Waarin de veldwachter z’n sabel onzichtbaar wordt en Bumpkins z’n
fiets ziet wegracen zonder dat er iemand opzit.
Piet had de verdwijn-machine in het kippenschuurtje laten staan. Hij
had Koen ervan overtuigd dat daar de beste plaats voor het ding was,
omdat er nooit iemand anders dan hijzelf in dat schuurtje kwam. Koen
was er mee tevreden geweest en nu wachtte hij maar of z’n vader geen
brief of telegram uit Amerika kreeg. Zoodra dat gebeurde, dat had hij
zich nu vast voorgenomen, dan zou hij z’n vader alles wel vertellen.
Piet had op zijn beurt dat weer goedgevonden.
M’nheer Bruggemans speurde al wat ie kon, nog harder dan de
dorpsveldwachter en de koddebeier en de twee rijksveldwachters. Hij
meende dat de machine weer in handen was van de oorspronkelijke dief.
En hij had er wat voor willen geven als hij die had kunnen ontdekken.
Hij had met de veldwachters samen willen werken maar die waren niet van
hem gediend. De veldwachters beweerden dat zoo’n stadsch m’nheertje
geen verstand had van dieven vangen.
Nu, juist op de dag dat Bumpkins en Spigoletti naar de Veluwe spoorden
om Jim Pimpelmees te overrompelen, die volgens hen zeker en vast wel
wat zou gaan probeeren met de machine die hij onlangs gestolen had, was
er op de boerderij juist weer ’n opzienbarende verdwijning geschied. De
dorpsveldwachter was thuisgekomen van de boerderij waar hij ’s nachts
met ’n rijksveldwachter gesurveilleerd had en had als gewoonlijk z’n
sabel in ’n hoek van de kamer aan ’n spijker opgehangen. Daarna had hij
gegeten en was gaan slapen omdat ’n mensch zonder behoorlijk voedsel en
zonder behoorlijke nachtrust niet in ’t leven blijven kan. Toen was z’n
vrouw gekomen en had de sabel van de wand genomen en was er mee naar de
keuken gegaan om zooals ze iedere Vrijdag met dat wapen deed, het ding
tegelijk met het andere koper- tin- blik- en ijzerwerk glimmend te
poetsen. Het gevest van de sabel werd met poetspommade behandeld
evenals de koperen plaat van de koppel en het puntstuk van de scheede.
Daarna was ze gewoon de sabel uit de schee te trekken, altijd ’n beetje
voorzichtig ofschoon het wapen niet scherp geslepen was en dan werd het
blanke staal met vaseline ingesmeerd, want volgens de veldwachter die
in z’n jeugd soldaat geweest was, moest je je wapens altijd goed onder
’t vet houden, anders roestten ze maar.
De vrouw trok de sabel naar gewoonte uit de schee en was daar al ’n
heel eind mee gevorderd toen ze bespeurde dat er achter het gevest
niets, niemendal uit de scheede te voorschijn kwam. Eerst keek ze
zonder te begrijpen en toen werden d’r oogen hoe langer hoe grooter en
toen ze met de linkerhand de scheede losgelaten had en onwillekeurig
met die hand naar de sabel voelde, liet ze plotseling het heele ding op
de aanrecht vallen, gaf ’n gil en stond ’n oogenblik later voor de
snurkende veldwachter te schreeuwen, die onmiddellijk uit z’n bed
sprong en vroeg of er brand was. Het duurde ’n heele tijd eer de vrouw
in plaats van te schreeuwen en te gillen ’n fatsoenlijk woord zeggen
kon en dat woord was natuurlijk: „S-sa-bel!”
„Wat, sabel... wat klets je toch van m’n sabel!”
„Is... weg.”
„Je bent niet goed,” mopperde de veldwachter. „Kijk uit je oogen, ’t
ding hangt aan de spijker net als altijd. Ik heb ’m d’r zelf
neergehangen.”
„Nee...” zei de vrouw... „dat is ’t niet. Je sabel is onzichtbaar.”
„Mijn sabel!” mompelde de veldwachter... „mensch weet je ’t wel goed?”
Met ’n paar groote stappen was de veldwachter in de kamer, waar hij z’n
wapen aan de nagel gehangen had en toen ie ’t daar niet zag of voelde,
ging hij naar de keuken.
„Wat klets je toch,” riep hij z’n vrouw toe, die nog altijd in de
slaapkamer was. „M’n sabel ligt op de aanrecht.”
Hij pakte z’n sabel op, die weer in de schee gegleden was, doch toen
kwam z’n vrouw voor de dag en zei:
„Trek ’m uit de schee, dan zal je ’t zelf wel zien.”
De veldwachter deed het en toen was het zijn beurt om met open mond z’n
wapen aan te staren. In de eene Hand had hij de scheede en in de andere
blijkbaar niets anders dan het gevest.
„Da’s akelig!” zei de veldwachter eindelijk. „Ik ga dadelijk naar de
burgemeester.”
De burgemeester bekeek en betastte de sabel nauwkeurig en zei daarna:
„Ik begrijp niet wat jullie allemaal voor ezels bent. Nou zit je me
daar dag en nacht op die boerderij, je ontdekt niks en tenslotte wordt
je eigen sabel onzichtbaar. Nou begrijpt toch iedereen dat jullie daar
je tijd verslaapt, of niet? Als je wakker geweest was, zou niemand er
toch in geslaagd zijn, iets aan je sabel te doen? ’t Is ’n schandaal,
versta je dat, ’n schandaal! Ben jullie veldwachters? ’t Is me wat
moois! Veldsuffers ben jullie! Vooruit naar de boerderij. En vanavond
kom ik zelf! Doe je sabel om!”
De veldwachter stond verslagen. Zoo’n standje ook. En ze hadden
heelemaal niet geslapen de heele nacht niet. Trouw hadden ze de ronde
gedaan en ’t eenige wat er op hem aan te merken zou kunnen zijn, was
dat ie z’n sabel de vorige avond ’n oogenblik had afgedaan omdat de
koppel hem zoo knelde om z’n buik. Hij had bij de boerin wat veel van
de spekpannekoeken gegeten en dan is het toch warempel geen wonder dat
je buik ’n beetje last heeft van zoo’n leeren riem, die je niet wijder
kan maken. Ja... waar had ie toen ook weer z’n sabel neergelegd? Buiten
op de regenbak en daarna waren ze de ronde gaan doen wel ’n kwartier
ver om de boerderij heen. Ze hadden zich overtuigd dat er geen levende
ziel te bekennen was en toen hij terug kwam, lag z’n sabel er nog net
zoo.
Dat zei hij allemaal tegen de burgemeester, want als ’t er op aankwam,
dan was ie ook niet op z’n mondje gevallen. Maar de burgemeester
snauwde hem nijdig toe:
„Doe je sabel om en snij uit.”
Hij dee niets liever dan „uitsnijen”, dan was ie van die standjes af.
Maar z’n sabel omdoen, dat was wat anders. Voor geen geld van de wereld
wou ie dat akelige ding aan z’n lijf hebben.
Doch toen ie dat ook tegen de burgemeester zei, werd deze zoo woedend
en zei zulke leelijke dingen tegen de veldwachter dat die dappere
politieman bleek van ontsteltenis de plaat poetste met achterlating van
z’n onzichtbaar geworden sabel. Buiten gekomen sprong de arme man op
z’n fiets en race-te als ’n wielrenner het dorp door, regelrecht naar
de boerderij. Met z’n neus op het stuur trapte hij zonder op te kijken
maar door. Bellen deed ie niet en de fietsers en voetgangers die hem
ontmoetten, maakten dat ze uit de weg kwamen. En de dorpelingen die hem
nakeken, zeien tegen elkaar: „Hij zit ze na hoor!”
„Hij krijgt ze te pakken,” zei ’n ander. „Als ie zoo doorfietst, heeft
ie ze ingehaald voor ze er om denken.”
De dorpelingen die zoo praatten, bedoelden Bumpkins en Spigoletti die
op hun nieuwe fietsen nog geen tien minuten geleden het dorp waren
doorgekomen en ook op weg waren naar de boerderij. Ze hadden goed
geïnformeerd bij de stationchef in Apeldoorn, die hen had kunnen
inlichten in hun eigen taal en nu trapten ze er vroolijk op los. Ze
zouen nu wel gauw die Jim te pakken hebben, meenden ze. De dorpelingen
hadden die twee vreemdelingen natuurlijk allemaal nagekeken en toen ze
’n poosje later hun eigen veldwachter zoo razend over de weg zagen
stuiven, meenden ze natuurlijk, dat ie die twee vreemde snoeshanen
achterna zat.
Als de veldwachter niet zoo van zijn stukken geweest was door het
ongemanierde standje van z’n burgemeester, had ie wel beter uitgekeken
en dan had ie natuurlijk daar ver vooruit op het fietspad die twee
Amerikanen moeten zien. Maar zooals nu de zaken stonden, zag hij
niemendal en race-te maar door. Totdat hij met een vaartje van twintig
kilometer in het uur de twee Amerikanen onderstboven reed, waarbij hij
zelf natuurlijk ook ’n rare tuimeling maakte. Ze buitelden alle drie op
’n vreemde manier over elkaar heen en kwamen dank zij de zachte berm
van de weg er met wat schrammen en blauwe plekken af. En daarna zaten
ze alle drie elkaar aan te staren en merkten in ’t eerst niet eens op,
dat ze om de onzichtbare telefoonpaal heen zaten. Wonder boven wonder
waren ze geen van drieën met dat onzichtbare ding in aanraking gekomen.
Ze keken er alle drie glad doorheen, maar de veldwachter was de eerste,
die boven zich de porceleinen potten in de gaten kreeg en omdat ie die
dag juist ’n erge afschuw had van al die onzichtbaar geworden dingen,
riep hij in z’n ontsteltenis: „Ai... de paal!”
De detectives verstonden van die uitroep geen letter, maar ze werden nu
ook opmerkzaam en keken omhoog zooals de veldwachter nog altijd deed.
De veldwachter hoorde toen plotseling allerlei vreemde geluiden, die
uit de monden van die twee kerels kwamen en hij zag dat Bumpkins naar
de onzichtbare paal kroop en die begon te betasten. Daarna deed
Spigoletti het ook en onderwijl spraken ze opgewonden en druk. Doch dat
bleef voor de veldwachter alles maar geluid, waarvan hij niets begreep.
Doch één ding werd de veldwachter duidelijk en dat kwam zoo plotseling
als ’n bliksemstraal die insloeg: Hij had daar voor zich de lui die al
die onzichtbare dingen op hun geweten hadden. En terwijl hem dat zoo
plotseling klaar werd als de dag, stonden z’n haren haast rechtop van
schrik en benauwdheid. Die schurken konden hem beetpakken en dan konden
ze hem onzichtbaar maken, wie weet. Dat ging misschien in ’n paar
sekonden. Het angstzweet brak hem uit.
Bumpkins en Spigoletti namen echter heel geen notitie van hem. Ze
hadden het te druk met de paal en de veldwachter had nog net
tegenwoordigheid van geest genoeg om z’n fiets te grijpen, het ding
overeind te sjorren, er op te springen en weg te rennen. Het kon hem
niet schelen welke kant ie opging. Zooals de fiets stond, reed ie weg
en zoo kwam het dat ie tien minuten later weer full speed het dorp
doorrace-te en weer bij de burgemeester terechtkwam.
„Hallo,” zei Bumpkins toen hij de veldwachter zag wegracen, „die vent
is stapelgek.”
„Gaat ons niet aan,” antwoordde Spigoletti.
„Je hebt gelijk, wat dunkt jou van die paal?”
„Wel die paal is in orde. Ik ben er voor om nu eens te gaan zoeken naar
de machine. Jim heeft er hier mee gewerkt.”
„Maar hoe lang geleden? Jim was op de boot. Hij is dus eerst hier
geweest en naar Amerika teruggegaan, waarschijnlijk om de andere helft.
Die heeft ie te pakken gekregen op de boot en nu is ie weer hier heen.”
„Precies. Hij is hier in de buurt met allebei de machines.”
„En nu zijn wij zoo dom hier aan de openbare weg te zitten zoodat
iedereen ons zien kan. Als Jim hier in de buurt is, moeten we oppassen.
Hij is slim.”
„Dat is ie zeker. Ik stel voor om onze fietsen ergens te verstoppen,
daar in dat bosch bijvoorbeeld en dan gaan we eens neuzen of we wat van
onze Jim ontdekken kunnen.”
„Goeie idee,” zei Bumpkins. „Vooruit dan maar.”
Ze pakten hun fietsen op en geen twee minuten later hadden ze die
netjes verborgen, waarna ze er op uit gingen om Jim Pimpelmees te
ontdekken of tenminste ’t een of ander dat hen op ’t rechte spoor zou
kunnen brengen.
Ze hadden hun fietsen zoo verstopt onder de struiken, dat niemand die
licht ontdekken zou, als ie niet gezien had dat daar fietsen verborgen
werden. Doch dat was nu juist wel het geval. Piet en Koen waren daar
net in de buurt. Ze hadden de twee Amerikanen het bosch in zien gaan
met hun fietsen en ’n poosje later zagen ze hen wegsluipen zonder hun
karretjes. Natuurlijk gingen toen de twee jongens aan ’t zoeken en ’t
duurde niet lang of ze vonden de rijwielen.
„Spiksplinternieuwe karren,” zei Koen. „Fongers.”
„Gestolen?” zei Piet.
„Dat weet ik niet. Maar waarom zouen ze die dingen hier neer gezet
hebben?”
„Nogal duidelijk, als ze die tenminste niet gestolen hebben. Als ze
gestolen zijn, hebben ze ze hier verstopt, maar anders hebben ze ’t
zeker gedaan omdat ze hier in de buurt wat tusschen de struiken willen
wandelen. Misschien zijn ’t wel van die plantenzoekers. Die komen hier
wel meer.”
„Nee dat zijn ’t niet, want dan moesten ze zoo’n plantenbus bij zich
hebben.”
„Stil even,” zei Piet, „daar komen ze al weer an.”
Hij hoorde duidelijk de geluiden die iemand veroorzaakt als hij zich
door het kreupelhout heenwerkt. In ’n wip was Piet verder het
kreupelhout ingegaan en Koen volgde z’n voorbeeld. Ze waren
nieuwsgierig en Koen vooral want die had plotseling de idee gekregen,
dat die twee vreemdelingen misschien wel uit Amerika konden zijn. Ze
zagen er zoo heelemaal niet hollandsch uit. Als dat nou eens professor
Wells was. Die eene met z’n witte baard kon best ’n professor zijn.
Het geluid was nu vlakbij en ’n oogenblik later zagen de jongens de
takken bij de fietsen uit elkaar gaan, zooals ze doen als iemand er
door wil en ze met z’n twee handen opzij duwt. Doch ze zagen geen
mensch.
Toen gebeurde er iets zoo vreemds, dat de jongens er allebei
hartkloppingen van schrik door kregen. Een van de fietsen maakte ’n
beweging alsof iemand het stuur gegrepen had en begon alleen weg te
rijden. ’n Fiets rijdt echter niet gemakkelijk tusschen de struiken en
Koen en Piet zagen de fiets ’n oogenblik later van de grond getild en
het bosch uitgaan alsof iemand hem droeg op z’n schouder.
De jongens waren stom van verbazing, maar niet zoo geschrokken of ze
gingen zoo snel ze konden die vreemd doende fiets na. De weg ging op
die plaats vlak voorbij het bosch en Koen en Piet zagen de fiets
wegrijden zonder dat er iemand opzat.
„Nou,” zei Piet, „dát heb ik nog nooit gezien. ’n Fiets die zelf het
bosch uitgaat en alleen wegrijdt.”
„Kan niet,” zei Koen. „D’r moet iemand op zitten.”
„Maar d’r zat niemand op!”
„Hoe weet jij dat? D’r kan iemand op gezeten hebben die onzichtbaar
was.”
„Iemand die onzichtbaar was? ’n Onzichtbare man?”
„Ja, d’r is toch ’n onzichtbaar varken, ’n onzichtbare haan en ’n
onzichtbare telefoonpaal. Dan kan er ook wel ’n onzichtbaar mensch
wezen.”
„Dat kan,” gaf Piet toe, „maar wie zou ’t wezen. Wij hebben de
machine.”
„Misschien is ’t die professor Wells zelf wel!”
Piet had geen tijd om te antwoorden. Op de weg kwamen de twee
vreemdelingen die hun fietsen in ’t bosch hadden verborgen, aangehold.
Zulk loopen had Piet noch Koen ooit aanschouwd. Die kerels liepen
letterlijk als hazen en die met de witte baard won het nog stukken van
de zwarte.
De ouwe heer was het eerst op de plek en ging zonder dralen het bosch
in om er ’n paar sekonden later met de overgebleven fiets uit te komen.
Hij sprong op de de kar en terwijl hij wegrace-te in de richting waar
de andere fiets alleen heen gegaan was, riep hij nog ’n paar woorden
tegen de zwarte, die toen weer wat terugriep.
De zwarte heer keek de jongens ’n oogenblik aan, doch zei niets tegen
hen, maar liep de weg op en verdween toen weer in ’t bosch.
„Kon jij verstaan wat ie riep?” vroeg Piet.
„Verstaan niet, enkel maar ’n paar woorden. Ze spreken engelsch. ’t
Zijn bepaald Amerikanen en ze hebben vast wat te maken met die
verdwijn-machine.”
„Spreken ze in Amerika dan geen amerikaansch?” vroeg Piet.
„Och jô, weet je dat nog niet, amerikaansch is engelsch.”
„Wist ik heelemaal niet.”
„Laten we nou maar gauw naar huis gaan Piet... Ik moet het nu toch aan
vader zeggen van die fiets en van die Amerikanen en als ze komen,
moeten we die machine dadelijk geven.”
„Natuurlijk geven we die machine dadelijk aan de eigenaar. Jouw vader
zal ook wel zoo slim zijn om ’m maar niet aan de eerste de beste te
geven die er om komt. Verbeeld je dat de dief of de dieven die ’m
gestolen hebben eens kwamen!”
„Daar heb je gelijk aan. We moesten nu maar eerst aan vader vertellen
wat we hier gezien hebben van die fiets en dan zeggen we meteen maar,
dat wij de machine in ’t kippenhok bewaren.”
„Dat zal ’t beste wel zijn. Zeg ik zou wel eens willen weten, wat de
veldwachter zei toen ie z’n sabel miste.”
„’t Is de vraag of ie ’t ding al gemist heeft,” zei Koen lachend. „Hij
zal ook niet elk oogenblik z’n sabel trekken.”
„Komt er ook niet opaan. Vandaag of morgen ziet ie ’t en dan schrikt ie
zich ’n aap. Hij is zoo bijgeloovig als ’n oud wijf.”
Ze stapten stevig aan om thuis te komen, want ze begrepen allebei dat
het nu wel op ’n eind zou loopen met de machine in hun bezit. Het kon
niet lang meer duren eer de oplossing kwam. En ze waren er benieuwd
naar, want die fiets had hun nieuwsgierigheid geprikkeld. Wie zou daar
onzichtbaar op gezeten hebben? Piet meende dat het de professor zelf
moest zijn, doch dan moesten die twee vreemden waarvan er een zoo
haastig was geweest met het achtervolgen van de fiets die er schijnbaar
alleen van door was, de dieven zijn. Koen daarentegen hield vol, dat de
dief onzichtbaar was en dat die witte m’nheer de professor moest zijn.
Intusschen was Bumpkins de onzichtbare man achterna gefietst. De weg
was eenzaam tot aan het het dorp waar hij door moest. Maar daar was
alles in rep en roer en de menschen vlogen op zij toen Bumpkins in
volle vaart langs de smederij stoof, waar de menschen bij elkaar
stonden om het wonderbare geval te bespreken, dat de meesten van hen
met eigen oogen aanschouwd hadden, de fiets die alleen reed. Van alle
wonderen waarvan ze in de laatste tijd getuigen waren geweest, was dit
wel het meest wonderbaarlijke. Natuurlijk, de onzichtbare sabel van hun
eigen veldwachter was ook geen kleinigheid, maar dit, nee, dat sloeg nu
gewoon alles. En de vrouw van de smid was het dichtste bij datgene wat
ze allemaal voelden, toen ze zei dat het was om er naar van te worden.
Toen ze nu Bumpkins in razende vaart voorbij zagen racen, (James
Maccassy was altijd ’n eerste klas wielrenner geweest) riep de smid,
terwijl ze uit elkaar stoven als schrikkende kippen: „Die hoort er ook
bij, da’s een van de twee vreemde snoeshanen die we vanmorgen hier door
zagen komen en die de veldwachter bij de paal heeft zien zitten.”
Die dorpsmenschen wisten altijd dadelijk alles van elkaar. Ze waren dus
al op de hoogte van het geval met de sabel en van de rare ontmoeting
van hun veldwachter met die twee vreemdelingen.
„Ik ga ’m achterna,” riep de smid. „Wie gaat er mee?”
Hij ging z’n smederij binnen en was ’n oogenblik later buiten met z’n
fiets.
Dadelijk waren de meeste mannen die op het dorp woonden bereid en ze
draafden naar alle kanten om hun tweewielers te gaan halen. De smid
hoefde niet lang te wachten of er waren minstens ’n stuk of vijftien
dorpelingen, die achter de smid aan wegrenden. De smid had er al
dadelijk ’n flink gangetje ingezet. Hij had de leiding. De kleermaker
was vlak naast hem. Die had ’n goeie fiets, die licht reed anders had
ie het niet kunnen bolwerken tegen de reuzenspieren, die de smid in z’n
kuiten had. Daar vlak achter kwam de klompenmaker op ’n armzalig
wieltje met onmogelijk gelapte banden. Maar de man had zelden pech en
iedereen verwonderde zich er altijd over, dat ie met zoo’n rotkar niet
twintigmaal per dag met leege banden stond. Bij de klompenmaker reed de
bakker op ’n vreeselijk zware kar, met twee stangen in het frame en ’n
ijzeren bagagedrager met ’n groote broodmand voor aan het stuur. Dan
volgden de metselaar op klompen met ’n paar rammelende spatborden en
anderhalf pedaal, de schoenmaker-barbier op ’n race-karretje en de rest
van de deelnemers op rijwielen die allemaal min of meer de gebreken van
de ouderdom vertoonden.
Na ’n minuut of tien viel de metselaar uit. Z’n achterband was met ’n
knal gesprongen. De anderen lachten hem uit en lieten hem aan de weg
staan. Hij kon alleen de terugtocht ondernemen. De schoenmaker was uit
de achterste gelederen naar voren gekomen en had de kleermaker
verdrongen, zoodat ie nu naast de smid reed. Hij wou die smid eens
probeeren en met z’n handen bijna op de grond en z’n neus over het
stuur trapte hij uit al z’n macht en z’n pedalen gingen rond of ze aan
’n stoommachine zaten. Maar de smid kon het schoenmakertje wel aan. Hij
had ’n fiets met ’n groote versnelling en z’n beenen waren zoo sterk of
ze van ijzer waren. Hij hoefde zich niet eens voorover te buigen om het
schoenmakertje bij te houen. En hij werd er niet eens kortademig van
zooals de schoenmaker, die bek-af werd en met ’n rooie kop waar het
zweet afdroop al heel gauw begon te verslappen, waarbij de lachende
smid hem voorbijschoot en de schoenmaker toeriep: „Toe schoenlapper
opschieten!”
De heele troep kwam bij tweeën en drieën achteraan, maar ze bleven toch
zoowat bij elkaar en zoo reden ze Apeldoorn in, waar ze niet hoefden te
vragen waar ze heen moesten, want langs de weg waar de losse fiets en
de Amerikaan achter elkaar heen gekomen waren, stonden overal menschen
te kijken en het gekke geval te bepraten. Velen liepen ook op ’n drafje
dezelfde weg op en al gauw waren er ’n vijftig fietsers achter de
dorpelingen aan. Het was ’n heel eskadron geworden. Maar op het plein
voor het station konden ze niet verder, want het was daar zwart van de
menschen, waarvan de meesten niet wisten wat er aan de hand was. De
smid maakte niet veel omslag maar drong met fiets en al gewoon door de
menigte en kwam vooraan, waar vlak bij het station de Amerikaan met
twee fietsen stond, benevens ’n paar politieagenten, waarvan er een met
Bumpkins trachtte te praten.
Bumpkins verstond evenwel geen woord van wat de agent zei en die
natuurlijk niets van Bumpkins. De agenten hadden de fiets die alleen
reed, niet zien komen en ze geloofden geen woord van sommige
omstanders, die het wel gezien hadden.
Die agenten waren ongeloovige Tomassen en een van hen beweerde, dat ie
die onzin gelooven zou als ie ’t zelf zag en toen wilden de menschen de
fiets er weer alleen vandoor laten gaan, doch zoodra ze de fiets
loslieten, viel ie om zooals elke fatsoenlijke fiets gewoon is te doen.
De agenten maanden dus de menschen tot doorloopen aan, want ze wisten
er geen touw aan vast te knoopen. Bumpkins gesticuleerde en praatte en
het gevolg was dat de twee agenten Bumpkins met z’n twee fietsen
meenamen naar ’t politiebureau, vergezeld door honderden menschen
waaronder ook de smid met z’n volgelingen.
Op het bureau was ’n inspecteur die engelsch verstond en daar Bumpkins
alleen zei dat de fietsen van hem waren en de eene gestolen was, en de
dief waarschijnlijk met de trein vertrokken, vond de inspecteur het
goed Bumpkins met z’n twee fietsen te laten heengaan.
Hij had ’n beetje moeite met z’n beide fietsen door de menigte te
komen, doch ’n paar agenten hielpen hem en zoo kwam hij veilig er
tusschen uit. Hij sprong vlug op de fiets en met de andere aan de hand
trapte hij weg.
Maar op de terugweg naar het dorp waren de smid en de andere vlak
achter hem.
Dat vond de Amerikaan niet erg naar z’n zin, maar hij kon er niets aan
doen. Toen hij evenwel het dorp bereikt had, zette hij er de sokken in
en reed in eens door naar het bosch waar Spigoletti op hem wachtte. De
smid vond het niet geraden hem nog verder te volgen en de menschen die
altijd hun smid in zulke dingen nadeden, bleven dus ook maar achter en
vertelden toen wat ze in Apeldoorn gezien hadden. Het heele dorp was er
de heele dag door van streek.
Het was ook te gek, ’n fiets die eerst alleen ’n tochtje deed en later
bleek niet meer op z’n eigen beenen te kunnen staan. Daar had nog nooit
iemand van gehoord.