ZEVENDE TOONEEL.

Aldaar. Smithfield.

Krijgsgedruisch. Van de eene zijde komt op Jack Cade met zijn volk; van

de andere zijde Burgers en koninklijke Troepen, aangevoerd door

Matthias Gough. Zij vechten; de Burgers worden op de vlucht gedreven en

Matthias Gough valt.

CADE. Zoo, mannen.—Nu eenigen van u op weg en het Savooische huis

neêrgehaald; anderen naar de gerechtshoven; alles voor den grond!

DICK. Ik heb een verzoek aan uw heerlijkheid.

CADE. Al was het een heerlijkheid, voor dit woord zult gij die hebben.

DICK. Alleen, dat de wetten van Engeland voortaan uit uw mond mogen

komen.

JOHN (ter zijde). Duivels, dat zullen aangestoken wetten zijn, want hij

is in den mond gestoken met een speer en nog niet genezen.

SMITH (ter zijde). Neen, John, stinkende wetten zullen het wezen, want

hij stinkt uit den mond naar gerooste kaas.

CADE. Ik heb er over nagedacht; het zal zoo zijn. Op! verbrandt al de

besluiten van het rijk; mijn mond zal het parlement van Engeland wezen.

JOHN (ter zijde). Dan zullen wij wel bijtende wetten krijgen, als hem

zijn tanden niet uitgetrokken worden.

CADE. En van nu af zullen alle goederen gemeen zijn.

(Een Bode komt op.)

BODE. Mylord, een vangst! een vangst! Daar komt lord Say, die de steden

in Frankrijk verkocht heeft, die ons een-en-twintig maal den

vijftienden penning heeft laten betalen en een schelling van het pond

bij de laatste oorlogsschatting.

(George Bevis komt op, met Lord Say.)

CADE. Goed, daar zal hij tien keer voor onthoofd worden.—Zoo, gij Say,

gij saai, gij sajetlord, nu zijt gij binnen schot voor onze koninklijke

rechtspraak. Wat kunt gij aan mijn majesteit er op antwoorden, dat gij

Normandije aan Monsieur Baesimeku, den dauphijn van Frankrijk, hebt

overgegeven? Kond en kenn’lijk zij u door dezen, dat is door dezen lord

Mortimer, dat ik de bezem ben, die het hof schoon moet vegen van zulke

vuilnis als gij zijt. Gij hebt hoogstverraderlijk de jeugd van dit rijk

verdorven door het oprichten van een Latijnsche school, en terwijl

voordezen onze voorvaders, vroeger, geen andere boeken hadden dan het

keepmes en den kerfstok, hebt gij het drukken in zwang gebracht en, tot

inbreuk op den koning, zijn kroon en waardigheid, een papiermolen

gebouwd. Het zal u in uw gezicht bewezen worden, dat gij mannen om u

heen hebt, die plegen te praten van naamwoorden en van werkwoorden en

meer zulke afschuwelijke woorden, die geen christenoor kan uitstaan.

Gij hebt vrederechters benoemd, om arme drommels voor zich te roepen

over dingen, waar zij niet op konden antwoorden. Bovendien hebt gij die

in de gevangenis gezet, ja, en opgehangen, omdat zij niet konden lezen,

terwijl ze daarom juist verdiend hadden te leven. Gij rijdt met een

schabrak, is het zoo niet?

Koning Hendrik de Zesde · 第 89 / 165 题