„De courant komt morgenochtend uit en niets is meer in staat, het

onheil van de heeren Röttger en Kroyzer af te wenden.

„En laat ons nu gaan.”

Toen zij het restaurant verlieten, kwam juist de redactiejongen

ademloos aangerend.

„Zie je”, sprak Raffles, „ik heb mij niet vergist, de bengel heeft tot

ons geluk de correctie op tafel laten liggen en haast zich nu, zijn

verzuim weer goed te maken. Wij zullen hier wachten en even zien of

mijn veronderstelling juist is.”

Zij gingen voor een sigarenwinkel staan en keken schijnbaar vol

aandacht naar de uitstalling.

Een paar minuten later reeds kwam de jongen terug en Raffles zag, dat

hij het pakket in de hand hield, snel de straat overstak, op een tram

sprong en wegreed.

Intusschen zaten Mr. Röttger en Mr. Kroyzer in een klein restaurant in

de buurt, waar zij, nu zij eenigszins bekomen waren van de zweepslagen,

iets gebruikten.

Beide heeren waren reeds weer in opgewekte stemming.

Zij hadden bijzondere zorg aan hun toilet besteed en bespraken

nogmaals, wat zij tegen den inspecteur van politie zouden zeggen.

„Ik ben van meening”, sprak de kleine redacteur, „dat de Lord zijn

stiefmoeder werkelijk heeft vergiftigd. Dergelijke dingen komen immers

dagelijks voor.”

„Zeker”, knikte de mooie Guido, „en ik denk, dat gij, als gij een

stiefmoeder hadt, die zoo rijk was als die van Lord Melbourne, dat gij

dan hetzelfde zoudt doen.”

„Natuurlijk”, antwoordde de redacteur, „ik ken allerlei onschuldige

middelen, om dergelijke zaakjes op te knappen, zonder dat een dokter

iets kan constateeren.”

„Gij zijt eigenlijk een gevaarlijk mensch”, meende de sluwe Guido, „en

als gij mijn redacteur niet waart, zou ik niets met u te maken willen

hebben.”

„Zeg geen nonsens”, riep de ander uit, zijn chef als een giftige pad

aankijkend.

„Wanneer gij mij wilt beleedigen, dan hebt gij met een verkeerden te

doen.

„Wel neen,” weerde Kroyzer af, „met mijn redacteur en besten vriend wil

ik geen ruzie hebben!”

„Ik zou het u ook niet raden, bovendien —” de kleine redacteur blies

zijn chef den rook zijner slechte sigaar in de oogen, „ik weet precies

wie gij zijt, Mr. Kroyzer. Gij herinnert u wel, hoe gij een jaar

geleden het huis uwer ouders zijt ontvlucht en uit de schrijftafel van

uw vader het noodige geld meenaamt om naar Monte Carlo te kunnen gaan.

„Verder weet gij nog wel, dat de briljanten uwer moeder u flink wat

geld hebben opgebracht.

„En weet gij soms niet meer, dat gij bij iedereen hebt geleend, en wel

op schandelijk brutale manier? Daar hebben wij bijvoorbeeld een kellner

in een wijnkroeg, die nog heden om het verlies van een groote som

treurt, evenals een paar hotelhouders en andere personen, maar de lust

ontbreekt mij nu, om u nog aan meer te herinneren.

„Eigenlijk zijt gij dus de geschikte persoon wel om uw Londensche

medeburgers preeken te houden over moraliteit. Maar, het is waar, het

brengt u geld op — —”

Mr. Kroyzer riep met een hatelijken grijns op zijn gelaat den kellner

en betaalde de vertering.

Daarop sprak hij: „Ik geloof, dat het beter is om nu heen te gaan, gij

schijnt te veel gedronken te hebben!”

Bleek van ergernis keek hij zijn redacteur aan en zou hem, als hij de

gelegenheid had gehad, misschien hebben gewurgd.

Maar in machtelooze woede moest hij met zijn medeplichtige denzelfden

weg gaan.

ZESDE HOOFDSTUK.

DE VAL.

John Raffles had zich intusschen weer als detective Marholm naar zijn

kamer in de Oxfordstraat begeven.

Hij berekende—en terecht—dat de redacteur der Alarmkreet en diens

compagnon hem zouden opzoeken.

Hij behoefde niet lang te wachten.

De beide schurken hadden zich van het hoofdbureau van politie naar de

Oxfordstraat begeven, om den vermeenden Marholm den uitslag van hun

bezoek aan Lord Melbourne mede te deelen.

Vloekend kwam de redacteur de kamer binnen en bezwoer, dat hij in het

volgende nummer der Alarmkreet Lord Melbourne zou vernietigen.

Daarop vertelde hij Marholm van het vergeefsche bezoek bij inspecteur

Baxter en zei, dat hij hem nogmaals wilde opzoeken.

„Ik moet ook op het hoofdbureau van politie zijn”, sprak

Raffles-Marholm, „als gij het goedvindt, gaan wij samen.”

Hoewel de Groote Onbekende het vermeed, zijn bezoekers in de oogen te

kijken, viel het Mr. Röttger toch op, dat de oogen van den detective

veel geleken op die van Lord Melbourne.

Maar hij wierp die gedachte ver van zich.

Lord Lister verliet het tweetal in het hoofdbureau van politie, dicht

bij de kamer van Baxter en zei, dat hij over een kwartier ook binnen

zou komen.

Hij bleef staan, totdat zij de deur achter zich hadden gesloten.

Toen gleed een vroolijk lachje over zijn gelaat en hij dacht:

„Zoo, mijne heeren—de val is dicht—de ratten zitten er in— —”

— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —

— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —

Met groot leedvermaak keek Baxter naar de opgezwollen gezichten der

beide revolverjournalisten.

„Wat is er met u gebeurd, mijne heeren?” vroeg hij met een ironischen

klank in zijn stem.

„Wij moesten op onderzoek uit voor onze courant”, antwoordde Röttger,

„de een of andere deugniet durfde ons met zijn rijzweep af te ranselen.

Maar wij zullen ons op hem wreken. Wij waren reeds een uur geleden hier

om een aanklacht in te dienen. Helaas troffen wij u niet.”

„Wie is de betrokken persoon?”

„De jonge Lord Melbourne,” sprak de redacteur, „wij klagen hem aan

wegens moord!”

„Zoo, zoo—wegens moord?”

„Jawel, wegens moord!”

„De Lord wordt er van verdacht, zijn stiefmoeder vermoord te hebben!”

„Dat is laster!” riep de vloo uit.

„Waarmee bemoeit gij u?” beet de kleine redacteur hem toe.

Marholm nam hem op met een blik vol minachting en blies dikke

rookwolken uit. Daarop keerde hij Mr. Röttger den rug toe en schreef

verder.

„Ik herhaal mijn aanklacht”, sprak de redacteur, „en beschuldig Lord

Melbourne, wonende Regentpark 16, van moord op zijn stiefmoeder.”

Weer keerde Marholm zich om en riep:

„Ik verklaar nogmaals, dat het nonsens is!”

„Waarom?” vroeg inspecteur Baxter.

„Omdat iemand, die al acht jaar dood is, niet meer wegens moord kan

worden vervolgd.”

„Hij is niet dood!” riep de redacteur uit, „hij leeft.—Die beambte

verwisselt den zoon met den vader.”

Marholm lachte zachtjes.

„Verwissel gij zelf maar niets.”

„Wij waren twee uur geleden nog bij hem.—Hij leeft dus!”

„Het is maar de vraag, waar gij zijt geweest”, sprak de vloo.

„Bij Lord Melbourne, zooals ik u reeds zei.”

„En ik herhaal u, dat gij, als de doode Lord Melbourne u zoo heeft

afgeranseld, gij een geestverschijning hebt gehad, die elke spiritist u

zou benijden.”

„Ik zie wel”, sprak Mr. Röttger, „dat wij u niet anders kunnen

overtuigen dan door u te verzoeken, ons naar Lord Melbourne te

vergezellen.”

„All right”, sprak Baxter. „Wij zullen met eenige detectives dien heer

opzoeken.”

Op dit oogenblik sloeg de klok zes.

„Wij hadden afgesproken, u morgen weer te bezoeken”, herinnerde de

redacteur der Alarmkreet Baxter.

„Ja”, antwoordde deze, „maar wij kunnen de zaak nu evengoed afdoen.”

„Zeker”, bevestigde Röttger, terwijl hij een blik wierp in de richting

van Marholm, als om te beduiden, dat diens tegenwoordigheid hinderlijk

was.

Maar Baxter deed, alsof hij dit niet bemerkte en sprak:

„Wij kunnen kort zijn. Deel mij den inhoud van den brief mee en dan zal

ik u zeggen, wat ik denk te doen.”

„Ik heb u reeds gezegd, heer inspecteur, dat het mij onmogelijk is, uw

verzoek in te willigen.”

Nu stond Marholm op en sprak:

„Dan zal ik den inhoud van den brief voorlezen.”

Stom van verbazing keken de beide schurken den detective aan, toen deze

een schrijven uit zijn zak haalde en tot den politie-inspecteur sprak:

„De heeren schijnen te vergeten, dat wij detectives zijn. Ik kan u den

inhoud wel even mededeelen, chef!”

„Dat is onmogelijk!” riep Kroyzer uit.

„Praat toch geen nonsens!” riep de vloo. „Ik ben een leerling van

Sherlock Holmes. Kent gij dien heer? Ik zal u den brief voorlezen,

inspecteur. Het is een schrijven van Raffles aan u, dat onderschept

is.”

Met open mond en uitpuilende oogen staarden de beide journalisten den

detective aan.

„Dus, heeren, luister!

Mijn waarde Baxter!

Ik heb gisteren den ouden Simpson, den diamanthandelaar, van wien

gij mij mededeeldet, dat hij allerlei vuile zaken doet, opgezocht

en hem drieduizend pond sterling armer gemaakt.

Hierbij zend ik u een cheque van 1500 pond, de helft van den buit.

Hedenavond ben ik in het Piccadilly Restaurant onder de bekende

vermomming. Vraag den oberkellner naar Mr. Thonet.

Wij zullen een paar flesschen champagne op het welslagen drinken.

Met vriendelijke groeten

JOHN C. RAFFLES.

„Hoe komt gij aan dien brief?” schreeuwde Mr. Röttger.

„Dien kunt gij alleen gestolen hebben, of—”

„Houdt uw mond!” de man maakte bij die woorden een beweging, alsof hij

den redacteur een oorvijg wilde geven.

„Een mooie brief”, sprak Baxter, „daar heeft Raffles u op onbetaalbare

manier bij den neus genomen!”

„Daarvan geloof ik niets”, riep de redacteur uit, met zijn oude

brutaliteit.

„Wat? Bestaat er grooter onbeschaamdheid!” schreeuwde Baxter woedend,

„dan geloof te schenken aan een dergelijken brief—dan hierheen te komen

ten einde mij geld af te persen, voor welk feit gij een paar jaar

gevangenisstraf zult hebben”.

„Gij tracht u te redden, heer inspecteur,” sprak Mr. Kroyzer, „maar dat

geeft u niets.

„Wij hebben den brief gekregen van iemand uit uw naaste omgeving. De

betrokken persoon is bereid om mondeling alles wat hier staat onder eed

te herhalen”.

„Dien beambte zou ik weleens willen leeren kennen”, riep Marholm uit.

„Hoe heet hij?”

„Dat blijft ons geheim tot aan het proces”, antwoordde mr. Röttger,

„wanneer mijnheer de inspecteur het tenminste tot een proces wil laten

komen”.

„Daartoe laat ik het komen”, antwoordde Baxter met koele

onverschilligheid en, zich tot den detective wendend, sprak hij:

„Roep eenige beambten binnen, Marholm!”

Een aardbeving, een dynamietbom had geen grooter uitwerking kunnen

hebben, dan het uitspreken van dezen naam.

Vol ontzetting staarden de beide bedriegers den inspecteur aan.

Marholm was al bij de deur, toen de redacteur stamelde:

„Heet—heet—heet die beambte daar—Mar—holm?”

„Om u te dienen”, antwoordde de vloo, „zoo heet ik”.

„Onmogelijk!” krijschte de redacteur, „wij hebben u zelf bij Mr.

Marholm ontmoet”.

„Dat klopt”, antwoordde de vloo, „maar dat was Mr. Marholm niet. Ik heb

geen enkelen naamgenoot in Londen”.

„Maar gij moest hem toch kennen. Hij beweerde, dat hij beambte van

Scotland Yard was”.

„Dan heeft hij u iets wijsgemaakt.”

„Dat kan niet,” riep Mr. Röttger uit, „hij heeft ons tot aan de deur

van dit vertrek gebracht”.

„Juist iets voor hem! Ik denk dat hij graag wilde zien, of gij veilig

hier binnen kwaamt!”

Marholm stopte zijn pijp en de inspecteur sprak nu op barschen toon:

„Wij zullen nu een eind maken aan de comedie. Roep eenige beambten,

Marholm. Ik verklaar deze twee als mijn gevangenen.”

De beide journalisten gingen ontsteld een stap achteruit.

Maar op hetzelfde oogenblik had Marholm eenige detectives binnen

geroepen en deze posteerden zich aan weerszijden van de gevangenen.

„Laat nu onze auto voorkomen!” beval Baxter. „Wij gaan met de heeren

samen even naar den moedermoordenaar Lord Melbourne.”

Ontdaan en bleek werden de beide afpersers onder voldoende

politiegeleide en vergezeld door Baxter en Marholm naar de politie-auto

gebracht.

Na een korten rit hadden zij no. 16 Regentpark bereikt.

Stil en eenzaam, met gesloten vensterluiken, lag het huis vóór hen.

„Dit huis kennen wij,” sprak Marholm tot Baxter, toen zij den kleinen

voortuin doorliepen. Hij sprak zoo luid, dat de gevangenen elk woord

konden verstaan.

„Zeker,” antwoordde de inspecteur, „als ik mij niet vergis, is dit de

vroegere woning van Raffles!”

Hoewel zij belden en klopten, werd de huisdeur niet geopend, want

niemand was in het huis aanwezig.

Baxter liet de deur door een smid opensteken en zij traden binnen.

„Is dit het huis,” vroeg Baxter den redacteur, „waar Lord Melbourne u

ontving?”

„Ja,” luidde het antwoord, „dit is het huis van Lord Melbourne. Gaat

mee naar boven, naar de studeerkamer, dan zal ik u bewijzen, dat de

lord hier woont.”

Zij traden de studeerkamer binnen. Het eerste, wat Baxter zag, was een

rijzweep, die in het midden van de kamer aan de gaskroon was

opgehangen.

Hieraan was een groot stuk papier bevestigd. Marholm nam het eraf en

las:

„Aan inspecteur Baxter, Scotland Yard.

„Als gij hier mocht komen om naar Lord Melbourne te zoeken, dan

deel ik u mede, dat ik zelf voor Lord Melbourne speelde.

„Ik deed dit om twee bedriegers van de ergste soort een flink pak

slaag te geven.

„Daar ik heb vernomen, dat ook gij reden hebt om de kerels eens af

te straffen, hang ik voor dat doel de rijzweep hier op.

„Zeg verder tegen de schurken, dat zij zich voortaan moeten wachten

om met Raffles te beginnen. Voor een volgenden keer beloof ik hun

nog een betere afstraffing.

„Groet Mr. Marholm, onder wiens naam ik de schelmen op glad ijs

bracht.

Met de meeste hoogachting,

JOHN C. RAFFLES”

Mr. Röttger boorde zich de lange, spitse nagels in het vleesch, hij had

zichzelf wel kunnen slaan voor zijn domheid.

„Voorwaarts!” riep Baxter tot zijn beambten, „brengt de gevangenen

terug!”

Toen de detectives het vertrek hadden verlaten, sprak Baxter tot vloo,

terwijl hij hem vertrouwelijk op den schouder klopte.

„Dat hebt gij best gedaan, Marholm. Ik moet mijzelf gelukwenschen, dat

ik Raffles nog niet gevangen heb, want anders hadden die beide jongens

mij uitgezogen.

„Ik zal er voortaan zorg voor dragen, dat Raffles mij niet in handen

valt.”

„Om Gods wil,” sprak Marholm, „doe dat niet, want dan krijgt gij hem

stellig!”

„De Alarmkreet” verscheen den volgenden dag met de gewijzigde artikels,

tot groot vermaak van geheel Londen, welks bewoners reeds uit de

couranten hadden gelezen van het laatste sensatie-nieuws.

Het was het laatste nummer geweest van „De Alarmkreet”.

Lord Lister No. 0033: De Alarmkreet · 第 4 / 4 段