Waarin de lezer iets verneemt van de nieuwste uitvinding van
professor Wells en er achter komt, dat er in Nederland rare dingen
gaan gebeuren.
Toen de wereldoorlog eindelijk uitgevochten was en de menschen genoeg
hadden van al het moorden, vernielen en verbranden, dat ze eenige jaren
achter elkaar tot groot verdriet van allen, die er aan deelnamen gedaan
hadden, begonnen ze weer zoo langzamerhand belang te stellen in minder
ijselijke dingen. Ze waren bezig de verwoeste landstreken weer te
bebouwen en de geruïneerde steden te hernieuwen. De scheepvaart en de
handel waren weer veilig en de groote onderzeeërs werden nu niet meer
gebruikt om argelooze schepen naar de kelder te sturen, maar deden
dienst als handelsvaartuigen. De knappe lui, die gedurende de oorlog
aldoor hadden gedacht aan het uitvinden van vernielingsmachines
gebruikten nu hun genie om dingen uit te vinden waar de wereld meer
plezier van beleefde.
Ze waren hevig aan ’t uitvinden gegaan, die knappe lui! Edison die voor
de oorlog verreweg de knapste onder de uitvinders geweest was, had
ondervonden, dat anderen hem de baas waren. Ze overvleugelden hem. Z’n
grootste konkurrent was ’n verbazend knappe kerel, de bekende professor
Daniël Wells, van Yale University, de beroemde universiteit, die de
geleerdste bollen en de pootigste voetballers van Amerika voortbrengt.
Niet van die tamme voetballers zooals wij ze kennen, maar echte
rugby-voetballers, die om ’n gebroken been net zooveel geven als ’n
gewone voetballer om ’n blauwe scheen.
Professor Wells had dozijnen uitvindingen gedaan waar heel Amerika
trotsch op was, maar zelf was hij het meest ingenomen met dat
verbazingwekkende verdwijn-apparaat, dat maar enkele menschen gezien
hadden en waar in Amerika de kranten kolommen en kolommen over hadden
volgeschreven, en de Europeesche dagbladen hadden er eveneens melding
van gemaakt, terwijl de geleerde tijdschriften in alle werelddeelen
zich er mee hadden ingelaten.
Natuurlijk waren de geleerden het er niet over eens. De een geloofde er
aan en de ander niet. Maar de algemeene opinie van de gewone menschen
was, dat ze de kat maar uit de boom zouden kijken en wachten, tot ze
dat gekke toestel zelf eens onder de oogen kregen.
Toen meldden de Amerikaansche kranten op ’n goeie dag, dat ’t nog wel
’n tijdje zou duren eer professor Wells er mee voor de dag kon komen,
want de helft van het verdwijn-apparaat was op geheimzinnige wijze zelf
verdwenen. Het kon nu wel ’n paar jaar aanloopen eer de professor die
verdwenen helft er weer had bijgemaakt. Zulke toestellen vervaardig je
maar niet in ’n vloek en ’n zucht.
„Wat is dat voor ’n ding?” vroegen de nieuwsgierigen, die slecht op de
hoogte waren. En ze lazen met verbazing dat het ’n machine was, waarmee
je heel eenvoudig ’n ding of ’n dier of zelfs ’n mensch onzichtbaar kon
maken.
„Neemaar, dat is nog nooit beleefd,” zeiden de meesten. „’t Is gewoon
onmogelijk!” Maar er waren dan wel anderen die begonnen uit te leggen,
dat het laten verdwijnen van iets al ’n heel, oud kunstje was. De
fakirs in Indië, ’n soort toovenaars, of alleen maar handige
goochelaars volgens de minder geloovigen, deden het voor duizend jaar
al. Die lieten je ’n geldstuk of wat anders zien en dan verdween het
voor je oogen. David Tobias Bamberg, de beroemde Nederlandsche
goochelaar, kon het ook. Maar die was eerlijk genoeg om je er bij te
vertellen, dat het maar ’n vingervlugheid was. Het ding was niet weg,
maar ’t zat hier of daar in zoo’n goochelaarszak, die David Tobias
Bamberg ongezien door de toeschouwers met z’n hand had weten te
bereiken om het horloge of het geldstuk er in te laten glijden. De
fakirs uit Indië lieten dus ’n voorwerp echt verdwijnen en grootvader
Bamberg maar in schijn. Die gaf het je na afloop weer terug.
Professor Wells was noch ’n fakir, noch grootpapa Bamberg. Hij was ’n
geleerde, voor wie de natuur geen geheimen kon verbergen al had ze het
ook nog zoo graag gedaan. Dat doet de natuur echter niet. Ieder die
zich de moeite getroosten wil ijverig te onderzoeken en na te speuren
kan alle geheimen der natuur doorgronden. En professor Wells was ’n
natuurvorscher zooals er maar weinig gevonden worden. Alles wist hij,
d.w.z. alles wat ’n mensch weten kan. Z’n hoofd was ’n magazijn van
natuurkunde, scheikunde, wiskunde en nog ’n boel kunden meer. Van
electriciteit was ie op de hoogte, als geen ander Amerikaan.
Werktuigkunde had ie onder de knie, zooals ’n jongen de tafels van
vermenigvuldiging.
’t Spreekt dus vanzelf, dat hij om iets te laten verdwijnen niet deed
als grootpapa Bamberg of als ’n fakir.
Eigenlijk verdwenen de dingen door zijn machine ook niet. De naam
verdwijn-machine was welbeschouwd glad verkeerd. De dingen verdwenen
heelemaal niet. Ze werden alleen maar onzichtbaar, en waren dan net als
de lucht, niet meer waar te nemen met onze oogen. ’n Tafel, die
professor Wells liet verdwijnen, stond nog net zoo stevig op z’n pooten
op dezelfde plek als voor de verdwijnkuur. Je kon het ding alleen maar
niet meer waarnemen, behalve als je er tegen aan liep.
’n Paar van z’n collega’s aan de universiteit van Yale hadden het
gezien met hun eigen oogen, hoe de professor zat te schrijven met ’n
onzichtbare pen. En die hadden het wereldkundig gemaakt. Ze noemden het
’n triomf der wetenschap en zoo meer. Nou knap was het, verbazend knap,
maar niemand begreep wat de menschen aan zoo’n malle uitvinding konden
hebben. Dat begreep professor Wells zelf ook niet. Hij had eens ’n
verbeterde naaimachine uitgevonden, waar ’n heele rol laken in ging en
er aan de andere kant uitkwam in de vorm van jassen of pantalons of wat
je maar wou, kant en klaar, met knoopen en al er aan. Dat was ’n
nuttige uitvinding en de kleermakers waren hem er dankbaar voor. Ze
maakten de naaimachine ’s morgen aan de gang en gingen dan zelf ’n pijp
zitten rooken. ’n Knechtje zorgde er voor dat de pakken, die er uit
kwamen, netjes opgevouwen werden. De kleermakers verdienden met die
machine hun loon op d’r lui sloffen.
Maar die verdwijn-machine! Wat had je daar nu aan?
Professor Wells liet de menschen maar praten, ’t Kon hem niet schelen
of iemand iets aan die machine had. Voor hem was het ’n uitvinding van
belang. De menschen mochten er om lachen, ze mochten er aan gelooven of
niet aan gelooven, dat liet hem koud. Hij was er van overtuigd, dat het
de grootste uitvinding was, die op aarde ooit was uitgevonden en dat
was hem genoeg.
Het is dus heel goed te begrijpen, dat professor Wells leelijk op z’n
neus keek toen op ’n morgen de helft van z’n wondermachine uit z’n
werkplaats, of liever uit z’n laboratorium verdwenen was.
En nog wel de voornaamste helft, namelijk die helft waarmee hij de
dingen onzichtbaar maakte. De andere helft deed dienst om de
onzichtbaar gemaakte voorwerpen zoo noodig weer voor gewone
menschenoogen aanschouwelijk te maken. Beide werktuigen waren ieder
opgeborgen in ’n stevig houten kistje en ze waren dus gemakkelijk mee
te nemen, want erg zwaar waren ze geen van beiden.
De dief of de dieven waren maar slecht bekend geweest met de
uitvinding, want dan hadden ze natuurlijk beide kistjes meegenomen. Nu
zat de professor met de onbruikbaarste helft. Want wat had ie aan ’n
werktuig waarmee hij dingen zichtbaar maken kon, als hij ze niet eerst
onzichtbaar kon laten worden?
Professor Wells, die wist hoeveel tijd er mee heenging om ’n nieuwe
machine te maken en daar waarschijnlijk ook erg tegen opzag, had
dadelijk de slimste detectives aan het werk gezet om te trachten de
verdwenen verdwijn-machine op te sporen. Het mocht kosten wat het
wilde, hij moest die terughebben. De dief mocht wat hem betrof op vrije
voeten blijven, als hij z’n kastje maar in bezit kreeg.
Natuurlijk verschenen er in alle dagbladen van Amerika en Europa
advertenties waarin ’n groote belooning werd uitgeloofd aan degene die
het kistje terugbezorgde. En zoo kwam het dat er allerwegen weer over
de rare uitvinding geschreven en gesproken werd.
In Yale waar de professor woonde en werkte, geloofde iedereen dat de
machine werkelijk bestond en gestolen was, maar hoe verder van die
universiteitsstad je kwam, hoe minder geloof aan de echtheid van de
uitvinding je er vond. In ons land bijvoorbeeld waren er geen tien
menschen die er ’n woord van geloofden. Ze vonden het heele verhaal van
die verdwijn-machine ’n mop. En ze meenden dat die professor Wells het
heel slim overlegd had door nu maar rond te vertellen dat het ding
gestolen was. Op die manier redde hij zich er aardig uit.
Maar die ongeloovige Hollanders vermoedden niet, dat de wondermachine
door ’n paar internationale gauwdieven juist naar hun land gebracht was
en dat professor Wells dank zij de slimme Amerikaansche detectives, de
dieven reeds op het spoor was en zich gereed maakte om met ’n paar van
de meest gewiekste politiespeurders de oceaan even over te steken.