Waarin Koen Bruggemans heel vreemde dingen beleeft waar hij niets
van begrijpt.
De familie Bruggemans, vader, moeder en twee kinderen was met de
vacantie naar de Veluwe getrokken. Daar hadden ze met hun vieren
onderdak en goed eten gevonden bij ’n boer, die zelf wel ’n stuk of
vier kinderen had en natuurlijk ’n heeleboel kippen, varkens, koeien en
’n paard of twee.
Koen Bruggemans had het daar uitstekend naar z’n zin en Berte z’n zusje
niet minder. Ze stonden net als de leden van de boerenfamilie met het
gekraai van de hanen op. Wel niet bij het eerste hanengekraai, maar
toch heel héél vroeg, wat ze in de stad noemen vóór dag en vóór dauw.
Vader en moeder Bruggemans zagen maar geen kans hen dat na te doen. „De
ouwe lui hebben geen fut om zoo vroeg uit d’r mandje te komen,” zei
Koen ’n beetje oneerbiedig.
Hijzelf zou voor geen geld zoo lang geslapen hebben. „Je moet je
vacantie zoo uitgerekt mogelijk maken,” zei hij tegen Piet, de derde
zoon van de boer, die zoo wat van Koen’s leeftijd was. Koen was
vijftien. Piet was dat volkomen met Koen eens, ofschoon hij met
vacanties geen steek meer te maken had, want Piet was al van school af.
Alleen bezocht hij ’s winters de avondschool en dat moet gezegd worden,
hij deed dat met plezier. Piet was dan ook alles behalve dom.
Berte had levenslange vriendschap gesloten met Mie, die net haar had
als uitgeplozen touw, ’n paar leutige blauwe oogen en ruwe werkhanden
al was ze pas dertien jaar. Bij de boeren kunnen de meisjes geen fijne
zachte handjes gebruiken. Mie was ’n leukert die de heele dag lachte en
zong. Deze wederzijdsche eeuwigdurende vriendschap werd bovendien
uitgestrekt tot Flip de cypersche poes, die meeliep als ’n hondje, al
ging je ook ’n uur ver de hei in of diep in het bosch. Hij ving jonge
konijnen alsof het muizen waren en hij zag nooit ’n kuiken voor ’n
huismusch aan. Flip was met Berte en Koen al heel gauw goeie maatjes
geworden. ’n Poes heeft het gauw in de gaten of je van katten houdt of
niet.
Piet moest natuurlijk mee al het boerenwerk doen, net zoo goed als
vader en de twee groote broers. Hij zou dat zelf niet anders gewild
hebben ook, want als hij met die groote broers gelijkop werkte
beschouwde hij zichzelf en zij hem als ’n ferme kerel. Ook zou vader
hem wel mores geleerd hebben, als hij z’n knuisten niet goed gebruikt
had.
Nu de Bruggemans er waren, had Piet ook zoo’n soort vrijaf, d.w.z. hij
werkte wel, maar er werden geen aanmerkingen gemaakt, als hij op
verzoek van Koen eens met die stadsche jongen meeging het bosch of de
hei in, of eens ’n werkje opzocht dat Koen graag deed. De boer liet dat
dan oogluikend toe en de anderen vonden het ook best, want m’nneer
Bruggemans betaalde goed.
Met Mie stond het net eender.
„Op die manier hebben er vier plezier,” zei de boer, „en het kost
niks.”
Maar toch gebeurde het wel dat Piet iets doen moest waar Koen geen
steek aan vond en dan trok hij er maar alleen op uit. Koen hield van
rondzwerven. Z’n vader vond wel, dat ie nu in de vacantie mooi de
gelegenheid had om eens flink wat te lezen, doch Koen meende, dat ie in
de vacantie geen boek in z’n handen behoorde te nemen. Hoe minder hij
in die tijd van boeken zag, des te beter. Na de vacantie lagen er
genoeg op hem te wachten.
Bij zoo’n gelegenheid trok hij er dan maar alleen op uit, soms met
Berte in ’t begin er bij, doch die keerde gewoonlijk nog al gauw terug
met Flip of ze bleef hier of daar met dat lieve dier in ’t mos liggen.
Bij zoo’n gelegenheid zwierf hij weer eens heel alleen in het
schemerige bosch. Daar groeiden meest dennen, dikke kanjers van boomen.
Maar er waren eiken en beuken genoeg en kreupelhout er onder om de
eentonigheid van ’n sparrebosch weg te nemen. Je kon je daar best in de
wildernis droomen, wat Koen dan ook onmiddellijk deed. Daarvoor moest
hij altijd alleen zijn, want met Piet er bij ging dat nu eenmaal niet.
Die jongen hield ook van het bosch, maar er ’n wildernis of ’n oerwoud
met wilde dieren en desnoods wilde menschen van droomen, daar zag hij
geen kans toe. Koen was er eens over begonnen, maar Piet had er niet
van terug, zooals Koen het uitdrukte. D’r waren geen wilde menschen en
geen wilde dieren en of je ze er bij dacht of niet, dat hielp allemaal
geen steek, wat er niet was dat kon je er ook niet bij denken.
„Weet je wàt er is?” zei Piet. „Als je heel stil zit en je hebt geduld
dan komen de eekhoorns vlak bij je en de reeën, maar om die dicht bij
je te krijgen, moet je als een beeld zoo bewegingloos zijn. En soms
komen er ook wilde zwijnen. Maar de geringste beweging verjaagt ze
allemaal. Ze vertrouwen de menschen geen steek.”
„Nou, daar hebben ze maar groot gelijk aan,” meende Koen. „Gewoonlijk
komen de menschen niet met de beste bedoelingen.”
„Nee, ze schieten er leelijk op,” zei Piet. „Maar ze zijn d’r voor.”
„Zoo, denk jij dat?”
„En of.”
Koen kon Piet geen gelijk geven. Hij vond het zonde om op die reeën te
schieten. Met de wilde varkens zat ie ’n beetje, vooral toen Piet hem
eens vertelde dat die zoo leelijk konden huishouden in de rogge en in
de boekweit. Maar Koen redde er zich nogal handig uit door toe te geven
dat in zoo’n geval sprake was van schadelijk gedierte en dat mocht je
gerust uitroeien.
Koen zat dus weer heel alleen in het schemerige bosch met z’n rug tegen
’n reus van ’n den, die op ’n hoogte stond. Dat was ’n pracht van ’n
plekje om op de eekhoorns en de rest te wachten.
De konijnen kwamen het eerst voor de dag. Die hadden hem misschien niet
zien aankomen, ofschoon het te vroeg op de dag was voor het algemeen
konijnenspel. Hij zag er dan ook maar ’n paar.
De eekhoorns, bruine en roode, hadden hem al bij z’n komst beloerd
achter de boomen vandaan. Maar toen hij zoo doodstil bleef zitten wel
’n kwartier lang, toen kregen ze wat meer vertrouwen in hem en lieten
zich al heel gauw dichterbij bekijken. Eerst stak er een vlak bij Koen
van de eene boom naar de andere over en klom toen ’n meter of wat
omhoog, verdween aan de achterkant en loerde met z’n kraaloogjes heel
slim om ’n hoekje. Daarna kwamen er meer en toen Koen ’n half uurtje
gezeten had, zonder ’n vin te verroeren, namen ze bijna geen notitie
meer van hem. Alleen maakten ze geen gebruik van de dikke den waartegen
Koen zat.
Daarna hoorde Koen ’n zacht gekraak. Hij had graag eens even om de boom
geloerd, want hij meende dat het geluid achter de boom vandaan kwam.
Maar dan verjoeg hij sekuur het beest, wat het dan ook zijn mocht. Nog
even wachten dus. Misschien kreeg hij het dan wel te zien.
Het was werkelijk ’n ree en wat Koen nog nooit gezien had, het was er
een met ’n reegeitje bij zich. Het moedertje keek angstvallig rond en
toen het Koen opmerkte, scheen het wel weg te willen springen. Het
kleine beestje bleef vlak achter het oude dier. De ree keek
nieuwsgierig naar Koen en scheen eindelijk de zaak niet zoo erg
gevaarlijk te vinden. Koen hield zich prachtig. Hij knipte haast niet
met z’n oogen. Maar ’t was ’n toer, want om de dieren goed te zien, had
hij z’n hoofd moeten bewegen.
Eindelijk stapte de ree met voorzichtige trippelpasjes, telkens ’n poot
hoog optillend vooruit en gevolgd door het kleintje wandelde het vlak
voor Koen heen. Nog nooit had ’n jongen zoo dichtbij ’n dier dat in ’t
wild leefde voor zich gezien, maar hij had ook nog nooit zoo
onbeweeglijk stil gezeten.
De twee dieren wandelden heel bedaard het kreupelhout in en Koen tuurde
strak naar het plekje, waar ze het hout waren ingegaan, om nog zoo lang
mogelijk iets van de beesten te zien. Dat was echter nog maar ’n
oogenblik en al spoedig hoorde hij ook al niets meer.
Koen zat nog altijd stil. Maar toen werd z’n nieuwsgierigheid te groot.
Hij wilde weten of de hertjes misschien onder die struiken waren gaan
liggen om ’n slaapje te doen. Heel stilletjes stond hij op en voetje
voor voetje naderde hij de plek, waar de ree met haar jong waren
verdwenen. Hij boog heel zacht de takken van het lage hout uit elkaar
en keek toen opeens nog verwonderder dan wanneer hij de dieren daar had
zien liggen.
Vlak voor hem onder de struiken lag ’n donker bruin leeren koffertje
met ’n koperen beslag dat al groen begon te worden. Het moest dus al ’n
tijdje in het bosch hebben gelegen.
Natuurlijk was Koen nieuwsgierig. Je vindt niet elke dag van die
koffertjes in de bosschen van de Veluwe. En vooral geen koffertjes die
er zoo fijn uitzien. Koen knielde op de plek neer en begon dadelijk
maar te probeeren of het open kon, wat gemakkelijk genoeg ging. ’t Was
niet gesloten.
Maar toen zag hij weer ’n ander koffertje, of eigenlijk ’n kistje van
donker bruin hout, ook met koper beslagen en heel fijn afgewerkt. Om
dit te kunnen openen, als het tenminste open te krijgen was, moest hij
het uit het leeren koffertje halen, wat ie ook onmiddellijk deed.
’t Zat sekuur op slot. Hij probeerde op alle manieren, die je bij zoo’n
gelegenheid aanwendt als je poogt ’n kistje of zoo iets open te maken
en die geen van alle baten. Een van die manieren is, dat je een voor
een je eigen sleutels in het slot tracht te passen ook al weet je van
te voren dat het toch niet helpt. Koen had twee sleuteltjes in z’n zak,
een van ’n teekendoos dat hij nooit van z’n leven nog gebruikt had en
een van het koffertje waarin hij z’n „spullen” meegenomen had voor de
reis. ’t Eene was veel te klein en ’t andere te groot.
Toen draaide hij het bruine kistje nog maar eens om en bekeek het weer
van alle kanten, voor de zooveelste maal natuurlijk, zette het daarna
voorzichtig, want het leek net ’n ding om voorzichtig te behandelen, op
de grond. Daarna nam hij het koffertje waar het kistje had in gezeten
weer ter hand en begon dat ding nog eens nauwkeurig te inspecteeren.
„Goeie idee,” dacht ie, „d’r zit nog meer in.”
In het koffertje was ’n soort zijzak en daaruit kwamen te voorschijn ’n
omslag met papieren er in en heel onderuit ’n sleutel.
Dat was de sleutel van het kistje, dat kon niet anders. Jawel, zoo was
het. Zonder moeite kreeg Koen het open.
Nou, de inhoud viel hem dan maar leelijk tegen. ’t Leek wel ’n soort
machine en wat er te zien kwam, was allemaal heel sekuur met schroefjes
vastgemaakt, zoodat je nog niet eens ’t plezier kon hebben die rommel
eens in je hand te nemen.
Wat het voor ’n machientje kon zijn, daar had Koen niet het flauwste
begrip van. D’r zijn zoo veel soorten van machines en Koen wist van die
dingen al heel weinig af. Hij zou het maar eens meenemen en het aan
vader laten zien. Die wist misschien wel wat het te beduiden had en
bovendien je moest toch probeeren de eigenaar, die het verloren of
vergeten had, op te sporen. Het leek tenminste kostbaar genoeg om er ’n
advertentie aan te wagen. Het geld dat je daaraan besteedde, kreeg je
dan later wel weer van de eigenaar terug.
„Maar wacht eens even,” dacht Koen, „misschien staat het wel in die zak
met papieren wie de eigenaar is.”
Hij ging nu tusschen de struiken zitten en maakte de omslag open. Hij
keek dadelijk of er geen naam op stond, maar die vond hij niet zoo
gauw. Toen bladerde hij eens om te zien of er soms geen naamkaartje
tusschen zat. Dat was ook mis.
Dan maar eens lezen wat er op die papieren geschreven was, misschien
gaf dat wel de oplossing.
’t Was engelsch.
Dat viel Koen ’n beetje tegen, want ofschoon hij al ’n paar jaar
engelsch leerde en er heel aardig mee terecht kon, had ie toch maar
liever gehad dat het hollandsch was geweest. Je komt in ’t engelsch
soms zulke rare woorden tegen en als je dan je woordenboek niet bij de
hand hebt, zit je soms leelijk d’r mee.
Hij kreeg zoo’n opwelling om ’t heele zaakje maar weer in ’t koffertje
te stoppen en ’t naar huis te sjouwen. Dan moest vader maar zien wat ie
er mee deed. Wat had hij nou aan die moeite om daar in dat mooie bosch
engelsch te gaan lezen.
Maar voor ie dat deed, keek hij toch eens even wat er boven stond, want
er was ’n opschrift. Toen ie ’t gelezen had, bekeek hij opeens weer met
groote belangstelling het kistje, dat nog altijd open voor hem stond.
Koen had eerst eens moeten nadenken eer hij van dat opschrift iets
maken kon, en daarna twijfelde hij nog of hij ’t wel goed begreep. Het
was ook lang geen alledaagsch woord. Hij maakte er van:
Verdwijn-machine. Maar wat was nou ’n verdwijn-machine? Hij had er
nooit van gehoord en toen hij het rare ding nog eens bekeek, kwam hij
tot de gevolgtrekking dat ie ’t woord waarschijnlijk wel verkeerd
vertaald zou hebben.
Om daar nu wat meer zekerheid van te hebben, begon hij maar te lezen
wat er in die papieren stond. In het begin snapte hij daar ook al niet
veel van. Doch hij las de zinnen herhaalde malen over, net zoo lang tot
hij meende te begrijpen wat er in stond, Er kwamen woorden in voor die
hij heelemaal niet door ’n hollandsch woord wist te vervangen. Maar
zooveel begreep hij er toch langzamerhand wel van, dat die machine
werkelijk iets te maken scheen te hebben met het verdwijnen van dingen,
die je met dat apparaat behandelde. En eindelijk, maar dat had wel ’n
uur moeielijk vertaalwerk gekost, meende hij begrepen te hebben hoe dat
in z’n werk ging.
Het was dus ’n ding om mee te goochelen. Koen had op school lang
geleden bij gelegenheid van ’n schoolfeest eens ’n goochelaar aan ’t
werk gezien en die had op dat gebied sterke toeren uitgehaald. Die had
ook dingen, stukken krijt en zoo laten verdwijnen en geen van de
jongens kon hem dat nadoen, hoe graag ze het ook gewild hadden. Koen
wist nog heel goed dat ie dagen daarna nog geprobeerd had ’n cent in
z’n mouw te laten verdwijnen, maar ’t was hem nooit gelukt. Nu met dat
kistje moest het heel wat gemakkelijker gaan. Je had maar ’n rooie knop
met het voorwerp dat verdwijnen moest in aanraking te brengen en dan
was het weg. Kleine voorwerpen waren in ’n ommezien verdwenen, doch bij
grootere duurde het wat langer.
Zoo had Koen het tenminste begrepen uit wat ie in die papieren gelezen
had.
Hij wou er dadelijk de proef van nemen.
En natuurlijk met ’n klein voorwerp, want dan kon hij spoedig het
resultaat zien. Hij zou het dus maar eens probeeren met dat kleine
sleuteltje van die teekendoos.
Hij nam het sleuteltje in de linkerhand. Met de rechter, verschoof hij
nu ’n koperen kruk. Hij had meenen te begrijpen, dat je dat eerst doen
moest en daarna hield hij de rooie knop, die aan ’n tamelijk dik koord
vastzat, tegen het sleuteltje aan.
In gespannen verwachting keek hij naar z’n sleutel. Luisteren deed hij
ook, maar de machine maakte niet het geringste geluid, geen gesnor of
gezoem, geen gebrom, geen geratel, geen gesuis, niets dat op eenig
geluid leek, kwam er uit het kistje.
Aanvankelijk merkte hij aan z’n sleuteltje niets en hij begon al te
gelooven dat er in die papieren maar wat onzin stond om lui die met het
gebruik van het machientje niets te maken hadden, op ’n dwaalspoor te
brengen.
Doch na ’n minuut of vijf leek het dat z’n sleutel begon te veranderen.
Maar dat kon ook evengoed verbeelding zijn. Hij zat er zoo strak op te
turen en misschien was het dus wel gezichtsbedrog. Maar het kwam hem
voor dat z’n sleutel bleeker werd, ’t leek niet meer op hard glimmend
metaal.
Koen kneep er eens stevig in. Want hij wilde het sleuteltje goed
vasthouden. Ze zouden hem d’r niet tusschen nemen al was het dan ook
nog zoo’n fijn uitgedacht goochelding, dat kistje. Dat bleeker worden
hield aan, maar het moest toch bepaald gezichtsbedrog zijn, want hij
voelde het sleuteltje nog evengoed. Het was nog net zoo hard als eerst.
Maar opeens was het weg, hij zag het niet meer.
Van schrik, tenminste het leek op schrik, liet hij die rooie knop los.
Het sleuteltje bleef evengoed onzichtbaar.
En toch voelde hij het tusschen z’n duim en vinger. Hij betastte het nu
ook met de vingers van z’n rechterhand. Jawel die voelden het ook. Het
was er dus nog.
Voorzichtig legde hij het onzichtbare sleuteltje in het deksel van het
tooverkistje, maar keek goed in welke hoek. Met zoo’n onzichtbaar ding
moest je oppassen anders was je het voor goed kwijt.
Koen stond op, om zich eens uit te rekken. Hij was stijf van dat
gehurkt zitten geworden. Maar na ’n halve minuut zat hij alweer op z’n
knieën bij het kistje en tastte voorzichtig naar z’n sleuteltje.
Gekke gewaarwording gaf dat toch, toen hij het ding weer voelde, ’n
ding dat je absoluut niet zien kon. Hij had er graag wat voor willen
geven als er iemand bij tegenwoordig geweest was, Piet bijvoorbeeld of
vader. Maar dat kon altijd nog gebeuren. Hij was heel niet van plan de
vondst van dat kistje geheim te houden. Hij zou nu maar met z’n
onzichtbare sleutel, naar huis gaan en de lui daar vertellen wat ie
ondervonden had. Het kistje nam hij liever zelf niet mee. Je kon nooit
weten. Het was misschien gevaarlijk. Wie weet of je dan zelf niet
verdween onderweg. Maar nee, dat kon toch weer niet zoolang je niet
voor langere duur in aanraking kwam met die rooie knop.
„Weet je wat,” besloot Koen, „ik probeer ’t eerst nog eens met ’n
grooter voorwerp en dan ga ik het vertellen aan vader.”
Hij sneed ’n flinke knuppel, deed er de zijtakjes af, schilde hem en
hield er de rooie knop tegen. Maar hij was nu erg voorzichtig met die
knop, want hij vond het toch wel ’n beetje gevaarlijk voorwerp.
’t Duurde veel langer dan bij het sleuteltje. ’t Moest minstens ’n
kwartier zijn eer hij verandering begon te bemerken. Doch daarna ging
het weer heel vlug en plotseling was ook de stok verdwenen d.w.z.
onzichtbaar, want hij had hem stevig in de hand.
’t Was wel degelijk ’n stok. Hij sloeg eens met het onzichtbare ding
tegen z’n been en dat kon ie wat goed voelen. Ook kon ie de stok buigen
als iedere andere stok. Het leek er dus veel op dat de stok slechts één
eigenschap verloren had, de zichtbaarheid.
Onder ’t terugwandelen naar de boerderij dacht hij er over na, dat het
toch ’n wonderbaarlijke geschiedenis was, dat hij daar nu liep met ’n
onzichtbare stok in z’n hand en ’n sleutel in z’n zak waar je evenmin
iets van in de gaten kon krijgen. Maar welbeschouwd, wat was er nu
eigenlijk voor vreemds aan? ’t Was onbegrijpelijk dat je met ’n machine
iets onzichtbaar kon maken, maar voor de rest stond het er mee, alsof
je ’n blinde was met ’n stok in de hand. ’n Blinde kon ook alleen de
dingen maar voelen. Als die bijv. z’n stok liet vallen, zooals het Koen
daar net overkwam, dan moest ie ook doen als Koen, namelijk op de tast
de stok probeeren terug te vinden. Liep je in ’n pikdonkere nacht, dan
was je er ook al niet veel beter aan toe.
Met zulke gedachten in z’n hoofd kwam Koen op de boerderij en de eerste
die hij daar tegen ’t lijf liep, was z’n vrind Piet.