KONINGIN MARGARETHA. Als dit geschiedt, is ’t uit met Hendriks hoop. 58

WARWICK (tot Bona). En, eed’le jonkvrouw, van des konings wege

Moet ik, met uw verlof en gunst, ootmoedig

De hand u kussen en u met mijn tong

Den gloed beschrijven van mijns meesters hart,

Waar pas de faam, in ’t waakzaam oor hem dringend,

Het beeld van uwe schoonheid grifte en deugd.

KONINGIN MARGARETHA. Vorst Lood’wijk, jonkvrouw Bona, hoort mij aan,

Aleer gij Warwick antwoord geeft. Zijn aanzoek

Spruit niet uit Edwards echtgemeende liefde,

Alleen uit arglist, door den nood verwekt;

Want een tyran, hoe vindt hij rust te huis,

Als hij zich geen uitheemsche vrienden koopt?

Dat hij tyran is, blijkt reeds hieruit duid’lijk,

Dat Hendrik leeft; en ware die gestorven,

Hier staat prins Edward, koning Hendriks zoon.

Zorg, Lood’wijk, dus, dat dit verbond, deze echt,

Geen oneer en gevaar brenge op uw hoofd;

Want een geweld’naar moge een wijle heerschen,

God is gerecht, de tijd wiedt onrecht uit.

WARWICK. Smaadzieke Margaretha!

PRINS. Waarom niet koningin?

WARWICK. Uws vaders rang is aangematigd, gij

Zoo min een prins, als zij een koningin.

OXFORD. Dus, Warwick doet den grooten Jan van Gent,

Die Spanjes grootste deel bedwong, te niet,

En voorts, na Jan van Gent, den vierden Hendrik,

Der wijsheid spiegel voor den wijsten zelfs,

En, na dien wijzen vorst, den vijfden Hendrik,

Wiens heldenkracht gansch Frankrijk heeft veroverd;

Van deze reeks stamt onze Hendrik af.

WARWICK. Oxford, van waar, dat deze uw gladde rede

Ons niet vermeld heeft, hoe de zesde Hendrik

Al wat de vijfde Hendrik won, verloor?

Niet zonder glimlach hooren ’t, dunkt mij, hier

De Fransche pairs;—en voorts, een stamboom noemt gij

Van twee-en-zestig jaar,—een tijd van niets

Om troonbezit als oud, verjaard, te vesten.

OXFORD. Kan Warwick ’t recht des konings wraken, wien hij

Nu zes-en-dertig jaar gehoorzaamd heeft,

En zijn verraad zelfs door geen blos erkennen?

WARWICK. Kan Oxford, steeds een strijder voor het recht, 98

Onwaarheid dekken met het schild eens stambooms?

Laat Hendrik varen en noem Edward koning.

OXFORD. Hem koning noemen, door wiens schand’lijk vonnis

Mijn ouder broeder, burggraaf Aubrey Vere,

Ter dood gebracht werd? meer nog, ook mijn vader,

En dat in ’s ouderdoms verval, toen reeds

Natuur hem aan de poort des doods gevoerd had?

Neen, Warwick, neen; zoolang deze arm nog kracht heeft,

Wijdt hij zijn kracht aan ’t huis van Lancaster.

WARWICK. En ik aan ’t huis van York.

KONING LODEWIJK. Gelieve, koningin, prins Edward, Oxford,

Op ons verzoek een poos ter zij te treden,

Terwijl ik nader met graaf Warwick spreek.

KONINGIN MARGARETHA. God geve, dat diens taal hem niet beheks’!

(Zij treedt met Prins Edward en Oxford ter zijde.)

KONING LODEWIJK. Nu, Warwick, zeg me, op uw geweten af,

Is Edward waarlijk koning, want ik knoop

Geen vriendschap aan, dan met een wettig vorst.

WARWICK. Mijn eer en woord verpand ik, dat hij ’t is.

KONING LODEWIJK. Maar heeft hij wijding in het oog des volks?

WARWICK. Te meer, wijl Hendrik ongeluk steeds had.

KONING LODEWIJK. Zeg nu dan, zonder veinzerij, mij eerlijk

De mate van de liefde, die hij voedt

Voor onze zuster.

WARWICK. Zoo doet die zich voor,

Als zij een vorst, gelijk hij is, betaamt.

Vaak hoorde ikzelf hem zeggen en bezweren;

Een eeuw’ge plant was deze zijne liefde,

Die in den grond der deugd haar wortels heeft,

Wier loof en vrucht groeit in de zon der schoonheid.

Geen laster duchtend, slechts een spijtig neen,

Tot jonkvrouw Bona uitkomst hem verleen’.

KONING LODEWIJK. Doe, zuster, thans ons uw beslissing hooren.

BONA. Uw ja of neen zal ook het mijne zijn;

(Tot Warwick.) Doch ik belijd, dat vaak voor dezen reeds,

Als ik uws konings gaven hoorde roemen,

Mijn oor mijn rede tot verlangst verlokte.

KONING LODEWIJK. Dan, Warwick, zij mijn zuster Edwards gade;

En tevens worde nu ’t verdrag ontworpen

Omtrent den weduwschat, dien England toekent,

Waaraan haar bruidsgift evenredig zij.—

Treed nader, koningin, en wees getuige,

Dat Bona wordt verloofd aan Englands koning.

Koning Hendrik de Zesde · 第 136 / 165 题