SMITH (ter zijde). Voor het zwaard behoeft hij niet bang te wezen, want
zijn plunje is beproefd, door langen dienst. 65
DICK (ter zijde). Maar vuur, dunkt mij, daar moet hij beducht voor
zijn, want hij is in de hand gebrand voor het stelen van schapen.
CADE. Houdt u dus dapper, want uw opperhoofd is dapper, en zweert u,
dat hij alles hervormen zal. Zeven halvestuiversbroodjes zullen in
Engeland een stuiver gaan kosten; een drinkkan van drie hoepels hoog
zal van tien hoepels zijn en ik zal het voor hoogverraad verklaren,
scharrebier te drinken. Het geheele rijk zal één gemeenteweide worden,
en op Cheapside zal mijn staatsiepaard gaan grazen. En als ik koning
ben,—want koning zal ik zijn,—
ALLEN. God behoede uw majesteit!
CADE. Ik dank u, mijn goed volk;—dan zal er geen geld meer zijn; allen
zullen op mijn kosten eten en drinken; en ik wil ze allen in één livrei
kleeden, opdat zij overeenstemmen als broeders en mij als hun heer
vereeren.
DICK. Als het eerste wat wij doen, willen wij alle advocaten doodslaan.
CADE. Ja, dat is mijn plan. Is het niet erbarmelijk, dat er van het vel
van een onnoozel lam perkament gemaakt wordt? en dat perkament, als het
bekrabbeld is, een mensch kan te niet doen? Men zegt, dat de bij
steekt, maar ik zeg, de bijenwas doet het, want ik heb maar eens in
mijn leven iets bezegeld, en na dat uur was ik nooit meer mijn eigen
meester. Wat is dat? wien hebt gij daar?
(Een troepje volks komt aan, met den Klerk van Chatham.)
SMITH. De klerk van Chatham; hij kan lezen en schrijven en rekeningen
opmaken!
CADE. O, afschuwelijk!
SMITH. Wij hebben hem betrapt op het maken van schrijfvoorbeelden voor
zijn jongens.
CADE. ’t Is een schurk.
SMITH. Hij heeft een boek in den zak met roode letters er in.
CADE. Wel, dan is hij een duivelbezweerder.
DICK. Ja, en hij kan verbintenissen opmaken en hij kan schrijven als
een advocaat.
CADE. Het spijt mij; de man ziet er knap uit, op mijn woord; als ik hem
niet schuldig vind, zal hij niet sterven.—Kom hier, knaap, ik moet u
verhooren. Hoe is uw naam?
KLERK. Emanuël.
DICK. Dat zetten ze allen boven aan hun schrijverijen.—Het zal slecht
met u afloopen.
CADE. Laat mij begaan. Zijt gij gewoon uw naam te schrijven, of hebt
gij een handmerk, zooals een eerlijk en eenvoudig man?
KLERK. Goddank, heer, ik ben zoo opgevoed, dat ik mijn naam kan
schrijven. 113
ALLEN. Hij heeft bekend; weg met hem! hij is een schurk en een
verrader.
CADE. Weg met hem, zeg ik; hangt hem op, met zijn pen en inktpot om
zijn hals.
(Eenigen af met den Klerk.)
(Michaël komt op.)
MICHAËL. Waar is onze generaal?
CADE. Hier ben ik, enkele kerel.
MICHAËL. Vlucht, vlucht, vlucht! Sir Humfried Stafford en zijn broeder
zijn hier vlak bij, met het krijgsvolk van den koning.
CADE. Blijf staan, schavuit, blijf staan, of ik houw u neer. Hij zal
een man vinden zoo goed als hijzelf. Hij is niet meer dan ridder, niet
waar?
MICHAËL. Juist.
CADE. Om met hem gelijk te staan, zal ik mijzelf terstond tot ridder
maken. Kniel neder, Mortimer. (Hij knielt.)—Sta op, Sir John
Mortimer.—(Hij rijst op.) Nu op hem los.
(Sir Humfried Stafford en zijn broeder William komen met slaande
trommen en met troepen op.)
STAFFORD. Oproerig vee, afval en schuim van Kent,
Rijp voor de galg, legt fluks de wapens neer;
IJlt naar uw hutten en verlaat dien knecht.
De koning is genadig, zoo gij afvalt.
WILLIAM STAFFORD. Doch toornig, boos en bloedig in zijn wraak,
Zoo gij volhardt; dus, geeft gehoor, of sterft.
CADE. ’k Let niet op deze in zij gekleede slaven;
Ik spreek daarom tot u, goed volk, waarover
Ik weldra koning hoop te zijn; want, zeker,
Ik ben rechtmatig erfgenaam der kroon.
STAFFORD. Hondsvot, uw vader was een metselaar;
Gij zelf zijt lakenscheerder, zijt ge niet?
CADE. En Adam was een spitter.
WILLIAM STAFFORD. Nu, wat wilt gij?
CADE. Dit: Edmund Mortimer, graaf March, was man
Der dochter van den hertog Clarence, niet?
STAFFORD. ’t Is waar.
CADE. En zij schonk hem twee kind’ren te gelijk.
WILLIAM STAFFORD. Niet waar.
CADE. Dat is de vraag juist; ìk zeg, dat het waar is.
Het oudste van de twee, dat bij een min was,
Werd toen gestolen door een beed’laars vrouw;
Het kende zijn geboorte en afkomst niet,
En ’t werd, toen het tot jaren kwam, een mets’laar.
Zijn zoon ben ik; ontken dit, als gij kunt.
DICK. Ja, ja, ’t is waar; en daarom wordt hij koning.
SMITH. Heer, hij heeft in mijns vaders huis een schoorsteen gebouwd, en
de baksteenen zijn nog in leven om het te getuigen; daarom, ontken het
niet. 158
STAFFORD. En schenkt gij aan dien lagen knecht geloof,
Die spreekt, en zelf niet weet, wat hij vertelt?
ALLEN. Ja, zeker doen wij ’t; daarom, scheert u weg!
WILLIAM STAFFORD. Dit heeft, Jack Cade, u hertog York geleerd.
CADE (ter zijde). Hij liegt, want ik heb zelf het uitgedacht.—(Luid).
Weg, kerel, en zeg den koning van mijnentwege, dat ik om zijns vaders
wil, Hendrik den Vijfden, in wiens tijd de jongens duitenwerpen
speelden met Fransche kronen, er genoegen mee neem, dat hij blijft
regeeren; maar ik wil protector over hem zijn.
DICK. En verder willen wij Lord Say zijn hoofd hebben, omdat hij het
hertogdom Maine verkocht heeft.
CADE. En dat is recht, want daardoor is Engeland verminkt en zou met
een kruk moeten loopen, als mijn macht het niet op de been hield. Gij
medekoningen, ik zeg u, dat die lord Say den staat ontmand en tot een
gesnedene gemaakt heeft. En nog erger dan dit: hij kan Fransch spreken
en dus is hij een verrader.
STAFFORD. O grove, diep rampzaal’ge onwetendheid!
CADE. Neen, antwoord als gij kunt: de Franschen zijn onze vijanden; nu,
dan vraag ik alleen: kan hij, die met de tong van den vijand spreekt,
een goed raadsman zijn, ja of neen?
ALLEN. Neen, neen; en daarom eischen wij zijn hoofd.
WILLIAM STAFFORD. Nu dan, wijl zachte woorden niets vermogen,
Zoo grijp hen met des konings heermacht aan.
STAFFORD. Ga heen, heraut, roep uit in elke stad,
Dat Cade en wie hem volgt verraders zijn;
Zoodat men hen, die vluchten bij ’t gevecht,
Voor de oogen zelfs van hunne vrouw en kinders,
Tot voorbeeld hangen zal in hunne deur.—
En wie des konings vriend is, volge mij!
(De beide Staffords met hun troepen af.)
CADE. En wie een vriend van ’t volk is, volge mij!—
’t Geldt onze vrijheid, toont daarom u mannen.
Wij willen lord noch jonker sparen, niemand,
Dan die in zwaarbeslagen schoenen loopt.
Want dat is vlijtig, wakker volk; zij kozen,
Als zij maar durfden, zeker onzen kant.
DICK. Zij zijn daar al in orde en komen op ons af.
CADE. Maar wij zijn het best in orde, als wij een en al wanorde zijn.
Komt, vooruit! voorwaarts!
(Allen af.)