V.

Wat al ontroering, dien volgenden morgen, dadelijk op straat,

voor het huis van voller en slavenkoopman, toen de caterva, mèt

Cecilius en Cecilianus dit maal, hun woning verliet, allen te zamen,

om te baden in de Thermen van Titus, om iets te eten, om daarna te

repeteeren. Ten eerste de ontroering, die ging door de straten, omdat

er die nacht een moord was gebeurd in de Carinæ en een inbraak; meer

bizonderheden ontbraken nog: de misdadigers waren gevat, zei de een;

zij waren ontvlucht, beweerde de ander. Dan de ontroering in de caterva

zelve, dat de Bacchides toch zouden worden opgevoerd.... Misschien de

Bacchides èn de Menæchmi beiden, had de dominus met gezag verklaard,

terwijl de slavenkoopman, Autronius, dit maal een troep van twaalf

buitenlandsche slaven en slavinnen, meest Daciërs, ter markt zoû

geleiden en de voller in den blanken weêrschijn van zijn uitgehangene

toga's op den drempel van zijn winkel verscheen om Lavinius Gabinius

te begroeten. Intusschen trok de "paraziet" den dominus ter zijde, en

tusschen de bolderende karren vol marmerblokken, door muilen getrokken,

onder een geklikklak van zweepen der karrevoerders, poogde de

"paraziet" zijn dominus fijntjes te bepraten.... Zoû het toch werkelijk

niet beter zijn, meende de "paraziet", àls de Menæchmi dan werden

opgevoerd, géen tweede stuk van Plautus te nemen maar, ter afwisseling,

een stuk van Terentius: de Formio of de Heautontimorùmenos? Woedend,

in stilte, nog steeds op de tweelingen, stelde hij van alles in het

werk hun dat successtuk der Bacchides te ontnemen. In die Bacchides

speelden zij de tweelingzusjes, de twee courtizanen-tweelingen

en hadden zij steeds, maskerloos, meer dan gewonen bijval.... Hij

trok den senex er bij en beiden zeurden nu aan des dominus' ooren;

uit nijd en afgunst de senex, die, jong, altijd gemaskerd moest

spelen; uit wraakzucht de "paraziet", al zoû hij zijn mooie rol in

de Menæchmi toch misschien kunnen luchten.... Neen, zeide de dominus:

Terentius hadden zij in Neapolis heelemaal niet gespeeld; Plautus zat

er beter in bij heel den troep.... Terentius was zoo fijn, meende de

"paraziet", zoo beschaafd, zoo Attiesch, zoo welluidend van titels:

Heautontimorùmenos.... Jawel, jawel, meende de dominus.... Terentius

èn Plautus beiden waren de genieën, de klassieken--modern was er

niets. Maar toch, er wàs geen tijd Terentius op nieuw heelemaal in

te studeeren en de voorstellingen, zie je, moesten puik zijn; denk

toch, voor de Megalezia, te Rome....! Achter hun drietal stieten de

tweelingen elkander aan, hadden de samenzwering wel in de gaten, maar

waren reeds zeker van hun Bacchides. Koesterden niet de minste vrees

meer.... Dien middag werden de Bacchides gerepeteerd en ze zouden

nu niet meer er van door gaan, zelfs al riep de genadige Domitianus

zelve hen in zijn keizerlijken draagstoel.... Zij bleven vlàk achter

hun dominus en zouden hun zaak niet meer bederven: zij zouden nu

oppassen, hoor! En zoodra zij kans zagen senex en "paraziet" weg te

duwen, voegden zij zich aan weêrszijden van den dominus vol zoete

woordjes, gevlei, flikkeflooiden zij hun meester, beloofden héel mooi

te spelen en te zeggen, en Cecilius vroeg en Cecilianus vroeg na,

of het niet aardig zoû zijn hun koppen te maken, hun gezichten te

schilderen naar de antieke maskers van den edelen Plinius? De dominus

bewonderde hun inval: toch wel aardige, knappe jongens; ze hadden

talent meer dan gewoon, zèker geërfd van hun vader Manlius, die een

histrio was geweest.... En hij zei van ja, altijd ingepalmd door die

twee. En zoo bleven zij den geheelen tijd om hun dominus: "dominus"

hier en "dominus" daar; in de Thermen verlieten zij hem niet, maakten

grapjes en iedereen keek naar hen, omdat zij zoo mooi naakt in het

water waren en de dominus was trotsch op hen en verheerlijkte tusschen

hen beiden. Een oude bader, half kaal, met grijzen ring haren en een

dikken buik boven zijn altijd afvallenden badmantel bombeerend, wenkte

den dominus en de capsariï zeiden, hij was de schatrijke Sextilianus

en daarom ging de dominus naar den dikbuik toe. En Sextilianus bood

den dominus tweehonderd-vijftigduizend sestertiën voor de beide

tweelingen, als hij ze verkoopen wilde. Het zal niet gaan! riepen

Cecilius en Cecilianus na, overtuigd van hun onverkoopbaarheid. Het

was toch een goèd bod; een gewone slaaf-van-waarde kostte zoo ongeveer

honderdduizend sestertiën. Maar de dominus, vlug, berekende toch,

dat de tweelingen hem in de caterva niet minder opbrachten en hij

zeide Sextilianus, dat hij ze niet missen kon, nu vooral niet, in de

Megalezia.... Of ze dan niet eens konden komen voordragen, tijdens

een banket.... Neen, neen, fluisterden de tweelingen tot den dominus,

lieve dominus, en dat ze niet konden: ze moesten immers de Bacchides

repeteeren, en morgen spelen? Dag aan dag spelen.... Misschien niet

dàg-aan-dàg, meende de dominus, als de Menæchmi.... Dus toch de

Menæchmi? fluistervroegen de jongens en duwden dikken, schatrijken

Sextilianus, die tweehonderd-vijftigduizend sestertiën voor hen geven

wilde, met den elleboog weg. Om de beurt: Menæchmi en Bacchides? Om af

te wisselen? Nu goed dan, maar dan ook de rol van Erotium, aardige

deerne-rol, nu eens door Cecilius, dan eens door Cecilianus laten

spelen, hè? Clarus, die hem gisteren gerepeteerd had, was toch

eigenlijk beter in een matrona-rol, had niet de intonatie van de

meretrix. Vond de dominus niet? En ze vleiden en ze flikkeflooiden

en de dominus, hoewel steeds met een autoritairen frons tusschen de

brauwen, gaf toe, gaf alles toe, op éen voorwaarde; dat ze nooit meer

zoo een heelen dag weg liepen en hem in ongerustheid lieten.... Een

moord, ja een moord en een diefstal.... In de Carinæ.... Het was een

ontroering: Rome was niet veilig; de Viermannen zorgden heelemaal niet

voor de nachtelijke veiligheid; schorrie-morrie dwarrelde 's nachts

altijd rond tusschen de zuilen der portieken; dat waren de columnariï,

zoo als de Romeinen hen reeds noemden: dieven en moordenaars en

's nachts krioelden ze in de Suburra, in al de kroegen, taveernen,

bordeelen. Ja, zeiden de jongens en sneden op: gisteren nacht, toen

zij langs de Portiek van Octavia waren gegaan, had het er gekrioeld

van columnariï, allemaal moordenaars en dieven. En de eene dronkelap,

dien zij hadden gezien en uitgescholden, werd in hunne verbeelding een

bende boeven en roovers en zij vertelden ervan hoe zij waren nagezeten,

hoe zij hadden gevochten en de baders verzamelden om hen. Zij stelden

zich aan, hingen ieder aan een arm van hun dominus om toch goed te

laten zien, hoe goede vriendjes zij met hem waren en de dominus liep

er in, geloofde, dat zij gevaar hadden geloopen, vloekte, dat zij zoo

onvoorzichtig waren, drukte hun op het hart voortaan niet alleen door

die groote stad te dwalen. Een man vermoord....? Ja, een man.... neen,

tòch een vrouw.... En plotseling, op den drempel van de Thermen, die

zij verlieten, om vlak bij, staande, in een taveerne, gestremde melk

en honigkoek te eten, hoorden zij wie er die nacht vermoord was in de

Carinæ.... Het was Nigrina....! Wie, Nigrina? Wel, de zwaardvechtster,

je weet wel; ze trad in het Colosseum op tegen een beer of een tijger,

soms tegen een anderen zwaardvechter of -vechtster en zelfs kerels

hadden ontzag voor haar; ze was een patricische en de vrouw van een

senator, die was al lang om het een of ander door den Keizer verbannen

en zij was nu vermoord.... Nigrina, die met Fabulla....? vroegen de

jongens. Ja, die natuurlijk, diè, en de jongens beweerden wereldwijs,

dat zulke hooge vrouwen ook niet onder het volk moesten komen;

dat liep altijd slecht af.... En onder elkaâr smoesden zij, toch

even beïndrukt, als het wèrkelijk Nigrina zoû zijn, dat zij het er

altijd goed hadden afgebracht, van hun nachtelijke avontuurtjes en

onverwachte uitnoodigingen.... En, voor de taveerne bij de Thermen,

bestormd door de baders, die er de roode kommetjes gestremde melk

uitslurpten, besprak de caterva, bespraken alle de ontbijters het

geval.... Neen, het wàs nièt Nigrina, hoorden zij nu weêr.... Wie het

dan wel was....? Crispina, de Egyptische, de zuster van Crispinus, den

gunsteling van den Keizer. En de dominus schrikte wel, toen hij hoorde,

dat het Crispina was! Crispina, de moeder van de tweelingen, die met

Manlius, den histrio, in der tijd.... Maar het was niet Crispina.... Er

was heelemaal geen moord gepleegd.... Jawel, jawel.... Dus toch de

Bacchides? Die verdomde jongens, ze kregen toch altijd hun zin. En

de komedianten overluisterden ook een twist van Clarus en Cecilianus:

--Jij bent maar een matrona-jongen, zei Cecilianus hoog; alleen mijn

broêrtje of ik kan Erotium spelen....

--Zoo, ben ik maar....? begon Clarus woedend; hij was al in de twintig,

zijn stem werd al te mannelijk; hij moest die forceeren naar de

hoogte toe.

--Ja, en jij hebt de stem van een vènt, minachtte Cecilianus en Clarus

werd rood van boosheid maar de senex wenkte hem en zij smoesden,

terwijl allen nu, langzaam, slenterend, op weg gingen naar het

Pompeïus-theater, voor de repetitie.

De tweelingen lieten niet af van den dominus. Zij lieten zich niet

meer afleiden door al het geklets en gekakel over den moord, hier,

vlak bij de Carinæ, wier rijke huizen zich daar ginds verloren, weg

verschoten in een fijn geschaduw van tuinen, van sycomorengeschemer en

platanengeblaârte, doorzond door de nog jonge, gouden zon. Voorname

draagstoelen wiegelden aan, aangekondigd door geklikkak van

zweepen. Bevallige carpenta, met een of twee paarden, deden de

voetgangers haastig schuil zoeken op de nauwe vluchtrichels; zwarte

slaven, laatdunkend, stieten hun schreeuw van aankondiging uit. De

caterva, vaak na gekeken, herkend soms toe geroepen: histriones!,

slenterde onverschillig voor de algemeene minachting, langzaam een

eind de Sacra Via op, door den Titusboog....

--De Joodsche Kandelaar! wezen de tweelingen den dominus.

--Hebben jullie dan àlles al weêr in Rome gezien? vroeg de dominus,

steeds tusschen hen beiden in, langs de trappenvluchten van het

Flavische Paleis....

--Daar woont de Keizer, wezen de jongens; en hier heeft de edele

Plinius ons in zijn draagstoel meê genomen....

De dominus wist wel, dat de Keizer daar woonde, maar sommige

komedianten, die nooit in Rome waren geweest, stonden stil, gaapten

naar die prachtige, Olympische woning, zuilende op den Palatinus,

tegen de doorzichtigheid van blauw kristallijnen Aprillucht.... En de

jongens wezen, pedant, omdat ze het wel wisten, meér hadden gezien,

aan servus en andere beminde caterva-leden....

--Het paleis van den goddelijken Domitianus....

Zonder dien beroerden "paraziet" en senex met een blik te

verwaardigen....

En zij slenterden door de drukte verder. Nu was het zoo druk, voor

het Huis van Vesta, en den ronden Vesta-tempel, bij den Tempel van

Castor en Pollux, dat zelfs hun groote troep niet meer in het oog

viel. Zij werden niet meer opgemerkt; zij zagen er bijna uit als

iedereen; zij werden niet meer nagejouwd; hier verdrong zich en woelde

de menigte. Steeds schreeuwden de voorloopers van draagstoelen en

carpenta, klakten de zweepen, en de drukke stemmen lawaaiden luider,

lachende, twistende, schertsende tegen elkaâr in. De tweelingen lieten

den dominus niet meer los, hielden hem ieder aan een slip van zijn

tuniek.... Zij genoten van de volte, de drukte. Zij wezen den dominus

de Basilica Julia; zij wisten dadelijk in iedere vreemde stad den

weg. Waarlijk, Rome herinnerden zij zich weêr, van drie jaren her,

toen ze nog ukjes waren geweest.

--De Basilica Julia weet ik ook wel, bromde de dominus.

In de Baziliek verdrongen zich de wandelaars, schuilende voor de al

warme zon. De schaduw koelde blauw tusschen de zuilen. Straatjongens

speelden damspelletje op de, in de marmeren treden door hen gegroefde,

vierkante lijntjes.... Meiden met kleurige toga's om--want de deerne

droeg de "toga" en niet als de matronastola en palla--wandelden

daar, wapperden met hare franjes, buitensporig gekapt, lonkten met

geschilderde oogen.... Pleitbezorgers stonden met hunne slachtoffers te

redetwisten, druk over hun hangende processen, met de duimen stavende

hun bewijsredenen. Senatoren, in rood omzoomde laticlavia, begroetten

elkander, deftig. En het was als kleur een even bont, maar zacht bont

getinte, grauwige blankheid, om de weêrschijningen van al het marmer

van het dicht op elkander bebouwde Forum: de tempels, de bazilieken,

de zuilen, de trappetreden, de tallooze beelden, die alle de blauwige

schaduwen sloegen.

--Hoe nu? vroeg de dominus, een oogenblik de kluts kwijt.

--Den Vicus Tuscus door, natuurlijk! oriënteerden zich de jongens

dadelijk.

--Den Vicus Tuscus, natuurlijk! herstelde zich spoedig de dominus.

De jongens hìngen aan hem, lieten hem niet meer los, na de les van

gisteren avond. Zij zouden hun Bacchides niet meer verliezen. Zij

zouden zich vast klampen aan hun Bacchides èn aan hun dominus en zij

liepen met hem vooruit: de caterva, slenterend, volgde, vol commentaar.

Langs den Vicus Tuscus, die van het Forum naar het Circus Maximus

leidde, rijden zich de winkels. Hier stond het beeld van den god

Vertumnus, god van alle wisselvalligheid, god van goed en slecht weêr,

god ook van koop en verkoop. Hier waren de voorname zijdehandelaars,

en op hun toonbanken plooiden zij voor de koopende vrouwen de kleurige,

ritselende lappen uit, juist geschikt voor stola, palla, toga. De

matronen verdrongen zich met de deernen, deden de stoffen knisteren

in hare vingers. De goud- en zilversmeden stalden hun goudsmeêwerk,

hun zilveren vaatwerk uit; de geurwerkers, in tal van kleine vaasjes

van onyx, albast of goedkooper steen hadden in zeer kleine winkeltjes

op planken hun koopwaar sierlijk uit gestald. Een barbier voor

aanzienlijke klanten er naast. Open waren alle de winkels; het was

alles klein, druk, vol, rumoerig en roezemoezig op elkaâr. Lavinius

liep even bij Cosmus in. Het winkeltje, hoewel open, geurde een

nardus-potje gelijk.

--Ik breng alles van daag in gereedheid, dominus! verzekerde Cosmus. Al

je zalven, verven en poeiers....

--Maar dènk, vriend Cosmus, dat ik een arme drommel ben, die zijn

geld moet verdienen!

--Kom, kom, je zit er goed in! meende Cosmus.

De dominus sloeg de armen op en uit, de tweelingen dicht naast zich. Er

goed in?! Hij, een vrijgelatene, die vroeger, zelf slaaf, komediant,

nu ja een beetje van alles gespeeld had, vrouwerol, "paraziet,"

senex, tot hij zich had vrij gekocht en een grex, o een kleine maar,

had kunnen verzamelen....

--Wees maar niet bang, dominus; Cosmus zet je niet af, verzekerde de

geurwerker; ik ben ook vrijgelatene, maar ik ben ook cliënt van een

aanzienlijken patroon, van den schatrijken Sextilianus....

--Die ons woû koopen...?

--.... Ja, woû koopen....

--.... Voor tweehonderd....

--.... vijftigduizend sestertiën!! vielen de tweelingen samen in.

Cosmus lachte; Lavinius nam afscheid. Hij liep nu het Argiletum op,

waar de boekenwinkels waren en den winkel van Tryfo binnen. Reeds

had hij afgesproken met Tryfo, dat hij hem zijn titulï leveren zoû,

om aan te plakken op de hoeken der straten en Thermen. En hij woû

nog eens gaan hooren, want de tijd vloog om....

--Dag Martialis! Dàg Martialis! begroetten de tweelingen den dichter,

die juist bij den boekhandelaar was om te hooren of zijn laatste

epigrammenbundel goed werd verkocht. Dominus, dit is Martialis....!

De dominus wist nu wel wie Martialis was. Een moderne

epigrammendichter, wiens epigrammen dóoden konden.... Verbeeldt je,

als hij eens epigrammen, venijnige, dichten ging op hèm, op zijn grex,

op de voorstellingen, die hij zoû geven! En hij dacht, dat het goed

zoû zijn, zeer hoffelijk Martialis te groeten.

--Edele Martialis!! groette de dominus. Wat ben ik verheugd u te

mogen begroeten, u, den geestigsten Romein onzer dagen! Wat zal ik

het waardeeren, zoo niets u verhinderen zal onze voorstellingen bij

te wonen! Vooral de eerste, waar alles wat Rome voornaam, aanzienlijk,

geletterd, geleerd bezit, zal samen stroomen!

--Ik zal komen, ik zal komen, Lavinius, verzekerde Martialis; en

wij zullen allen komen: Plinius, Quintilianus, Tacitus, Frontinus,

Suetonius....

--Hooge eer doen de groote schrijvers mij aan en de edele proconsul en

de alleredelste Plinius, verzekerde Lavinius Gabinius; en wij zullen

de Bacchides, hoop ik, tot hun aller genoegen opvoeren.

--De Menæchmi.... Las ik ten minste op de acta diurna in het Forum,

Lavinius....?

--De nieuwsberichten, meende, hoffelijk glimlachend, de dominus; zijn

nooit héelemaal juist ingelicht. Wij zullen spelen, edele Martialis,

misschien een enkelen keer de Menæchmi, maar vooral de Bacchides,

vooràl de Bacchides....

--Daar spelen wij....

--.... Ja, wij....

--De hoofdrollen in! riepen de jongens.

Maar Tryfo rolde-uit een groot perkament.

--Zie hier, dominus....

--Mooi zoo! riep de dominus, dadelijk getroffen.

En zij lazen allen, Martialis, dominus, knapen het groote perkament

van den titulus, de didascalia, het programma:

Acta Ludis Megalensibus.

--Vindt je die roode en zwarte letters mooi, dominus? vroeg de

boekhandelaar, te gelijk uitgever en vrijgelatene, éen der cliënten

van Plinius. Hij was meester van zeer knappe copiïsten: die zaten

achter in een zaaltje over te schrijven en keken nieuwsgierig op,

hunne stiften in de hand.... Martialis vroeg even, ter loops....

--Uw epigrammen, edele Martialis? Zeker, ik verkoop ze, ik verkoop

ze.... De laatste bundeltjes zelfs voor drie-en-een-halve as. Iedereen

wil ze hebben, grif gaan ze weg. Dus mooi, niet waar dominus; die

roode en zwarte letters en mooi groot, niet waar, dat treft dadelijk:

Acta Ludis Megalensibus.

Lucio Sosibiano et Marco Sofronio

Ædilibus Curulibus.

--Zoudt ge niet de namen van de ædilen, beste Tryfo, meende de dominus,

met iets grootere letters laten schrijven?! Dat doet altijd pleizier,

weet ge.... Wat vindt gij, edele Martialis??

--De namen van de ædilen zoo groot mogelijk, Tryfo, zoo groot mogelijk!

--Goed dan, dominus; zeker, Martialis; de eigennamen iets grooter dan,

met iets meer rood er tusschen? Maar ædilibus curulibus?

--Zoo laten, zoo laten, meende Martialis.

--Ja, zoo laten, meende de dominus, en de jongens bauwden na:

--Zoo laten! Niet met grootere letters: ædilibus curulibus!

Tryfo wees en las verder:

De komedianten · 第 12 / 30 题