KONINGIN MARGARETHA. Gij looze, booze Warwick, ’t was uw plan,
Mijn bede door deze’ echt te doen mislukken;
Vóór uwe komst was Lood’wijk Hendriks vriend.
KONING LODEWIJK. En blijft dit steeds voor hem en Margaretha;
Maar is uw recht op Englands kroon zoo zwak,
Als nu uit Edwards slagen schijnt te blijken,
Dan is het billijk, dat ik van de hulp
Ontheven zij, voorheen u toegezegd.
Doch reek’nen kunt gij steeds op elken dienst,
Dien gij behoeft en ik verleenen kan.
WARWICK. Recht naar zijn wensch leeft Hendrik thans in Schotland,
Waar hij, niets hebbend, niets verliezen kan.
En gij, gewezen koningin van England,
Hebt hier uw vader om voor u te zorgen;
Hem moest gij, eer dan Frankrijk, lastig vallen.
KONINGIN MARGARETHA. Zwijg, onbeschaamde, drieste Warwick, zwijg,
Gij trotsche koningsschepper en verdelger!
Ik ga niet heen, eer ik door woord of tranen,
Vol waarheid beide, Koning Lood’wijk toon,
Hoe valsch gij zijt, hoe voos uws vorsten liefde;
Want vogels zijt ge beî van eender veeren.
(Horengeschal.)
KONING LODEWIJK. Warwick, een renbode is ’t voor u of mij.
(Een Bode komt op.)
BODE. (Tot Warwick.) Ik breng, heer afgezant, een brief u over,
Van uwen broeder, markgraaf Montague;—
(Tot Lodewijk.) Aan uwe majesteit van onzen koning;—
(Tot Margaretha.) Deze’, eedle vrouw, aan u; ’k weet niet van wien.
(Allen lezen hun brieven).
OXFORD. Recht goed, dat onze schoone meesteres
Bij ’t lezen glimlacht, Warwick somber kijkt.
PRINS EDWARD. En zie, de koning stampvoet, als geprikkeld;
Ik hoop er ’t beste van.
KONING LODEWIJK. Nu, Warwick, spreek!
Wat meldt uw brief? en de uwe, koningin?
KONINGIN MARGARETHA. Mijn brief vervult mij onverwachts van hoop.
WARWICK. De mijne brengt mij veel verdriet en kommer.
KONING LODEWIJK. Wat! heeft uw koning Lady Grey gehuwd? 174
En zendt hij, om zijn valschheid te verschoonen
En de uwe, een brief, die mij tot kalmte maant?
Is dit de band, dien hij met Frankrijk zoekt?
En waagt hij ’t, ons op deze wijs te hoonen?
KONINGIN MARGARETHA. Ik heb het aan uw majesteit voorspeld;
Daar ziet gij Edwards liefde en Warwick’s eer.
WARWICK. Hier, koning Lood’wijk, zweer ik, voor den hemel,
En bij mijn hoop op ’s hemels heil, dat ik
Geen deel heb aan dit smaad’lijk doen van Edward,—
Mijn vorst niet meer, omdat hij mij onteert,
Doch meer zichzelf, zoo hij zijn schande zag.
Heb ik vergeten, dat door ’t huis van York
Mijn vader voor zijn tijd den dood moest lijden?
Gezwegen bij de onteering van mijn nicht?
Zijn hoofd omgeven met de koningskroon?
Vorst Hendrik van zijn erflijk recht verstoken?
En word ik in het eind met schimp beloond?
Schimp op hemzelf! want eer is ’t, wat mij toekomt,
Die hij mij roofde; en om die weer te winnen,
Verzaak ik hem en kom terug tot Hendrik.
Doorluchte vrouw, begraaf uw ouden wrok;
Want nu ben ik voortaan uw trouwe dienaar.
Wat hij aan jonkvrouw Bona aandeed, weet ik,
En Hendrik breng ik op zijn ouden troon.
KONINGIN MARGARETHA. Warwick, die taal verkeert mijn haat in liefde;
En ik vergeef, vergeet alle oude schuld,
Verheugd, dat gij de vriend van Hendrik zijn wilt.
WARWICK. Zoozeer zijn vriend, zijn ongeveinsde vriend,
Dat, zoo ons koning Lood’wijk enk’le scharen
Van uitgelezen krijgsvolk toe wil staan,
Ik op mij neem, op onze kust te landen,
Door krijg den dwing’land van den troon te storten.
Zijn pas verkoren vrouw brengt hem geen baat;
En Clarence is, gelijk mijn brief mij meldt,
Waarschijnlijk op het punt hem te verzaken,
Wijl wulpsche lust dien echt sloot, meer dan eer,
Dan veiligheid of sterkte van ons land.
BONA. Mijn broeder, hoe zal Bona wrake vinden,
Zoo gij deze arme koningin niet steunt?
KONINGIN MARGARETHA. Doorluchte vorst, hoe kan mijn Hendrik leven,
Zoo gij hem niet uit zijn vertwijfling redt?
BONA. Mijn strijd en die der koningin zijn een.
WARWICK. En ook de mijne is een er mee, prinses.
KONING LODEWIJK. Bij dien van u, van haar, van Margaretha,
Sluit ik mij aan. Kortom, ik nam ten laatste
Het vast besluit, dat gij mijn hulp erlangt.
KONINGIN MARGARETHA. Laat mij voor allen u eerbiedig danken.
KONING LODEWIJK. Dus, Englands bode, spoed u heen, en zeg 222
Den valschen Edward, uw vermeenden koning,
Dat Lood’wijk hem speellieden zenden zal,
Die ’t jonge paar een dansje zullen veed’len.
Gij ziet, hoe ’t staat; verschrik uw vorst er mee.
BONA. Zeg hem: ik draag, wijl ik dra weduw’naar
Hem hoop te zien, om hem den wilgekrans.
KONINGIN MARGARETHA. Zeg hem: ik heb mijn treurkleed afgelegd
En sta gereed, het harnas aan te gespen.
WARWICK. Zeg hem van mij: zwaar heeft hij mij gekrenkt,
En ik ontruk de kroon hem, eer hij ’t denkt.
Hier, neem uw loon, en ga!
(Hij reikt hem een beurs toe; de Bode af.)
KONING LODEWIJK. Ja, Warwick, gij,
En Oxford, en vijfduizend man met u,
Steekt over en bestrijdt den valschen Edward;
En, zoo het wenschlijk blijkt, zal de eed’le vrouwe,
Alsook de prins, met versche troepen volgen.
Doch hef mij, eer gij gaat, één twijfel op:
Wat is uw borgtocht voor uw hechte trouw?
WARWICK. Dit moge u ’t pand zijn van mijn vaste trouw:
Indien mijn koningin en prins het willen,
Zal ik mijn roem en vreugd, mijn oudste dochter,
Terstond met hem door heil’gen echt verbinden.
KONINGIN MARGARETHA. ’k Zeg ja hierop en dank u voor dit voorstel.
Zoon Edward, zij is deugdzaam, jong en schoon;
Dies, aarzel niet, maar geef uw hand aan Warwick,
En met de hand uw onverbreek’lijk woord,
Dat enkel Warwick’s dochter de uwe wordt.
PRINS EDWARD. Volgaarne aanvaard ik haar, want zij verdient het;
En hiervoor zij mijn hand het onderpand.
(Hij reikt aan Warwick de hand.)
KONING LODEWIJK. Wat dralen wij? Men breng’ de krijgers saam,
En gij, Bourbon, groot-admiraal des rijks,
Zult zelf met onze vloot hen overbrengen.—
Zij nederlaag en dood nu Edwards lot,
Die Frankrijks vrouwen hoont door zulk een spot!
(Allen af, behalve Warwick.)
WARWICK. Als afgezant van Edward kwam ik hier,
Doch ga terug als zijn gezworen vijand.
Hij gaf mij last, een huw’lijk te bemidd’len,
Maar booze krijg is ’t antwoord op zijn aanzoek.
Kon hij dan mij alleen tot stroopop kiezen?
Goed; ik alleen verkeer zijn scherts in leed.
Ik was de man, die hem ten troon verhief;
Ik wil de man zijn, die hem vallen doet.
Niet, dat ik Hendriks nood betreur of tel,
Doch straffen wil ik Edwards guichelspel.
(Warwick af.)