde, aan wien behoorde het huis, waar de grex
inwoonde. Er was hoffelijke begroeting tusschen koopman en dominus.
--Ik kom eens kijken, zei Lavinius, met de twee jongens hem ieder
aan een arm slingerslenterend.
--Ik dacht, dat je Cecilius en Cecilianus verkoopen kwam, zei voor
de grap Autronius; hij was dik, kaal, gewichtig-joviaal.
--Dat kan je denken! zei Cecilius.
--.... Kàn je denken; echode Cecilianus. "Hadt je me maar!"
--.... "je me maar!!"
--Misschien zie ik een slaafje op de markt, zei de dominus, keek rond.
--Wat moet je met een nieuw slaafje? stelden de jongens belang.
--Ik heb van daag niets dan Daciërs, zei Autronius. Dat is niets voor
jou. Kijk, daar zijn ze!
En hij toonde zijn Daciërs; drie had hij er reeds verkocht; negen
zaten er nog op een bank; zij kwamen van den Ister, drie vrouwen,
zes mannen; zij zwegen, zagen weemoedig;....
--Ik dacht, zei de dominus, voor de grap; dat je niets dan dacici hadt,
de gouden muntjes, die onze genadige Keizer heeft laten slaan....
--Ik had liever dacici dan Daciërs, dominus, weet dat wel, grappigde
Autronius; die Daciërs zijn alleen maar sterk, maar stèrk zijn ze
en jong....
--Nou, die eene meid....
--Nog geen twintig jaar, dominus, dat verzeker ik je: een flinke
deerne; wil je haar niet?? Voor tweehonderd-vijf-en-twintig
sestertiën? Uitroeper, roep eens mijn Daciërs uit....
De uitroeper riep, met galmende stem:
--Daciërs, sterke Daciërs, sterke mannen, knappe vrouwen! Daciërs....
--Ik heb nooit meiden noodig, zei de dominus goedig; in mijn caterva
doe ik het alles met mannen en jongens af....
De beide jongens giechelden: zij kregen van den dominus ieder een
klap en een stomp.
--Die blagen! zei de dominus; ik meen....
--Blonde blagen! prees dikke Autronius; verkoop ze me maar, dominus!
--Voor meer dan Sextilianus....?
--.... Sextilianus woû geven?? blageerden de tweelingen.
Het gegil, gegalm, uitgeroep was oorverdoovend: de dominus vroeg:
--Autronius, heb je al je "kostbare" verkocht?
--Neen, nog niet, dominus: die hoû ik in eere. Ik laat haar hier niet
zitten, weet je; ze is te fijn daar voor. Ze is een Grieksche, uit
Lydië en ze gaat op de muziekschool. Ze leert fluit spelen, zingen,
dansen.... Als je haar gebruiken kunt....
--De dominus doet het alles met.... begonnen de tweelingen te plagen.
Maar de dominus sloeg ze voor hun brutale monden.
--Kom, nog eens rond kijken, meende hij.
Een uitroeper riep een neger uit. De neger stond, breede borst,
spande zijn biceps, zijn dij en de koopers voelden. De uitroeper
beval den neger zijn mond te openen en toonde zijn witte tanden.
--Gaaf allemaal, gaaf allemaal! riep hij uit. Geen éen tand er in
gezet! Twintig-duizend sestertiën....
--Hm! bromde de dominus; allemaal krachtpatsers vandaag; iets fijns
is er niet bij.... Heb je niet een heel jong ventje, dat ik drillen
kan voor mijn caterva?
--Hoe oud? vroeg de koopman.
--Zoo jong mogelijk; dan leert die goed....
--Dominus, riepen de jongens. Wat moet je nou met een jong ventje?
--Je hebt immers òns!!
De koopman had niets op dit oogenblik. Sterke slaven werden het meest
gevraagd; jonge slavinnen....
--Ja, beaâmde de dominus; het moet altijd een buitenkansje zijn
voor mij....
--Een gestolen jochie, hè? fluisterde de koopman, met een blik naar de
tweelingen: zij voelden den neger de armen, de dijen en, vol belang,
schudden zij aan zijn tanden, terwijl de neger roerloos bleef.
De dominus haalde de schouders op, minachtend; al kletste hij er
nooit over, hij wist maar al te goed, dat hij de tweelingen van
Manlius en Crispina nièt had gestolen.... En hij grinnikte nu,
blij om zijn goede kans, dankbaar aan Fors Fortuna, en verteederd:
was hij niet altijd als een vader voor hen geweest?
--Kom jongens; kom meê! riep de dominus. Jullie willen toch niet dien
neger koopen....
--Waarom niet?
--.... niet? blageerden de jongens en hingen weêr aan, aan Lavinius'
armen.
--We moeten voort maken, spoorde de dominus aan.
Zij liepen het Forum Boarium over, tusschen den drek der runderen:
dien morgen was het veemarkt geweest.
--Abah! klaagde Cecilianus. Zoo vuil! Tusschen die groote
hoopen! Het is vuìl, hier in Rome, hoor. Vergelijk dat nu eens met
Alexandrië! Daar wordt alles schoon gehouden door de ibissen, die er
van den reinigingsdienst zijn.
--Ja, de ibissen, zei Cecilius.
--Die eten toch geen koeiendrek! wierp Lavinius tegen. Kom toch,
vlugger vooruit, dondersche slenteraars....
Maar was het nog modderige, bevuilde Forum Boarium vlug over te steken,
er wàs niet zoo heel vlug te gaan, onderlangs den Capitolinus en langs
het Theater van Marcellus. De Portiek van Octavia krioelde stampvol
tusschen hare driehonderd zuilen: vele advocaten, pleitbezorgers,
processe-jagers....
--Ik word zoo moê, zei Cecilianus; hij keek naar zijn gele schoentjes,
of ze niet èrg vuil waren geworden.
--Dan zullen we maar de Menæchmi repeteeren en niet de
Bacchides.... plaagde de dominus.
Maar de jongens lachten, waren heelemaal niet meer bang.
--Daar zijn we er! zei de dominus.
De jongens zagen op. Gisteren nacht hadden zij het Theater van
Pompeïus slechts vaag, donkerend, gezien in de nachtschaduw of
doorvloeid van telkens verschemerenden maneschijn. Nu zagen zij
het, in stralenden zonneschijn. Het halfrondde zijn statigen boog
omhoog, onder den glorenden, blauwen ether. Het verrees hoog zijn
drie verdiepingen op de eerst Dorische, dan Jonische, ten hoogst
Corinthische zuilen. Marmeren beelden, glanzende blank, bekroonden
den hoogsten ommegang, gebarend tegen het transparante azuur. In de
nissen der muren rijden zich eveneens de beelden. De deur van het
postscænium stond open; de caterva, een voor een, slipte, slenterde
er door heen, toen de dominus en de jongens naderden.
Ze keken alle drie op.
--Toch een móoi Theater! bewonderde de dominus.
--Ik heb het gisteren nacht nièt goed kunnen zien, zei Cecilius.
--Het is móoier dan het Theater te Alexandrië! gaf Cecilianus toch
wel toe.
Zij bleven, een oogenblik, toeven, heel ernstig nu, kijken, òp
kijken. En zij waren trotsch, alle drie. De dominus, omdat hij dit
maal, in den vijftienden jare der genadige regeering des Keizers
Domitianus, den goddelijken Flaviër, de Megalezische Scenische
Spelen zoû inwijden in dit prachtige Theater, te Rome; de jongens
omdat zij er zouden optreden, morgen, voor duizenden en duizenden,
in de Bacchides.... de Bàcchides!!
Maar voor zij binnen traden, zei Cecilius aan broêrtjes oor:
--Cecilianus, nóoit zeggen, dat we gisteren avond....
--Wàt?
--Dien dief en dien slaaf hebben gezien, toen zij denkelijk....
--Ik zal zoo gek zijn! zei Cecilianus.