„De leeftijd heeft er ook niets mee te maken. De hoofdzaak zijn de

onthullingen omtrent den geheimzinnigen dood”.

„Dat is mogelijk”, stemde Raffles toe, „maar omdat deze onthullingen op

even onvoldoende informaties berusten als die omtrent den leeftijd der

Lady, ziet het er slecht mee uit”.

„Maak u niet ongerust,” mengde zich Mr. Kroyzer in het gesprek, „mijn

redacteur heeft niet naar den leeftijd geïnformeerd. Maar omtrent den

dood van uw stiefmoeder weet hij alles.”

„Dat vind ik interessant”, riep de Lord uit, „wanneer is de Lady dan

gestorven?”

„Dat weet gij evengoed als ik”, antwoordde Mr. Röttger, terwijl hij het

inderdaad niet wist.

„Oho”, lachte Raffles, „gij vergist u. Mij is de datum van het

overlijden van mijn stiefmoeder tot op heden nog niet bekend”.

Nu richtte de kleine redacteur zich in zijn volle lengte op, wierp den

Lord een verachtelijken blik toe en sprak:

„Ik ben niet hier gekomen, om met u verstoppertje te spelen, gij weet

evengoed, als ik, wat ik bedoel.”

Raffles haalde de schouders op.

„Ik weet inderdaad niet, wat gij wenscht”.

„Sir”, antwoordde Röttger nu op bruusken toon, „er is slechts één

artikel in de Alarmkreet noodig, om u in een smadelijk proces te

wikkelen”.

„Daaraan twijfel ik geen oogenblik”, sprak de Lord op kalmen toon, „het

is alleen de vraag, voor wien het proces smadelijk zou zijn, voor u of

voor mij”.

„Alleen voor u!”

Nauwelijks was dit woord gesproken, of de Lord sprong plotseling van

zijn stoel op en mat den redacteur met een doordringenden blik.

„Als gij er de persoon naar waart, zoudt gij mij op een andere plaats

rekenschap van uw woorden moeten geven!”

„Ik zal u rekenschap geven”, siste Röttger, „maar met mijn wapenen: met

pen en inkt. En nu wil ik u nog iets zeggen, Lord Melbourne:

„Er zijn sterke bewijzen voorhanden, dat gij de schuld draagt van den

dood uwer stiefmoeder. Ja, dat gij zelfs haar dood opzettelijk hebt

veroorzaakt.”

Raffles kruiste de armen.

„En al ware dat het geval, wat gaat het u dan nog aan? Zijt gij rechter

of inspecteur van politie?”

„Dat niet, maar ik ben de redacteur, der Alarmkreet en als zoodanig

maak ik dergelijke dingen, als zij mij ter oore komen, bekend en deel

ze aan de autoriteiten mee”.

„Dat wil zeggen”, sprak Raffles, „dat gij u eerst riemen snijdt uit de

huid van uw slachtoffers, om daarna de ongelukkigen achter slot en

grendel te helpen”.

„Gij kunt beide dingen vermijden”, viel nu Mr. Kroyzer in, „er zal een

artikel gepubliceerd worden, noch een aanklacht jegens u worden gedaan,

als gij het met ons eens wordt”.

„Ja, als gij het met ons eens wordt”, voegde Mr. Röttger er aan toe.

Raffles deed, alsof hij niet dadelijk de beteekenis dier woorden

begreep.

„Hoe meent gij dat, heeren?” vroeg hij.

De journalist naderde hem vertrouwelijk, legde de hand op zijn schouder

en sprak:

„Laat ons verstandig zijn, Lord, het zal u niet moeilijk vallen, een

overeenkomst met ons te sluiten. Voor iemand van uw vermogen zullen een

paar duizend pond geen groote rol spelen.”

Nauwelijks had de groote onbekende deze woorden gehoord, of hij floot

zoo luid en doordringend, dat de redacteur verschrikt achteruit sprong.

„Denkt gij, dat ik uw zwijgen zal koopen?”

„Gij gebruikt daar een leelijke uitdrukking,” sprak Mr. Kroyzer, „gij

hebt niet noodig, ons stilzwijgen te koopen, maar wij willen goede

zaken met elkaar doen.”

„Goede zaken?” vroeg Raffles. „Voor u ongetwijfeld. Want als ik u goed

versta, dan betaal ik u eenige duizenden pond sterling, stop u de

zakken vol geld en krijg daarvoor niets terug.”

„Natuurlijk, Lord Melbourne, want wij bewaren een onherroepelijk

stilzwijgen omtrent alles wat wij hebben vernomen.”

„Maar wat hebt gij dan toch eigenlijk vernomen, mijne heeren? Gij zijt

nu reeds een uur lang bij mij en spreekt nog geheel in raadselen.”

„Zullen wij ons duidelijker verklaren?” vroeg Mr. Kroyzer.

„Ja”, antwoordde Raffles, „dan zal ik ook duidelijker spreken.”

Met een snellen blik keek hij plotseling naar de rijzweep, die op den

schoorsteenmantel lag.

Noch Mr. Röttger, noch Mr. Kroyzer begrepen dien blik.

„Goed”, sprak de kleine, redacteur, „wij hebben van een volkomen

betrouwbaar persoon de bewijzen gekregen, dat gij den dood van uw

stiefmoeder op uw geweten hebt.”

„Is dat alles?” vroeg Raffles op volkomen onverschilligen toon, zoodat

zoowel de kleine redacteur als de eigenaar der Alarmkreet stom van

verbazing waren.

„Ik denk, dat dat meer dan voldoende is”, antwoordde Mr. Röttger na

eenige oogenblikken, „begrijp wel, het betreft hier een aanklacht

wegens moord.”

„Gij beweert dus”, sprak Raffles, „dat ik mijn stiefmoeder heb

vermoord.”

„Ik beweer het niet alleen, maar ik wil het ook bewijzen!”

Een oogenblik keek de groote onbekende zijn tegenstander met ijskouden

blik aan, daarop deed hij, alsof hij overlegde, wat hij wel te

antwoorden had.

„Laat ons eens aannemen, mijne heeren,” sprak hij, „dat datgene, wat

gij beweert, een feit was en ik mijn stiefmoeder had vermoord, om in

het bezit te komen van het vermogen van mijn vader.

„Op welke wijze zoudt gij er mij voor instaan, dat gij u in de zaak,

die gij met mij denkt te behandelen, als eerlijke menschen zult

gedragen?”

„Mijn betrekking als redacteur der Alarmkreet verplicht mij tot eerlijk

handelen.”

„Pardon”, antwoordde Raffles, „ik begrijp uw woorden niet.”

„Ik bedoel”, antwoordde Mr. Röttger, „dat ik als redacteur der

Alarmkreet wel verplicht ben, mij als een eerlijk mensch te gedragen.”

„Mooi!” sprak Lord Lister, „hoeveel verlangt gij daarvoor?”

„Zeggen wij voorloopig tienduizend pond sterling.”

„Een net zaakje”, lachte de groote onbekende. „Gij zeidet immers

zooeven, dat gij als redacteur der Alarmkreet tot eerlijk handelen

verplicht waart. Ik herhaal: tot eerlijk handelen.

„Weet gij, heer redacteur, ik heb strengere opvattingen omtrent

eerlijkheid dan gij.

„Gij schijnt uw eerlijkheid ergens in de modder te hebben laten liggen.

„Eerlijk zoudt gij zijn, als gij dat, wat gij beweert omtrent mijn

persoon vernomen te hebben, aan de justitie meedeeldet, in plaats van

uw zwijgen aan mij te willen verkoopen voor tienduizend pond sterling.”

„Genoeg!” schreeuwde nu de kleine redacteur, de vuisten ballend, „ik ga

van hier naar den inspecteur van politie Baxter. Gij zult ondervinden,

welke gevolgen deze zaak voor u heeft.”

„Stellig!” lachte Raffles, „en opdat gij den weg niet tevergeefs af

zult leggen, zal ik u iets meegeven, dat gij den inspecteur als bewijs

kunt toonen. Let eens op!”

Voordat Mr. Röttger of Mr. Kroyzer iets vermoeden of een poging konden

doen om te vluchten, had Raffles de rijzweep van den schoorsteen

genomen en als hagelsteenen vielen in het volgende oogenblik de slagen

op den redacteur en den eigenaar der Alarmkreet neer.

(Zie het titelblad.)

De klappen volgden elkaar zoo snel op en werden op zoo elegante manier

uitgedeeld, dat de beide schurken zich niet konden verdedigen.

Schreeuwend en vloekend holden zij de kamer uit, stieten Charly Brand,

die op den drempel was verschenen, omver en snelden de straat langs als

twee achtervolgde beesten.

Zij liepen door totdat zij voor de deur van het hoofdbureau van politie

stonden, want zij meenden nog steeds, dat Lord Melbourne hen met de

rijzweep op de hielen zat.

Toen zij ademloos door het snelle loopen de kamer van inspecteur Baxter

waren binnengekomen, troffen zij dezen niet, doch in zijn plaats

detective Marholm, die hen met onvriendelijke blikken ontving.

„Wat wenscht gij?” snauwde hij, „de inspecteur is niet hier.”

„Er is ons iets vreeselijks overkomen”, hijgde de redacteur.

„Iets ontzettends!” voegde de eigenaar van het schimpblad er aan toe.

„Wat dan?” vroeg Marholm, en op hetzelfde oogenblik ontdekte hij op

beider gelaat de dik opgeloopen striemen van de rijzweep.

„Ah zoo!” sprak hij, „hebt gij slaag gehad?”

„Ja!” riepen beiden tegelijk uit.

„Nu,” lachte de vloo, „zoo iets moet gij gewend zijn. Gij zijt, als ik

mij goed herinner, immers de redacteur der Alarmkreet?”

„Ja,” zuchtte de kleine Röttger, terwijl hij den zakdoek voor het

gelaat hield, „dat ben ik. Maar ik begrijp niet hoe gij ertoe komt om

te zeggen, dat ik aan een pak slaag gewend moet zijn.”

„Kom”, sprak Marholm lachend, „gij kent immers het woord uit den

Bijbel:

„Wie het zwaard opneemt, zal door het zwaard omkomen!”

Daarvoor kan men evengoed zeggen:

„Wie klappen uitdeelt, zal klappen terugkrijgen!”

„Wij zijn hier niet om bijbelteksten met u te behandelen”, antwoordde

Mr. Röttger met woedenden blik.

„Wat wilt gij dan?” vroeg de vloo op kalmen toon.

„Een aanklacht wegens moord indienen tegen Lord Melbourne.”

„Jegens wien?” vroeg Marholm. „Tegen Lord Melbourne? Dat is jammer.

Waar woont de Lord?”

„Regentpark 16.”

„Regentpark 16? Voor zoover ik mij herinner, is Lord Melbourne reeds

acht jaar dood. Hoe kan hij dus in het Regentpark No. 16 wonen?”

„En toch is het zoo”, sprak de kleine redacteur. „Gij verwisselt zeker

den zoon met den vader. Onze aanklacht is gericht tegen den zoon. Roep

dadelijk eenige detectives bijeen en spoed u naar den Lord, voordat hij

de vlucht heeft kunnen nemen.”

„Zoo snel gaat dat niet”, sprak Marholm, „eerst moet ik een protocol

opmaken van uw beschuldiging, en dat is niet zoo gemakkelijk.

„Het gaat bij ons alles volgens voorschrift. Daar buiten om gebeurt er

niets.

„Daarop zullen wij Lord Melbourne uitnoodigen om hier te komen en hem

een verhoor afnemen.

„Daarmee gaat minstens een week heen. Zoolang moet gij geduld hebben.”

„Dat is ongeloofelijk”, sprak de redacteur, „op die manier heeft elke

moordenaar de tijd om te ontvluchten.”

„Zeker”, antwoordde Marholm op doodkalmen toon, „wij houden ons bij

voorkeur bezig met voortvluchtige moordenaars.

„Het aangenaamst zijn ons zelfs de onbekende moordenaars.

„Dergelijke gevallen behandelen wij zeer eenvoudig. Wij loven een

belooning uit en laten het publiek naar hem zoeken. Wordt hij dan niet

gevonden, dan dragen wij de schuld niet alleen, maar het publiek met

ons.”

„Wilt gij ons voor den gek houden?” vroeg Mr. Kroyzer.

Nu stond Marholm op en riep uit:

„Houd uw domme aanmerkingen voor u, want als iemand voor den gek wordt

gehouden, dan zijn wij het, maar niet het publiek.

„Ik hoop, dat gij mij begrepen hebt.

„En als gij nu een aanklacht wilt indienen, ga dan naar huis, neem een

vel van het daartoe gebruikelijke formaat papier, vouw het in het

midden langs de lengte in tweeën en schrijf op de rechterhelft met

openlating van een blanco rand ter breedte van twee vingers.

„Indien gij u niet aan dit voorschrift houdt, kunnen wij de aanklacht

niet accepteeren. Zij gaat dan onherroepelijk in de papiermand.

„En gaat nu heen, want ik heb te werken.”

Hij draaide het tweetal den rug toe en ging met zijn schrijfwerk door.

Toen zij nog niet heengingen, draaide hij zich nog eens om en vroeg:

„Wat verlangt gij nog meer?”

„Wij zouden gaarne weten”, antwoordde Mr. Röttger, „wanneer inspecteur

Baxter te spreken is.”

„Over een uur”, antwoordde Marholm en hij voegde er aan toe:

„Als ik u een goeden raad mag geven, leg dan thuis ijscompressen op uw

gezicht, want iedereen ziet al op een afstand aan u, dat gij een flink

pak rammel hebt opgeloopen.”

„Wij zullen tijdig terug zijn”, sprak de redacteur, en met zijn

medeplichtige verliet hij het bureau.

Marholm echter sloeg zich van pret op de knieën en riep:

„Drommels, dat is de mooiste streek, dien ik ooit van Raffles heb

gehoord. Elke klap schijnt een van de beste soort te zijn geweest.”

Hij had misschien een half uur geschreven, toen Baxter als een

brieschende leeuw het bureau binnen stormde.

Hij wierp zijn dienstpet op de schrijftafel, zoodat een inktkoker

omviel en de inhoud als een zwarte stroom over de tafel en den

witgeschuurden vloer liep.

Daarop ging hij voor Marholm staan, en schreeuwde met gebalde vuisten:

„Ik sla je dood, Marholm, ik sla je dood!”

Hij zag er werkelijk uit, alsof hij van plan was zijn vuisten op het

hoofd van den secretaris te doen neerdalen.

Maar Marholm kende zijn chef.

Onbevreesd keek hij den inspecteur aan en sprak:

„Waarom wilt gij mij doodslaan?”

Baxter’s oogen rolden in hun kassen.

„Gij hebt mij geblameerd—gij hebt mij voor altijd onmogelijk gemaakt!”

Marholm glimlachte.

„Is dat mogelijk, inspecteur?”

„Ja, dat is mogelijk!” raasde Baxter.

„Gij weet, dat ik hedenmorgen een brief kreeg van den president van de

rechtbank met de opdracht, hem om drie uur in den middag te bezoeken.

„Kunt gij denken, wat er nu gebeurd is?”

„Een grap geweest?”

„Een grap?—Een uitbrander heb ik gehad als nog nooit in mijn leven! Een

eindeloozen uitbrander! Hij noemde mij niet alleen een ezel, maar

verklaarde mij voor den grootsten idioot, die er ooit op de wereld

heeft rondgeloopen”.

„Laat u dat zwart op wit geven, dan kunt gij een flinke som verdienen

in onze variété’s en in het Panopticum. Den grootsten idioot zal

iedereen willen zien”.

De inspecteur greep Marholm bij de keel, alsof hij hem wilde wurgen.

„Zwijg, Marholm, of ik ransel u af! Jij bent de grootste idioot!”

„Het is mogelijk”, antwoordde Marholm, „anders was ik misschien uw

secretaris niet!”

„Ja, gij!” riep Baxter uit, „want om uwentwege kreeg ik den

uitbrander—door uw schuld ben ik voor den grootsten idioot uitgemaakt”.

„Ik ben zeer nieuwsgierig!”

„De duivel moge je halen met je nieuwsgierigheid. De zaak is eenvoudig

genoeg. Belachelijk eenvoudig, gij stommerik!

„Ik zei je gisteren, dat het voorschrift was, een rand open te laten

ter breedte van twee vingers”.

„Klopt!” antwoordde Marholm, „was de rand niet zoo breed?”

„Ja, de rand was zoo breed, maar geen enkel woord, dat dichtbij den

rand staat, is te lezen. Gij hebt eenvoudig, inplaats van verder te

schrijven op den volgenden regel, de letters weggelaten en daardoor

onbegrijpelijke rapporten geschreven. Geen mensch kan er uit wijs

worden, noch de rechters, noch de president!”

„Daaraan twijfel ik geen oogenblik”, sprak Marholm, terwijl hij zijn

tabakspijp ging stoppen.

„Als gij de rapporten hadt gelezen, zoudt gij het weglaten der letters

hebben opgemerkt.

„Het was onmogelijk, de woorden af te breken, daar ik steeds een paar

letters over had in de laatste lettergreep, die ik niet op den rand

mocht schrijven, welke tot elken prijs twee vingers breed moest zijn.

„Om mij aan het voorschrift te houden en allen eerbied te toonen jegens

de wetten, liet ik de letters eenvoudig weg”.

Hij nam een lucifer en stak zijn pijp aan.

„Het had niet veel gescheeld”, vervolgde Baxter, „of gij hadt mij den

nek gebroken. Ik had bijna mijn ontslag gekregen”.

„Dat zou meer jammer zijn geweest voor John Raffles dan voor u!”

Het woord Raffles oefende dezen keer een kalmeerende werking uit op

Baxter.

Zijn opgewonden gelaat werd kalmer, zijn toornige stem nam een

vriendelijker klank aan en hij vroeg:

„Hebt gij met Raffles gesproken?”

„Ja,” antwoordde Marholm lachend, „en gij zult het resultaat van mijn

bezoek binnen een uur in duidelijk leesbaar schrift voor u zien! Ik

wed, dat er geen letter is weggelaten”.

„Zal Raffles mij schrijven?” vroeg Baxter, die deze woorden niet

begreep.

„Hij heeft u reeds geschreven”, sprak Marholm, „heb maar geduld”.

VIJFDE HOOFDSTUK.

EEN BEZOEK AAN DE ALARMKREET.

De redactiejongen had juist, om vijf uur, het bureau verlaten. Hij stak

juist een zijner cents-sigaretten aan, toen hij op de trap Raffles

ontmoette, die, nadat hij met de beide afpersers een samenkomst,

vermomd als Lord Melbourne, had gehad, nu een bezoek kwam brengen op de

redactie der Alarmkreet, om in het bezit te komen van bewijzen tegen

den redacteur en den bezitter van de courant.

Nauwelijks was de jongen Raffles gepasseerd, of de groote onbekende

snelde geruischloos als een kat de trappen op en bevond zich in een

paar seconden voor den ingang van de redactie.

De deur gaf hem weinig moeite, het was een ouderwetsche, in Engelsche

woningen gebruikelijke houten deur, die bijna met elken sleutel te

openen was.

Deze geringe veiligheidsmaatregel verbaasde Raffles eerst. Hij meende

na eenig nadenken, dat de eigenaren van dit kantoorlokaal misschien

niets te verbergen hadden. Maar toch wilde hij zich overtuigen, of niet

het een of ander geheim, vooral wat betrof het geval Spancer, in de

schrijftafel van den redacteur te vinden zou zijn.

Daar de luiken gesloten waren, was het er volkomen donker.

Hij stak daarom een lamp aan, die op tafel stond en zag in den hoek een

cylinderbureau, dat hij met geringe moeite opende.

Hij opende alle kastjes en laden, maar vond niet het minste, dat hem

van dienst had kunnen zijn.

„Het is precies zooals ik dacht”, sprak hij tot zichzelf, „de schurken

weten heel goed, dat het voor hen het veiligste is om geen enkelen

brief of geschreven stuk te bewaren”.

Hij sloot het meubel weer en wilde zich naar huis terug begeven, toen

hij op de tafel middenin het vertrek een pakket zag liggen, dat met een

touw was dichtgebonden.

Met groote letters stond, in blauw potlood op den omslag van het pakket

geschreven:

„Laatste correctie”.

Een oogenblik keek Raffles nadenkend naar het pakket, dat ter

verzending gereed lag en dat de jongen waarschijnlijk vergeten had,

daar het nog dien avond ter perse moest, omdat de courant den volgenden

morgen zou verschijnen.

Plotseling vloog het bekende lachje over Raffles’ gelaat.

„Ja”, fluisterde hij, „als ik hierin vind, wat mij nu toevallig

bezighoudt, zou het een kolossale grap geven!

„Juist, morgenochtend verschijnt het wekelijksche nummer der Alarmkreet

en dit is de laatste correctie voor de drukkers.

„Prachtig!”

Hij maakte voorzichtig het pakket open en haalde de gedrukte

correctievellen der gereedgemaakte courant te voorschijn.

Artikel na artikel las hij met de grootste belangstelling en hij

amuseerde zich al lezende, hoe langer hoe meer.

Daarna nam hij aan de schrijftafel plaats, opende den inktkoker en nam

de pen, waarmee een paar uur geleden de redacteur der Alarmkreet de

correctie had aangebracht.

Raffles doopte de pen in den inkt, stak een sigaret aan en lachte

zachtjes.

„Nu zal ik de Alarmkreet eens redigeeren. Londen zal verbaasd zijn, wat

voor een geestig blad de Alarmkreet is. Mr. Röttger kan niets hebben in

te brengen tegen de veranderingen, die ik aanbreng, omdat hij het niet

meer zal kunnen.

„Ik ontvang hem over een paar uur bij mij en zal ervoor zorgen, dat hij

zich niet meer in verbinding kan stellen met zijn drukkerij”.

Raffles rookte zijn sigaret op, stak een nieuwe aan, en las het eerste

artikel:

Nieuws omtrent John Raffles, den Grooten Onbekende.

„Wij hadden verwacht, dat de door ons als gewetenloos avonturier en

misdadiger beschreven Londensche bedrieger zich zou verdedigen

tegen onze beschuldigingen en ons een bericht toezenden, zooals hij

dat gewend is te doen.

„Maar die man is niet alleen een avonturier en misdadiger van de

gemeenste soort, maar hij is ook lafhartig.

„Het wordt meer dan tijd, dat de Londensche pers zich niet meer met

dien kerel bezighoudt, maar hem eenvoudig doodzwijgt, opdat de

lauwerkrans, dien men hem ten onrechte omhangt, eindelijk door iets

anders kan worden vervangen.”

„Heel aardig,” lachte Raffles, „dat artikel zal ik corrigeeren.”

Hij nam de pen op en schreef:

„John Raffles, dien wij in het laatste nummer van ons blad

uitschilderden als een gewetenloos avonturier en misdadiger, heeft

ons bewezen, dat hij werkelijk den lauwerkrans, dien de Londensche

pers hem omhangt, vol bewondering als zij is voor zijn daden, ten

volle verdient.

„John Raffles heeft ons niet alleen door woorden overtuigd, maar

zelfs door een onomstootelijk bewijs.

„Wij bevelen John Raffles aan bij alle bewoners van Londen, die

door gewetenlooze schurken worden uitgezogen, gedreigd of misleid.

Tot deze laatste soort behoort ook de Alarmkreet.

„Wij moeten dit ter kennis brengen van alle lezers onzer courant en

hen dringend aanraden zich bij voorkomende gelegenheden tot John

Raffles te wenden.”

„Ziezoo,” sprak Raffles, „dat is de eerste correctie, nu volgt de

tweede in de zaak-Spancer.”

Hij las:

De poging tot zelfmoord door de jonge bontwerkster, die, zooals wij

onzen lezers hebben medegedeeld, het slachtoffer is geworden van

den zoon van den bekenden pelshandelaar Spancer, is tot heden niet

opgehelderd.

„Wij veronderstellen nog steeds, dat het jonge meisje door den

jongen Spancer tot zelfmoord is gebracht.

„Het is meer dan tijd, dat de politie zich met deze zaak

bezighoudt.”

„Aha,” sprak Raffles, „daar zullen wij iets aan toevoegen.”

En hij schreef verder:

„Wij zouden gaarne bereid zijn geweest, over deze zaak het

stilzwijgen te bewaren, indien de vader van den jongen Spancer de

door ons verlangde 5000 pond sterling had betaald, maar die man is,

helaas, zoo ongenaakbaar, dat hij er niet aan wil denken, de dupe

te worden van onze afpersing. Het jonge meisje wordt door hem, naar

wij vernomen hebben, op milde wijze ondersteund en heeft van hem

een kleine zaak in pelswaren gekregen in de Victoriastraat.”

„Zie zoo,” mompelde Raffles, „nu is ook dit artikel gecorrigeerd.”

Nu nam de groote onbekende een blanco stuk papier en begon daarop een

geheel nieuw artikel te schrijven.

Het luidde:

Oplichterij op groote schaal!

„Naar wij zooeven uit goede bron hebben vernomen, heeft zich onder

den naam „De Alarmkreet” een courant in Londen gevestigd, die,

evenals de Apachen in Parijs, de schrik is geworden van de

fatsoenlijke Engelsche burgerij.

„De courant houdt zich ermee bezig, om uit kleine gebeurtenissen of

ongelukkige omstandigheden, waardoor solide menschen worden

getroffen, sensatie-artikelen in elkaar te flansen, doordat zij

namelijk van een mug een olifant maakt.

„Wij weten zeer stellig, dat deze courant niets anders is dan een

gemeene bedriegerij; zij is, evenals de Amerikaansche „Arizona

Kicker”, ten allen tijde bereid om tegen betaling van een zeker

bedrag afstand te doen van het laten drukken dier

sensatieberichten.

„Het is niets anders dan een zoogenaamde „revolverpers”, die zich

niet ontziet de eer en het vermogen der staatsburgers aan te

randen.

„Het zou hoog noodig zijn, dat de inspecteur van politie Baxter

zich ernstig bezig hield met den redacteur en den eigenaar van dit

weekblad, om Engelsche burgers tegen dergelijke gevaarlijke

schurken te beschermen.

„Naar alle waarschijnlijkheid zal het echter bovengenoemden

inspecteur niet gelukken, deze menschen onschadelijk te maken.

„Wij vernemen gelukkig, dat om die reden John Raffles zich deze

zaak heeft aangetrokken en nu van plan is, den eigenaar en den

redacteur van „De Alarmkreet” een welverdiende straf te doen

toekomen.

„Het verdere verloop dezer zaak zullen de lezers van dit blad

morgen in de Londensche couranten kunnen vinden.

„P. S. Wij verzoeken den verslaggevers van alle Engelsche

couranten, zich hedenavond om 9 uur, voor het vernemen der laatste

gebeurtenissen, te vervoegen bij den heer inspecteur van politie.”

„Klaar!” sprak Raffles, „nu zal de courant eindelijk eens een

fatsoenlijk bericht bevatten. De Alarmkreet zal morgenochtend voor den

laatsten keer verschijnen; ik heb deze giftplant der Engelsche pers met

wortel en al uitgeroeid.”

Hij stond op en sloot het pakket weer in hetzelfde papier, zoodat er

niet aan te zien was, dat het geopend was geweest.

Daarop ontdeed hij met zijn zakdoek de schrijftafel van de

sigarettenasch, die hij erop had laten vallen, sloot het meubel,

draaide het licht uit en verliet het redactielokaal.

In de aangrenzende restauratie wachtte Charly Brand op hem.

„Zoo”, sprak deze, „ben je klaar? Het heeft vrij lang geduurd.”

„Ja”, antwoordde Raffles, „ik had ook tamelijk veel te doen, ik heb

voor hoofdredacteur der Alarmkreet gefungeerd en de courant

geredigeerd. Ik verzeker je, dat Londen zich morgenochtend amuseeren

zal!”

„Hoe?” lachte Charly Brand, „ben je in de journalistiek gegaan, hoe heb

je dat klaargespeeld?”

„Heel eenvoudig”, vertelde Raffles, „het is mij reeds herhaaldelijk zoo

gegaan in mijn leven, de hemel heeft mij altijd noodig om schurken hun

welverdiende straf te doen toekomen.

„Het toeval, of laten wij het het noodlot noemen, maakte, dat de

correctie van de courant gereed op tafel lag en de jongen had vergeten

het pakket mee te nemen.

Lord Lister No. 0033: De Alarmkreet · 第 3 / 4 段