DE WATERWERKEN DER OUDHEID.

Menigeen, die Jerusalem bezocht, zal misschien verzuimen te letten op

de kunstige waterwerken, die daar zijn en onze rechtmatige bewondering

verdienen, omdat zij dagteekenen uit een tijd, van welken niemand zou

gelooven, dat men toen reeds zoo op de hoogte was van de waterbouwkunde

en daaraan verwante wetenschappen. Daarom wensch ik hier nog een en

ander te vertellen van hetgeen wij daar op dit gebied zagen.

Toen wij op de Tempelplaats rondwandelden, trof het reeds mijne

aandacht, dat men op verschillende plaatsen mannen zag, die water

putten met emmers, die 10 en 20 meter diep werden neêrgelaten. Hoewel

het gedurende meer dan een half jaar niet had geregend, was daar

onder den bodem, op welken wij wandelden, toch overvloedig water. Dit

verschijnsel is te meer bevreemdend, wanneer men weet, dat de ondergrond

van den berg Moria uit louter kalkrots bestaat en vereischt eene nadere

verklaring, die mij aanleiding geeft om een en ander mede te deelen

omtrent de wijze, waarop men Jerusalem van water heeft voorzien.

Het trok te allen tijde in hooge mate de aandacht, dat de inwoners der

stad, zelfs bij de langdurigste belegeringen, zooals bij die van Koning

NEBUKADNEZAR, die anderhalf jaar duurde, wel over hongersnood, maar

nimmer over gebrek aan water te klagen hadden; terwijl daarentegen de

belegeringslegers buiten de stad van dorst dreigden om te komen. Ook in

de dagen der kruistochten werden de kruisridders door een hevigen dorst

geplaagd en moest het water uren ver gehaald en tot hoogen prijs betaald

worden; terwijl men, na de inneming der stad door GODFRIED VAN BOUILLON,

daarbinnen overvloedig water vond.

Het schijnt, dat reeds SALOMO bij de ophooging van het tempelplateau

bedacht geweest is op middelen om de stad, die geheel op kalkrots is

gebouwd, van water te voorzien. Hij liet bij de ophooging van het

terrein groote waterreservoirs in de rots uithouwen of metselen, waarin

het water van het dak van den tempel zich verzamelde. Dit water moest

dienen voor de reiniging der vaten en der gereedschappen, die bij den

tempel of den offerdienst in gebruik waren. Men is er in geslaagd 35

dezer cisternen of regenbakken te onderzoeken, die deels nog in gebruik,

ten deele echter in onbruik zijn. Een daarvan wordt de groote zee

genoemd, omdat zij millioenen liters water kan bevatten.

Toen de stad zich meer en meer uitbreidde en de behoefte aan water

grooter werd naarmate het aantal inwoners vermeerderde, heeft men hierin

voorzien door eene waterleiding. Men houdt dit voor het werk van SALOMO,

naar wien de drie groote waterreservoirs nabij Bethlehem, twee uren ten

zuiden van Jerusalem, nog de Salomo-vijvers worden genoemd. Een niet

onbelangrijk aandeel in dit werk wordt aan Koning HISKIA toegekend,

wiens naam nog verbonden is aan het zoogenoemde Patriarchen-bad of den

Hiskia-vijver, waarvan wij vroeger melding maakten. Deze vijver, die

in de stad is gelegen, is 73 meter lang en 44 meter breed en lag, toen

wij er waren, nagenoeg geheel droog. Hij wordt door een afvoerkanaal

gevuld uit den Mamilla-vijver, die vijf minuten buiten de stad ligt,

een waterreservoir, dat 89 meter lang, 59 meter breed en 6 meter diep

en ten deele gemetseld, ten deele in de rots is uitgehouwen. Men houdt

dezen voor denzelfden vijver, waarbij de profeet JESAJA Koning ACHAZ

ontmoette en die, omdat hij hooger lag dan de andere, de opperste vijver

wordt genoemd (Jesaja VII: 3). Aan dezen vijver had ook het gesprek

plaats tusschen RABSAKE, den veldoverste der Assyriërs, en de afgezanten

van Koning HISKIA (Jes. XXXVI: 2).

Deze Mamilla-vijver, die tijdens ons verblijf te Jerusalem geheel droog

was, werd voorheen door de waterleiding van Bethlehem, toen deze nog in

behoorlijken staat was, voortdurend van water voorzien. Van hier uit

liep het dan verder langs den berg Sion naar den Tempelberg en door

onderaardsche kanalen door de geheele stad.

De drie Salomo-vijvers bij Bethlehem vormen het eigenlijke middelpunt

der geheele waterleiding. Twee toevoerkanalen uit nog zuidelijker

gelegen dalen brengen het water in deze reservoirs, van welke twee

andere aquaducten het naar de stad geleiden. Deze Salomo-vijvers liggen

tegen de helling van een berg op 50 meters afstand van elkaar, de eene

telkens 6 meter hooger dan de andere, zoodat de eene in de andere kan

leegloopen. De bovenste is 116, de middenste 129 en de benedenvijver 177

meter lang en 15 meter diep. Elk reservoir kan een paar millioen vierk.

meter water bevatten.

De eerste toevoer van water schijnt uit vier kunstig aangelegde

bronnen te zijn verkregen, die in de rotsen zijn uitgehouwen en zich

in de onmiddellijke nabijheid der vijvers bevinden. Toen echter deze

voorraad onvoldoende was, werden twee kanalen uit hooger liggende dalen

aangelegd, die heden nog de Salomo-vijvers van water voorzien. Het eene

uit het bronrijke Bisardal is kort, maar zeer kunstig aangelegd; het

andere, dat veel langer is, komt uit het Arrubdal en splitst zich bij

de bron in twee armen, die te samen den eigenlijken ader der vijvers

vormen. Dit kanaal maakt op sommige plaatsen zulke bochten, dat een

afstand van 25 minuten hemelbreedte een kanaallengte van 3 uren

vereischte om zonder kostbare viaducten op dezelfde hoogte te kunnen

blijven.

Eveneens zijn er twee kanalen, die het water van deze reservoirs naar

Jeruzalem afvoeren. Het eene, vermoedelijk het oudste, dat van den

bovenste vergaarbak uitgaat, loopt bijna lijnrecht naar de stad. Daarbij

verdient vermeld te worden, dat dit water in de nabijheid van het graf

van RACHEL eerst af en daarna weder oploopt door opzettelijk daartoe

vervaardigde steenen buizen, waaruit blijkt, dat men destijds reeds

kennis droeg van de wetten van den hevel. Deze leiding, die men tot

nabij Jeruzalem kan volgen, liep over den Westelijken heuvel Sion naar

den tempel van onder welks drempel EZECHIËL in zijne profetieën (Ezech.

XLVII) het water zag stroomen en aanwassen tot een beek, die het geheele

land besproeide.

Een tweede leiding, die nog in haar geheel bestaat en volgens bevoegde

beoordeelaars van jongeren datum is, voerde het water van alle drie

vijvers naar de stad langs een kanaal ter lengte van 7 uren. Daar de

afstand slechts 2 uren bedraagt, werd deze meerdere lengte veroorzaakt

door tal van krommingen, die noodzakelijk waren ter vermijding van

viaducten. Zij vereenigt zich bij de stad met het andere kanaal.

Het was natuurlijk een punt van langdurig onderzoek om te bepalen, wie

de ontwerper en bouwmeester dezer grootsche waterwerken is geweest.

Volgens eene overlevering, vermoedelijk gegrond op het woord Pred.

II: 6: „Ik maakte mij vijvers van wateren”, werden zij aan SALOMO

toegeschreven. De waarschijnlijkheid pleit voor deze bewering, omdat

het oudste kanaal in verbinding staat met de vergaarbakken op den door

SALOMO aangelegden Tempelberg. Een zijner opvolgers, vermoedelijk

HISKIA, zou dit werk dan later verbeterd hebben door den aanleg van

een nieuw aanvoerkanaal; terwijl men het tweede meer Oostelijk gelegen

afvoerkanaal houdt voor het werk van HERODES den Groote. Hiermede staat

namelijk nog een zijkanaal in verbinding, dat de sporen draagt van

Romeinschen oorsprong en naar het Herodium loopt. Dit Herodium was een

burcht met een lusthof op den Frankenberg bij Bethlehem, waarvan nog een

ruïne bestaat. Aan den voet van dezen berg vindt men een droogliggend

bassin, dat voorheen als vijver gediend heeft, ter lengte van 74 en

ter breedte van 45 meter. Men ziet er duidelijk de overblijfsels eener

waterleiding, die van de Salomo-vijvers komt. Doordien HERODES dus

het water, dat voor zijn lusthof diende, aan de stad onttrok, was hij

genoodzaakt een tweede kanaal aan te leggen, dat het water, hetwelk hij

voor zijn doel niet van noode had, naar de stad geleidde.

Uit dit alles blijkt duidelijk, dat het volk Israël in zijn tijd op het

gebied van waterbouwkunde niet achterstond bij zijn naburen, maar vooral

ook uit een werk, dat hier nog bijzondere vermelding verdient en in

hooge mate onze bewondering wekt.

Zooals ik zeide, was men er reeds vroegtijdig op bedacht om bij

mogelijke belegeringen van Jerusalem het water aan den vijand te

onttrekken en binnen de stad te brengen. Nu is er een bron buiten

den voormaligen ouden stadsmuur aan de Z.-O.-zijde der stad in het

Kidrondal, die de Mariabron heet. Zij ligt geheel verscholen in de

kalkrots. Eerst daalt men langs een trap van 16 treden af tot een gewelf

en komt dan nog 14 treden lager tot het waterbassin, dat een lengte van

3½ meter en eene breedte van 1½ meter heeft. Deze bron nu heeft men door

een geheel in de rotsen uitgehouwen onderaardschen tunnel, die onder

den voormaligen stadsmuur doorliep, verbonden met den Siloa-vijver, die

binnen de oude stad lag. Wel had het reeds vaak de aandacht getrokken,

dat het water zich door dit kanaal op geregelde tijden des winters 3–5

maal en des zomers 2 maal daags met kracht in den vijver uitstortte,

maar toch had men het nooit gewaagd naar de oorzaak daarvan een

nauwkeurig onderzoek in te stellen, omdat dit nog al gevaar opleverde,

doordien de tunnel op sommige plaatsen zeer nauw is. Later heeft men dit

echter toch gedaan,—de aanleiding daartoe zal ik straks vermelden—en

toen ontdekt, dat deze zich bij de bron verheft tot de hoogte, welke het

water bereikt, wanneer het bassin der Mariabron geheel gevuld is. Zoo

dikwijls dit het geval is, treedt hier dus de hevelwet in werking; want

zoodra, de waterstand in het bassin zoo hoog is, dat het water de bocht

van het kanaal bereikt, stroomt het met kracht door het kanaal, totdat

het bassin geheel ledig is. Deze sterke doorspoeling moet dienen om eene

opstopping in het kanaal te voorkomen, eene methode, die men ook nog

bij andere onbekende kanalen in de stad schijnt toegepast te hebben.

Somwijlen toch hoort men het water in de diepte onder den grond

ruischen, zonder den loop der kanalen te kennen, hetgeen een helder

licht werpt op de bekende interpolatie omtrent de beroering van het

badwater Bethesda (Joh. V: 4).

Tot een onderzoek vond men aanleiding door eene ontdekking, die een

knaap in 1880 deed aan de opening van den tunnel bij den vijver van

Siloa. Een der jongens, die daar speelden, toevallig de zoon van den

Duitschen ingenieur SCHICK, die op het gebied der oudheidkunde in

Palestina zeer groote verdiensten heeft, zag daar tegen den wand,

ongeveer 8 meter van den ingang van den tunnel, op eene gepolijste

vlakte van circa 60 cm. eenige streepjes en recht daartegenover eene nis

voor een lamp. Bij een nader onderzoek, dat zijn vader daarop instelde,

bleek het eene inscriptie te zijn van 6 regels, ten deele onleesbaar,

maar waarvan het leesbare gedeelte ongeveer luidt als volgt:

... de doorgraving. En deze was de geschiedenis der doorgraving. Toen

nog....

... den beitel van den een tegenover den ander. En toen men tot op 3

ellen elkaar genaderd was... toen riep de stem van den eenen

den anderen toe, want er was... (vermoedelijk) water in de rots en aan

den dag der doorboring sloegen de mineurs de een tegenover den ander

beitel op beitel en vloeiden

de wateren van het uitgangspunt in den vijver door een kanaal van 1200

ellen (533 meter) en

Reisindrukken in het Oosten · 第 19 / 44 题