Welk een schat van herinneringen zijn aan Bethlehem verbonden! Behoef
ik te zeggen, dat wij er meer dan eenmaal een bezoek brachten.
De weg er heen, dien men per rijtuig in een klein uur aflegt, is op
zich zelf reeds in menig opzicht belangrijk. Van de Jaffapoort daalt
hij af langs de Zuidzijde der stad in het Hinnomdal. Recht tegenover ons
ligt een geheel nieuwerwetsch dorp; het zijn de woningen die MONTEFIORE
stichtte ten behoeve van zijne Joodsche geloofsgenooten. Aan de andere
zijde van het dal stijgt de weg langs Hakeldama weêr omhoog en heeft men
het uitzicht op den Westelijken heuvel van Jerusalem. Eenige rijzige
cypressen wijzen de plaats aan waar het Protestantsche kerkhof is, al
waar SAMUEL GOBAT begraven ligt, wiens naam onafscheidelijk verbonden
is aan de geschiedenis van het Protestantisme in Jerusalem en Palestina.
[Illustratie: RACHEL'S GRAF.]
Weldra volgt het station Jerusalem van den spoorweg naar Jaffa;
daarachter liggen de huizen der Duitsche landbouwkoloniën, door mij
elders beschreven. De weg, die onder langs den Olijfberg uit het
Kidrondal komt vereenigt zich hier met den onze. Links van ons verheft
zich de Frankenberg, een afgeknotte kegel, waarvan de kruin kunstmatig
is geëffend, waarschijnlijk door HERODES den Groote, die er zich een
zomerverblijf inrichtte, welks tuinen door eene afzonderlijke leiding
van water werden voorzien uit de vijvers van SALOMO, die wij hierboven
beschreven hebben. (bldz. 150.)
Halfweg Bethlehem genieten wij, als wij even uitstappen en ons omkeeren,
van het schoone uitzicht op Jerusalem, dat de reiziger, die van Hebron
of Bethlehem komt en zijn schreden naar de Godsstad richt hier van deze
hoogte voor het eerst voor zich ziet. Volgens de overlevering was dan
ook hier de plaats, waar weleer ABRAHAM stond, toen de Heer hem den berg
Moria wees, waar hij zijn zoon IZAAK zoû offeren.
Dan volgt het graf van RACHEL, het eenige monument in Palestina,
datnog aan de Joden toebehoort. Het is een vierkant steenen gebouw,
gedeeltelijk overwulfd en bestaat uit twee vertrekken, waarvan het eene
de graftombe bevat, waarin RACHELS gebeente rust. Wellicht begroeven
de inwoners van Bethlehem uit piëteit voor deze vroeggestorvene moeder
eertijds hun dooden daar om heen, misschien ook wel de kinderen, die bij
de geboorte van JEZUS het slachtoffer werden van de woede van HERODES,
zooals SCHNELLER veronderstelt in zijn bekende boek over Palestina.
Daarin zoekt hij een verklaring van de vervulling der profetie, welke
Mattheus in die gebeurtenis meent te zien uit Jer. XXXI: 15. „Er is
een stem gehoord in Rama, een klage een zeer bitter geween. RACHEL
weent over hare kinderen; zij weigert zich te laten troosten, omdat
zij niet zijn.” Hij veronderstelt, naar het mij voorkomt terecht, dat de
Evangelist daarbij gedacht heeft aan dit graf, waarin RACHEL treurt over
den vroegen dood der onnoozele kinderen, die rondom haar heen begraven
werden en dat hij daarbij tegelijk doelt op de hartverscheurende klacht
der diep bedroefde moeders, die weêrklonk over de bergen tot aan Rama,
daar ginds in de verte.
Even voorbij het graf van RACHEL splitst zich de weg in tweeën, de eene,
die recht doorgaat geleidt naar Hebron, de andere links naar Bethlehem.
Hier op dezen tweesprong komt ons de geschiedenis voor den geest van
de Wijzen uit het Oosten, van wie wij lezen, dat zij zich verheugden
met groote vreugde, toen zij tegen het vallen van den avond in het
gesternte, dat daar prijkte boven Bethlehem de ster zagen, die zij in
het Oosten gezien hadden en die zooals SCHNELLER zoo schoon beschrijft,
daar elken avond aan den hemel verrijst.
Inderdaad, wanneer men in aanmerking neemt, dat in de ligging of
richting der groote verkeerswegen slechts zelden eene verandering
komt, dan is er in Palestina stellig geen weg zoo rijk aan historische
herinneringen als die van Jerusalem naar Bethlehem. Hetzelfde stel
ik mij ook voor van de velden rondom Bethlehem, die naar ik vermoed
weinig zullen verschillen van die in vroeger dagen. Het zijn velden met
boomen beplant, meerendeels wijngaarden, met een steenen hut voor den
wijngaardenier in het midden, hier en daar afgewisseld door olijven,
citroenen en vijgeboomen, die met hun verschillend groen aan het
landschap in onderscheiding van elders een zeer welvarend karakter
geven. Dit is echter eene uitzondering, die ons niet bevreemdt, omdat
wij weten, dat de geheele bevolking van Bethschala, dat rechts van ons
ligt te midden van bebouwde velden en akkers, uitsluitend Christelijk
is; terwijl Bethlehem op 8000 zielen slechts 260 Mohammedanen telt.
Het Christelijk karakter dezer dorpen valt ook nog in andere opzichten
in het oog. Overal ziet men de nijvere bevolking aan het werk en de
gelegenheden zijn vele, waar men een kunstig uit Olijvenhout of
paarlenmoer gesneden voorwerp kan koopen als aandenken aan Bethlehem.
Maar het meest komt het Christelijk karakter der bevolking uit in de
kleeding der vrouwen, die hier overal ongesluierd op straat loopen.
Welk eene gansch andere verschijning is zij als die sombere gestalte,
die ik vroeger beschreef, geheel in het zwart gehuld en verborgen achter
een dito sluier, zoodat zij aan een levende mummie deed denken. Het
aangezicht der Bethlehemsche vrouw is geheel vrij en de sluier, die
enkel dient om het stof afteweren, hangt in breede plooien van den
cylindervormigen hoed, waaraan hij is vastgemaakt, over de schouders
heen. Snoeren van gouden en zilveren penningen tooien haar hoed, hals
en borst en het jak is versierd met allerlei figuren, die er met goud
en zilverdraad smaakvol op zijn gestikt. Dit alles maakt de vrouw te
Bethlehem tot eene aantrekkelijke verschijning, op wier vroolijk
aangezicht te lezen staat dat zij gelukkiger is dan hare Mohammedaansche
zuster, vooral wanneer men haar omringd ziet van hare kinderen, die
om haar heen spelen. Zoo zagen wij ze zitten op de veranda van het
Protestantsche weeshuis, dat juist werd ingewijd en daar onder eene, die
inderdaad opvallend schoon was, eene rijzige gestalte met een geheel
Grieksch type en toch zoo naief kinderlijk, dat toen zij bemerkte, dat
ik hare schoone snoeren bewonderde, die om haar hals en borst hingen,
zij ze aanstonds voor mij voor den dag haalde.
De plaats, waar de Heer werd geboren en die natuurlijk elke vreemdeling
bezoekt, bevindt zich onder de kerk, die naar de moeder des Heeren, de
Mariakerk heet. Het is een zeer eenvoudig gebouw. De voorgevel bestaat
uit een hoogen, vlakken muur, waarin een nauw, laag deurtje is, dat
toegang verleent tot het voorportaal en met opzet zoo klein is ten einde
de bezitters gemakkelijk in de gelegenheid te stellen hun heiligdom
tegen een vijandigen aanval te beschermen. Door een tweede deur treedt
men het schip der kerk binnen, waar men nog de sporen ziet van mozaïek
op den vloer, van schilderwerk tegen den wand en van verguldsel en
kleuren aan de houten bekapping, die alle nog overblijfselen zijn van
voormalige pracht.
Veel schooner is de Katharijnen kerk, die er tegen aan staat en het
eigendom is der Franciscaners en waarin juist een godsdienstoefening
was, die op ons door zijn eenvoud een treffenden indruk maakte. Bij
het koor zat de geestelijke, iets hooger dan het publiek, dat in het
ruim op Oostersche wijze op den vloer was gezeten met de beenen gekruist
onder het lichaam. Het was een aardig tafereel, die bonte schare daar
eerbiedig en aandachtig te zien luisteren naar hetgeen de voorganger
vertelde. Voor ons was hetgeen hij zeide natuurlijk onverstaanbaar, maar
toch was er iets bijzonder stichtelijks in de eenvoudige verkondiging
van het Woord des levens, juist hier in Bethlehem, waar dat Woord het
eerst werd gehoord. Op mij althans maakte dat geheele tooneel veel meer
indruk dan de aanschouwing der geboortegrot zelve.
Deze grot bevindt zich, zooals ik reeds zeide, onder de Mariakerk
eenige trappen onder den beganen grond. Er behoort inderdaad eene rijke
verbeelding toe om zich voor te stellen, dat deze grot, die den vorm
heeft van een half kruis, waarvan de opstand 10 en elk der zijarmen 5
meter lang zijn, eenmaal de stal zou geweest zijn, in welke de kribbe
stond, waarin het Kindeke werd neergelegd, omdat er geen plaats voor was
in de herberg. Doch ik heb mij eenmaal voorgenomen mij te onthouden van
allerlei op- en aanmerkingen op zoogenoemde heilige plaatsen, die mij
vaak in boeken van anderen ergerden, vooral wanneer zij dan nog gepaard
gingen met een toon van voornaam medeleden met die domme menschen,
die men daar ziet nederknielen en aanbidden. Zeer zeker, er is in de
bijgeloovige overschatting dier heilige plaatsen veel dat ons hindert en
soms ergert, en men kan haast een glimlach niet onderdrukken, wanneer
men in die grot eene opening ziet in den vloer, bekleed met een zilveren
ster, waarvoor de menschen nederknielen, omdat op die plek de ster, die
den Wijzen uit het Oosten den weg naar Bethlehem wees, in de aarde zonk!
En toch, getuigt die stille vereering niet van een kinderlijk geloof?
Zijn er niet onder die eenvoudigen, die door hun geloof menigen wijze
en verstandige beschamen, die als zij in Bethlehem komen zich misschien
in het geheel niet tot bidden gestemd gevoelen. Voorzeker een gebed in
geest en in waarheid staat hooger dan een, dat nog aan een bepaalde
plaats is gebonden. Doch, wanneer wij het gesprek lezen van den Heer
met de Samaritaansche vrouw over dat onderwerp, dan blijkt daaruit toch
niet, dat Hij het laatste veracht, maar veeleer beschouwt als iets dat
van voorbijgaanden aard is.
Mogen er ook onder die pelgrims, die opgaan naar Bethlehem om te
aanbidden velen zijn, die waarde hechten aan deze bepaalde plaats,
dan getuigt dat toch van een geloof aan het groote heilsfeit der
menschwording van den Zoon van God, dat hier eenmaal plaats greep en
het gebed zelf van de begeerte om de beteekenis van het wonder der
vleeschwording des Woords te mogen ervaren aan het eigen hart.
Die Bethlehem in dat geloof en met die begeerte bezoekt zal gevoelen,
dat hij er tot stille aanbidding wordt gestemd en onder dien indruk
dankbaar zijn voor hetgeen hij hier mag aanschouwen.