Aldaar. Smithfield.
Krijgsgedruisch. Van de eene zijde komt op Jack Cade met zijn volk; van
de andere zijde Burgers en koninklijke Troepen, aangevoerd door
Matthias Gough. Zij vechten; de Burgers worden op de vlucht gedreven en
Matthias Gough valt.
CADE. Zoo, mannen.—Nu eenigen van u op weg en het Savooische huis
neêrgehaald; anderen naar de gerechtshoven; alles voor den grond!
DICK. Ik heb een verzoek aan uw heerlijkheid.
CADE. Al was het een heerlijkheid, voor dit woord zult gij die hebben.
DICK. Alleen, dat de wetten van Engeland voortaan uit uw mond mogen
komen.
JOHN (ter zijde). Duivels, dat zullen aangestoken wetten zijn, want hij
is in den mond gestoken met een speer en nog niet genezen.
SMITH (ter zijde). Neen, John, stinkende wetten zullen het wezen, want
hij stinkt uit den mond naar gerooste kaas.
CADE. Ik heb er over nagedacht; het zal zoo zijn. Op! verbrandt al de
besluiten van het rijk; mijn mond zal het parlement van Engeland wezen.
JOHN (ter zijde). Dan zullen wij wel bijtende wetten krijgen, als hem
zijn tanden niet uitgetrokken worden.
CADE. En van nu af zullen alle goederen gemeen zijn.
(Een Bode komt op.)
BODE. Mylord, een vangst! een vangst! Daar komt lord Say, die de steden
in Frankrijk verkocht heeft, die ons een-en-twintig maal den
vijftienden penning heeft laten betalen en een schelling van het pond
bij de laatste oorlogsschatting.
(George Bevis komt op, met Lord Say.)
CADE. Goed, daar zal hij tien keer voor onthoofd worden.—Zoo, gij Say,
gij saai, gij sajetlord, nu zijt gij binnen schot voor onze koninklijke
rechtspraak. Wat kunt gij aan mijn majesteit er op antwoorden, dat gij
Normandije aan Monsieur Baesimeku, den dauphijn van Frankrijk, hebt
overgegeven? Kond en kenn’lijk zij u door dezen, dat is door dezen lord
Mortimer, dat ik de bezem ben, die het hof schoon moet vegen van zulke
vuilnis als gij zijt. Gij hebt hoogstverraderlijk de jeugd van dit rijk
verdorven door het oprichten van een Latijnsche school, en terwijl
voordezen onze voorvaders, vroeger, geen andere boeken hadden dan het
keepmes en den kerfstok, hebt gij het drukken in zwang gebracht en, tot
inbreuk op den koning, zijn kroon en waardigheid, een papiermolen
gebouwd. Het zal u in uw gezicht bewezen worden, dat gij mannen om u
heen hebt, die plegen te praten van naamwoorden en van werkwoorden en
meer zulke afschuwelijke woorden, die geen christenoor kan uitstaan.
Gij hebt vrederechters benoemd, om arme drommels voor zich te roepen
over dingen, waar zij niet op konden antwoorden. Bovendien hebt gij die
in de gevangenis gezet, ja, en opgehangen, omdat zij niet konden lezen,
terwijl ze daarom juist verdiend hadden te leven. Gij rijdt met een
schabrak, is het zoo niet?