ELFDE HOOFDSTUK.

Waarin de veldwachter z’n sabel onzichtbaar wordt en Bumpkins z’n

fiets ziet wegracen zonder dat er iemand opzit.

Piet had de verdwijn-machine in het kippenschuurtje laten staan. Hij

had Koen ervan overtuigd dat daar de beste plaats voor het ding was,

omdat er nooit iemand anders dan hijzelf in dat schuurtje kwam. Koen

was er mee tevreden geweest en nu wachtte hij maar of z’n vader geen

brief of telegram uit Amerika kreeg. Zoodra dat gebeurde, dat had hij

zich nu vast voorgenomen, dan zou hij z’n vader alles wel vertellen.

Piet had op zijn beurt dat weer goedgevonden.

M’nheer Bruggemans speurde al wat ie kon, nog harder dan de

dorpsveldwachter en de koddebeier en de twee rijksveldwachters. Hij

meende dat de machine weer in handen was van de oorspronkelijke dief.

En hij had er wat voor willen geven als hij die had kunnen ontdekken.

Hij had met de veldwachters samen willen werken maar die waren niet van

hem gediend. De veldwachters beweerden dat zoo’n stadsch m’nheertje

geen verstand had van dieven vangen.

Nu, juist op de dag dat Bumpkins en Spigoletti naar de Veluwe spoorden

om Jim Pimpelmees te overrompelen, die volgens hen zeker en vast wel

wat zou gaan probeeren met de machine die hij onlangs gestolen had, was

er op de boerderij juist weer ’n opzienbarende verdwijning geschied. De

dorpsveldwachter was thuisgekomen van de boerderij waar hij ’s nachts

met ’n rijksveldwachter gesurveilleerd had en had als gewoonlijk z’n

sabel in ’n hoek van de kamer aan ’n spijker opgehangen. Daarna had hij

gegeten en was gaan slapen omdat ’n mensch zonder behoorlijk voedsel en

zonder behoorlijke nachtrust niet in ’t leven blijven kan. Toen was z’n

vrouw gekomen en had de sabel van de wand genomen en was er mee naar de

keuken gegaan om zooals ze iedere Vrijdag met dat wapen deed, het ding

tegelijk met het andere koper- tin- blik- en ijzerwerk glimmend te

poetsen. Het gevest van de sabel werd met poetspommade behandeld

evenals de koperen plaat van de koppel en het puntstuk van de scheede.

Daarna was ze gewoon de sabel uit de schee te trekken, altijd ’n beetje

voorzichtig ofschoon het wapen niet scherp geslepen was en dan werd het

blanke staal met vaseline ingesmeerd, want volgens de veldwachter die

in z’n jeugd soldaat geweest was, moest je je wapens altijd goed onder

’t vet houden, anders roestten ze maar.

De vrouw trok de sabel naar gewoonte uit de schee en was daar al ’n

heel eind mee gevorderd toen ze bespeurde dat er achter het gevest

niets, niemendal uit de scheede te voorschijn kwam. Eerst keek ze

zonder te begrijpen en toen werden d’r oogen hoe langer hoe grooter en

toen ze met de linkerhand de scheede losgelaten had en onwillekeurig

met die hand naar de sabel voelde, liet ze plotseling het heele ding op

de aanrecht vallen, gaf ’n gil en stond ’n oogenblik later voor de

snurkende veldwachter te schreeuwen, die onmiddellijk uit z’n bed

sprong en vroeg of er brand was. Het duurde ’n heele tijd eer de vrouw

in plaats van te schreeuwen en te gillen ’n fatsoenlijk woord zeggen

kon en dat woord was natuurlijk: „S-sa-bel!”

„Wat, sabel... wat klets je toch van m’n sabel!”

„Is... weg.”

„Je bent niet goed,” mopperde de veldwachter. „Kijk uit je oogen, ’t

ding hangt aan de spijker net als altijd. Ik heb ’m d’r zelf

neergehangen.”

„Nee...” zei de vrouw... „dat is ’t niet. Je sabel is onzichtbaar.”

„Mijn sabel!” mompelde de veldwachter... „mensch weet je ’t wel goed?”

Met ’n paar groote stappen was de veldwachter in de kamer, waar hij z’n

wapen aan de nagel gehangen had en toen ie ’t daar niet zag of voelde,

ging hij naar de keuken.

„Wat klets je toch,” riep hij z’n vrouw toe, die nog altijd in de

slaapkamer was. „M’n sabel ligt op de aanrecht.”

Hij pakte z’n sabel op, die weer in de schee gegleden was, doch toen

kwam z’n vrouw voor de dag en zei:

„Trek ’m uit de schee, dan zal je ’t zelf wel zien.”

De veldwachter deed het en toen was het zijn beurt om met open mond z’n

wapen aan te staren. In de eene Hand had hij de scheede en in de andere

blijkbaar niets anders dan het gevest.

„Da’s akelig!” zei de veldwachter eindelijk. „Ik ga dadelijk naar de

burgemeester.”

De burgemeester bekeek en betastte de sabel nauwkeurig en zei daarna:

„Ik begrijp niet wat jullie allemaal voor ezels bent. Nou zit je me

daar dag en nacht op die boerderij, je ontdekt niks en tenslotte wordt

je eigen sabel onzichtbaar. Nou begrijpt toch iedereen dat jullie daar

je tijd verslaapt, of niet? Als je wakker geweest was, zou niemand er

toch in geslaagd zijn, iets aan je sabel te doen? ’t Is ’n schandaal,

versta je dat, ’n schandaal! Ben jullie veldwachters? ’t Is me wat

moois! Veldsuffers ben jullie! Vooruit naar de boerderij. En vanavond

kom ik zelf! Doe je sabel om!”

De veldwachter stond verslagen. Zoo’n standje ook. En ze hadden

heelemaal niet geslapen de heele nacht niet. Trouw hadden ze de ronde

gedaan en ’t eenige wat er op hem aan te merken zou kunnen zijn, was

dat ie z’n sabel de vorige avond ’n oogenblik had afgedaan omdat de

koppel hem zoo knelde om z’n buik. Hij had bij de boerin wat veel van

de spekpannekoeken gegeten en dan is het toch warempel geen wonder dat

je buik ’n beetje last heeft van zoo’n leeren riem, die je niet wijder

kan maken. Ja... waar had ie toen ook weer z’n sabel neergelegd? Buiten

op de regenbak en daarna waren ze de ronde gaan doen wel ’n kwartier

ver om de boerderij heen. Ze hadden zich overtuigd dat er geen levende

ziel te bekennen was en toen hij terug kwam, lag z’n sabel er nog net

zoo.

Dat zei hij allemaal tegen de burgemeester, want als ’t er op aankwam,

dan was ie ook niet op z’n mondje gevallen. Maar de burgemeester

snauwde hem nijdig toe:

„Doe je sabel om en snij uit.”

Hij dee niets liever dan „uitsnijen”, dan was ie van die standjes af.

Maar z’n sabel omdoen, dat was wat anders. Voor geen geld van de wereld

wou ie dat akelige ding aan z’n lijf hebben.

Doch toen ie dat ook tegen de burgemeester zei, werd deze zoo woedend

en zei zulke leelijke dingen tegen de veldwachter dat die dappere

politieman bleek van ontsteltenis de plaat poetste met achterlating van

z’n onzichtbaar geworden sabel. Buiten gekomen sprong de arme man op

z’n fiets en race-te als ’n wielrenner het dorp door, regelrecht naar

de boerderij. Met z’n neus op het stuur trapte hij zonder op te kijken

maar door. Bellen deed ie niet en de fietsers en voetgangers die hem

ontmoetten, maakten dat ze uit de weg kwamen. En de dorpelingen die hem

nakeken, zeien tegen elkaar: „Hij zit ze na hoor!”

„Hij krijgt ze te pakken,” zei ’n ander. „Als ie zoo doorfietst, heeft

ie ze ingehaald voor ze er om denken.”

De dorpelingen die zoo praatten, bedoelden Bumpkins en Spigoletti die

op hun nieuwe fietsen nog geen tien minuten geleden het dorp waren

doorgekomen en ook op weg waren naar de boerderij. Ze hadden goed

geïnformeerd bij de stationchef in Apeldoorn, die hen had kunnen

inlichten in hun eigen taal en nu trapten ze er vroolijk op los. Ze

zouen nu wel gauw die Jim te pakken hebben, meenden ze. De dorpelingen

hadden die twee vreemdelingen natuurlijk allemaal nagekeken en toen ze

’n poosje later hun eigen veldwachter zoo razend over de weg zagen

stuiven, meenden ze natuurlijk, dat ie die twee vreemde snoeshanen

achterna zat.

Als de veldwachter niet zoo van zijn stukken geweest was door het

ongemanierde standje van z’n burgemeester, had ie wel beter uitgekeken

en dan had ie natuurlijk daar ver vooruit op het fietspad die twee

Amerikanen moeten zien. Maar zooals nu de zaken stonden, zag hij

niemendal en race-te maar door. Totdat hij met een vaartje van twintig

kilometer in het uur de twee Amerikanen onderstboven reed, waarbij hij

zelf natuurlijk ook ’n rare tuimeling maakte. Ze buitelden alle drie op

’n vreemde manier over elkaar heen en kwamen dank zij de zachte berm

van de weg er met wat schrammen en blauwe plekken af. En daarna zaten

ze alle drie elkaar aan te staren en merkten in ’t eerst niet eens op,

dat ze om de onzichtbare telefoonpaal heen zaten. Wonder boven wonder

waren ze geen van drieën met dat onzichtbare ding in aanraking gekomen.

Ze keken er alle drie glad doorheen, maar de veldwachter was de eerste,

die boven zich de porceleinen potten in de gaten kreeg en omdat ie die

dag juist ’n erge afschuw had van al die onzichtbaar geworden dingen,

riep hij in z’n ontsteltenis: „Ai... de paal!”

De detectives verstonden van die uitroep geen letter, maar ze werden nu

ook opmerkzaam en keken omhoog zooals de veldwachter nog altijd deed.

De veldwachter hoorde toen plotseling allerlei vreemde geluiden, die

uit de monden van die twee kerels kwamen en hij zag dat Bumpkins naar

de onzichtbare paal kroop en die begon te betasten. Daarna deed

Spigoletti het ook en onderwijl spraken ze opgewonden en druk. Doch dat

bleef voor de veldwachter alles maar geluid, waarvan hij niets begreep.

Doch één ding werd de veldwachter duidelijk en dat kwam zoo plotseling

als ’n bliksemstraal die insloeg: Hij had daar voor zich de lui die al

die onzichtbare dingen op hun geweten hadden. En terwijl hem dat zoo

plotseling klaar werd als de dag, stonden z’n haren haast rechtop van

schrik en benauwdheid. Die schurken konden hem beetpakken en dan konden

ze hem onzichtbaar maken, wie weet. Dat ging misschien in ’n paar

sekonden. Het angstzweet brak hem uit.

Bumpkins en Spigoletti namen echter heel geen notitie van hem. Ze

hadden het te druk met de paal en de veldwachter had nog net

tegenwoordigheid van geest genoeg om z’n fiets te grijpen, het ding

overeind te sjorren, er op te springen en weg te rennen. Het kon hem

niet schelen welke kant ie opging. Zooals de fiets stond, reed ie weg

en zoo kwam het dat ie tien minuten later weer full speed het dorp

doorrace-te en weer bij de burgemeester terechtkwam.

„Hallo,” zei Bumpkins toen hij de veldwachter zag wegracen, „die vent

is stapelgek.”

„Gaat ons niet aan,” antwoordde Spigoletti.

„Je hebt gelijk, wat dunkt jou van die paal?”

„Wel die paal is in orde. Ik ben er voor om nu eens te gaan zoeken naar

de machine. Jim heeft er hier mee gewerkt.”

„Maar hoe lang geleden? Jim was op de boot. Hij is dus eerst hier

geweest en naar Amerika teruggegaan, waarschijnlijk om de andere helft.

Die heeft ie te pakken gekregen op de boot en nu is ie weer hier heen.”

„Precies. Hij is hier in de buurt met allebei de machines.”

„En nu zijn wij zoo dom hier aan de openbare weg te zitten zoodat

iedereen ons zien kan. Als Jim hier in de buurt is, moeten we oppassen.

Hij is slim.”

„Dat is ie zeker. Ik stel voor om onze fietsen ergens te verstoppen,

daar in dat bosch bijvoorbeeld en dan gaan we eens neuzen of we wat van

onze Jim ontdekken kunnen.”

„Goeie idee,” zei Bumpkins. „Vooruit dan maar.”

Ze pakten hun fietsen op en geen twee minuten later hadden ze die

netjes verborgen, waarna ze er op uit gingen om Jim Pimpelmees te

ontdekken of tenminste ’t een of ander dat hen op ’t rechte spoor zou

kunnen brengen.

Ze hadden hun fietsen zoo verstopt onder de struiken, dat niemand die

licht ontdekken zou, als ie niet gezien had dat daar fietsen verborgen

werden. Doch dat was nu juist wel het geval. Piet en Koen waren daar

net in de buurt. Ze hadden de twee Amerikanen het bosch in zien gaan

met hun fietsen en ’n poosje later zagen ze hen wegsluipen zonder hun

karretjes. Natuurlijk gingen toen de twee jongens aan ’t zoeken en ’t

duurde niet lang of ze vonden de rijwielen.

„Spiksplinternieuwe karren,” zei Koen. „Fongers.”

„Gestolen?” zei Piet.

„Dat weet ik niet. Maar waarom zouen ze die dingen hier neer gezet

hebben?”

„Nogal duidelijk, als ze die tenminste niet gestolen hebben. Als ze

gestolen zijn, hebben ze ze hier verstopt, maar anders hebben ze ’t

zeker gedaan omdat ze hier in de buurt wat tusschen de struiken willen

wandelen. Misschien zijn ’t wel van die plantenzoekers. Die komen hier

wel meer.”

„Nee dat zijn ’t niet, want dan moesten ze zoo’n plantenbus bij zich

hebben.”

„Stil even,” zei Piet, „daar komen ze al weer an.”

Hij hoorde duidelijk de geluiden die iemand veroorzaakt als hij zich

door het kreupelhout heenwerkt. In ’n wip was Piet verder het

kreupelhout ingegaan en Koen volgde z’n voorbeeld. Ze waren

nieuwsgierig en Koen vooral want die had plotseling de idee gekregen,

dat die twee vreemdelingen misschien wel uit Amerika konden zijn. Ze

zagen er zoo heelemaal niet hollandsch uit. Als dat nou eens professor

Wells was. Die eene met z’n witte baard kon best ’n professor zijn.

Het geluid was nu vlakbij en ’n oogenblik later zagen de jongens de

takken bij de fietsen uit elkaar gaan, zooals ze doen als iemand er

door wil en ze met z’n twee handen opzij duwt. Doch ze zagen geen

mensch.

Toen gebeurde er iets zoo vreemds, dat de jongens er allebei

hartkloppingen van schrik door kregen. Een van de fietsen maakte ’n

beweging alsof iemand het stuur gegrepen had en begon alleen weg te

rijden. ’n Fiets rijdt echter niet gemakkelijk tusschen de struiken en

Koen en Piet zagen de fiets ’n oogenblik later van de grond getild en

het bosch uitgaan alsof iemand hem droeg op z’n schouder.

De jongens waren stom van verbazing, maar niet zoo geschrokken of ze

gingen zoo snel ze konden die vreemd doende fiets na. De weg ging op

die plaats vlak voorbij het bosch en Koen en Piet zagen de fiets

wegrijden zonder dat er iemand opzat.

„Nou,” zei Piet, „dát heb ik nog nooit gezien. ’n Fiets die zelf het

bosch uitgaat en alleen wegrijdt.”

„Kan niet,” zei Koen. „D’r moet iemand op zitten.”

„Maar d’r zat niemand op!”

„Hoe weet jij dat? D’r kan iemand op gezeten hebben die onzichtbaar

was.”

„Iemand die onzichtbaar was? ’n Onzichtbare man?”

„Ja, d’r is toch ’n onzichtbaar varken, ’n onzichtbare haan en ’n

onzichtbare telefoonpaal. Dan kan er ook wel ’n onzichtbaar mensch

wezen.”

„Dat kan,” gaf Piet toe, „maar wie zou ’t wezen. Wij hebben de

machine.”

„Misschien is ’t die professor Wells zelf wel!”

Piet had geen tijd om te antwoorden. Op de weg kwamen de twee

vreemdelingen die hun fietsen in ’t bosch hadden verborgen, aangehold.

Zulk loopen had Piet noch Koen ooit aanschouwd. Die kerels liepen

letterlijk als hazen en die met de witte baard won het nog stukken van

de zwarte.

De ouwe heer was het eerst op de plek en ging zonder dralen het bosch

in om er ’n paar sekonden later met de overgebleven fiets uit te komen.

Hij sprong op de de kar en terwijl hij wegrace-te in de richting waar

de andere fiets alleen heen gegaan was, riep hij nog ’n paar woorden

tegen de zwarte, die toen weer wat terugriep.

De zwarte heer keek de jongens ’n oogenblik aan, doch zei niets tegen

hen, maar liep de weg op en verdween toen weer in ’t bosch.

„Kon jij verstaan wat ie riep?” vroeg Piet.

„Verstaan niet, enkel maar ’n paar woorden. Ze spreken engelsch. ’t

Zijn bepaald Amerikanen en ze hebben vast wat te maken met die

verdwijn-machine.”

„Spreken ze in Amerika dan geen amerikaansch?” vroeg Piet.

„Och jô, weet je dat nog niet, amerikaansch is engelsch.”

„Wist ik heelemaal niet.”

„Laten we nou maar gauw naar huis gaan Piet... Ik moet het nu toch aan

vader zeggen van die fiets en van die Amerikanen en als ze komen,

moeten we die machine dadelijk geven.”

„Natuurlijk geven we die machine dadelijk aan de eigenaar. Jouw vader

zal ook wel zoo slim zijn om ’m maar niet aan de eerste de beste te

geven die er om komt. Verbeeld je dat de dief of de dieven die ’m

gestolen hebben eens kwamen!”

„Daar heb je gelijk aan. We moesten nu maar eerst aan vader vertellen

wat we hier gezien hebben van die fiets en dan zeggen we meteen maar,

dat wij de machine in ’t kippenhok bewaren.”

„Dat zal ’t beste wel zijn. Zeg ik zou wel eens willen weten, wat de

veldwachter zei toen ie z’n sabel miste.”

„’t Is de vraag of ie ’t ding al gemist heeft,” zei Koen lachend. „Hij

zal ook niet elk oogenblik z’n sabel trekken.”

„Komt er ook niet opaan. Vandaag of morgen ziet ie ’t en dan schrikt ie

zich ’n aap. Hij is zoo bijgeloovig als ’n oud wijf.”

Ze stapten stevig aan om thuis te komen, want ze begrepen allebei dat

het nu wel op ’n eind zou loopen met de machine in hun bezit. Het kon

niet lang meer duren eer de oplossing kwam. En ze waren er benieuwd

naar, want die fiets had hun nieuwsgierigheid geprikkeld. Wie zou daar

onzichtbaar op gezeten hebben? Piet meende dat het de professor zelf

moest zijn, doch dan moesten die twee vreemden waarvan er een zoo

haastig was geweest met het achtervolgen van de fiets die er schijnbaar

alleen van door was, de dieven zijn. Koen daarentegen hield vol, dat de

dief onzichtbaar was en dat die witte m’nheer de professor moest zijn.

Intusschen was Bumpkins de onzichtbare man achterna gefietst. De weg

was eenzaam tot aan het het dorp waar hij door moest. Maar daar was

alles in rep en roer en de menschen vlogen op zij toen Bumpkins in

volle vaart langs de smederij stoof, waar de menschen bij elkaar

stonden om het wonderbare geval te bespreken, dat de meesten van hen

met eigen oogen aanschouwd hadden, de fiets die alleen reed. Van alle

wonderen waarvan ze in de laatste tijd getuigen waren geweest, was dit

wel het meest wonderbaarlijke. Natuurlijk, de onzichtbare sabel van hun

eigen veldwachter was ook geen kleinigheid, maar dit, nee, dat sloeg nu

gewoon alles. En de vrouw van de smid was het dichtste bij datgene wat

ze allemaal voelden, toen ze zei dat het was om er naar van te worden.

Toen ze nu Bumpkins in razende vaart voorbij zagen racen, (James

Maccassy was altijd ’n eerste klas wielrenner geweest) riep de smid,

terwijl ze uit elkaar stoven als schrikkende kippen: „Die hoort er ook

bij, da’s een van de twee vreemde snoeshanen die we vanmorgen hier door

zagen komen en die de veldwachter bij de paal heeft zien zitten.”

Die dorpsmenschen wisten altijd dadelijk alles van elkaar. Ze waren dus

al op de hoogte van het geval met de sabel en van de rare ontmoeting

van hun veldwachter met die twee vreemdelingen.

„Ik ga ’m achterna,” riep de smid. „Wie gaat er mee?”

Hij ging z’n smederij binnen en was ’n oogenblik later buiten met z’n

fiets.

Dadelijk waren de meeste mannen die op het dorp woonden bereid en ze

draafden naar alle kanten om hun tweewielers te gaan halen. De smid

hoefde niet lang te wachten of er waren minstens ’n stuk of vijftien

dorpelingen, die achter de smid aan wegrenden. De smid had er al

dadelijk ’n flink gangetje ingezet. Hij had de leiding. De kleermaker

was vlak naast hem. Die had ’n goeie fiets, die licht reed anders had

ie het niet kunnen bolwerken tegen de reuzenspieren, die de smid in z’n

kuiten had. Daar vlak achter kwam de klompenmaker op ’n armzalig

wieltje met onmogelijk gelapte banden. Maar de man had zelden pech en

iedereen verwonderde zich er altijd over, dat ie met zoo’n rotkar niet

twintigmaal per dag met leege banden stond. Bij de klompenmaker reed de

bakker op ’n vreeselijk zware kar, met twee stangen in het frame en ’n

ijzeren bagagedrager met ’n groote broodmand voor aan het stuur. Dan

volgden de metselaar op klompen met ’n paar rammelende spatborden en

anderhalf pedaal, de schoenmaker-barbier op ’n race-karretje en de rest

van de deelnemers op rijwielen die allemaal min of meer de gebreken van

de ouderdom vertoonden.

Na ’n minuut of tien viel de metselaar uit. Z’n achterband was met ’n

knal gesprongen. De anderen lachten hem uit en lieten hem aan de weg

staan. Hij kon alleen de terugtocht ondernemen. De schoenmaker was uit

de achterste gelederen naar voren gekomen en had de kleermaker

verdrongen, zoodat ie nu naast de smid reed. Hij wou die smid eens

probeeren en met z’n handen bijna op de grond en z’n neus over het

stuur trapte hij uit al z’n macht en z’n pedalen gingen rond of ze aan

’n stoommachine zaten. Maar de smid kon het schoenmakertje wel aan. Hij

had ’n fiets met ’n groote versnelling en z’n beenen waren zoo sterk of

ze van ijzer waren. Hij hoefde zich niet eens voorover te buigen om het

schoenmakertje bij te houen. En hij werd er niet eens kortademig van

zooals de schoenmaker, die bek-af werd en met ’n rooie kop waar het

zweet afdroop al heel gauw begon te verslappen, waarbij de lachende

smid hem voorbijschoot en de schoenmaker toeriep: „Toe schoenlapper

opschieten!”

De heele troep kwam bij tweeën en drieën achteraan, maar ze bleven toch

zoowat bij elkaar en zoo reden ze Apeldoorn in, waar ze niet hoefden te

vragen waar ze heen moesten, want langs de weg waar de losse fiets en

de Amerikaan achter elkaar heen gekomen waren, stonden overal menschen

te kijken en het gekke geval te bepraten. Velen liepen ook op ’n drafje

dezelfde weg op en al gauw waren er ’n vijftig fietsers achter de

dorpelingen aan. Het was ’n heel eskadron geworden. Maar op het plein

voor het station konden ze niet verder, want het was daar zwart van de

menschen, waarvan de meesten niet wisten wat er aan de hand was. De

smid maakte niet veel omslag maar drong met fiets en al gewoon door de

menigte en kwam vooraan, waar vlak bij het station de Amerikaan met

twee fietsen stond, benevens ’n paar politieagenten, waarvan er een met

Bumpkins trachtte te praten.

Bumpkins verstond evenwel geen woord van wat de agent zei en die

natuurlijk niets van Bumpkins. De agenten hadden de fiets die alleen

reed, niet zien komen en ze geloofden geen woord van sommige

omstanders, die het wel gezien hadden.

Die agenten waren ongeloovige Tomassen en een van hen beweerde, dat ie

die onzin gelooven zou als ie ’t zelf zag en toen wilden de menschen de

fiets er weer alleen vandoor laten gaan, doch zoodra ze de fiets

loslieten, viel ie om zooals elke fatsoenlijke fiets gewoon is te doen.

De agenten maanden dus de menschen tot doorloopen aan, want ze wisten

er geen touw aan vast te knoopen. Bumpkins gesticuleerde en praatte en

het gevolg was dat de twee agenten Bumpkins met z’n twee fietsen

meenamen naar ’t politiebureau, vergezeld door honderden menschen

waaronder ook de smid met z’n volgelingen.

Op het bureau was ’n inspecteur die engelsch verstond en daar Bumpkins

alleen zei dat de fietsen van hem waren en de eene gestolen was, en de

dief waarschijnlijk met de trein vertrokken, vond de inspecteur het

goed Bumpkins met z’n twee fietsen te laten heengaan.

Hij had ’n beetje moeite met z’n beide fietsen door de menigte te

komen, doch ’n paar agenten hielpen hem en zoo kwam hij veilig er

tusschen uit. Hij sprong vlug op de fiets en met de andere aan de hand

trapte hij weg.

Maar op de terugweg naar het dorp waren de smid en de andere vlak

achter hem.

Dat vond de Amerikaan niet erg naar z’n zin, maar hij kon er niets aan

doen. Toen hij evenwel het dorp bereikt had, zette hij er de sokken in

en reed in eens door naar het bosch waar Spigoletti op hem wachtte. De

smid vond het niet geraden hem nog verder te volgen en de menschen die

altijd hun smid in zulke dingen nadeden, bleven dus ook maar achter en

vertelden toen wat ze in Apeldoorn gezien hadden. Het heele dorp was er

de heele dag door van streek.

Het was ook te gek, ’n fiets die eerst alleen ’n tochtje deed en later

bleek niet meer op z’n eigen beenen te kunnen staan. Daar had nog nooit

iemand van gehoord.

De verdwijn-machine · 第 15 / 19 题