Sint-Albaans.
Koning Hendrik, Koningin Margaretha, Gloster, de Kardinaal en Suffolk
komen op, met Valkeniers, die de valken toeroepen.
KONINGIN MARIA. Zulk vluchtbedrijf op waterwild, mylords,
Geloof mij, zag ik in geen zeven jaar;
En toch, de wind was sterk; tien tegen een,
Dacht ik, dat de oude Hans niet wederkwam.
KONING HENDRIK (tot Gloster). Wat nam uw valk, mylord, een vaart naar
boven,
En steeg ver boven al die andren op!
Hoe toont zich God in al zijn creaturen!
Ja, mensch en vogel, alles stijgt liefst hoog!
SUFFOLK. Geen wonder, met verlof van uwe hoogheid,
Dat des protectors valken zoo goed stijgen;
Zij weten, dat hun heer liefst boven is,
En met zijn geest nog hooger stijgt dan valken.
GLOSTER. Mylord, het is een lage, logge geest,
Die niet veel hooger stijgt dan vogels vliegen.
KARDINAAL. Ja, ’k dacht wel, hooger dan de wolken streeft hij.
GLOSTER. En gij, lord kardinaal, vondt gij ’t niet schoon,
Als ge u verheffen kondt tot in den hemel?
KONING HENDRIK. De stapelplaats van de’ eeuw’gen vreugdeschat!
KARDINAAL. Uw hemel is op aard; uw oog en zin 19
Jaagt naar een kroon,—die is uws harten schat;
Gevaarlijke protector, booze pair,
Die rijk en vorst door vleiend doen bedriegt!
GLOSTER. Wat kardinaal, uw priesterschap zoo heftig?
Tantæne animis cælestibus iræ?
Een paap zoo woest? kom, oom, verberg uw wrok:
Kunt gij met zooveel heiligheid dit niet?
SUFFOLK. Geen wrok is ’t, heer, niet meer dan passend is
Bij zulk een goede zaak en slechten pair.
GLOSTER. Als wie, mylord?
SUFFOLK. Voorwaar als gij, mylord,
Zoo ’t uw beschermheers-heerschzucht kan behagen.
GLOSTER. Nu, Suffolk, England kent uw driestheid wel.
KONINGIN MARGARETHA. Veel meer uw eerzucht, Gloster.
KONING HENDRIK. Lieve vrouw,
Zwijg stil en zet die woeste pairs niet aan;
Gezegend zij, die vrede op aarde stichten.
KARDINAAL. Gezegend zij dan ik, die met het zwaard
Den vrede aan den protector brengen wil.
GLOSTER (ter zijde tot den Kardinaal). Nu, heilige oom, mocht het eens
daartoe komen!
KARDINAAL (ter zijde tot Gloster). Goed, als gij durft!
GLOSTER (ter zijde). Goed, geen oproer’ge bende in ’t veld gebracht;
Houd met uw eigen lijf den laster vol!
KARDINAAL (ter zijde). Nu, zoo ge u niet verschuilt,—indien gij durft,
Van avond dan aan de’ oostkust van het bosch.
KONING HENDRIK. Wat is er, lords?
KARDINAAL. Neef Gloster, neen, uw dienaar
Riep al te vroeg den valk terug; de jacht
Was lang niet uit.—(Ter zijde tot Gloster.) Kom met uw
tweehands-zwaard.
GLOSTER. Gij hebt gelijk, oom.
KARDINAAL (ter zijde). Gij weet het nu? aan de’ oostkant van het bosch.
GLOSTER (ter zijde). ’k Ontmoet u, kardinaal.
KONING HENDRIK. Wat hebt ge, oom Gloster?
GLOSTER. Wij spraken van de jacht, mijn vorst; niets anders.
(Ter zijde.) Nu, bij Gods moeder, paap, ik scheer uw kruin;
Of anders is mijn vechtkunst niets. 52
KARDINAAL (ter zijde). Medice te ipsum—
Beschermheer, zie wel toe, bescherm uzelf!
KONING HENDRIK. De wind wordt hevig; gij, mylords, niet minder.
Wat geeft mij die muziek een zielsverdriet!
Als zulke snaren valsche tonen geven,
Hoe is er dan ooit hoop op harmonie?
Vergunt, mylords, dat ik uw twisten bijleg.
(Er komt een Man aanloopen, met den uitroep: „Mirakel! Mirakel!”)
GLOSTER. Wat voor geschreeuw is dit?
Knaap, wat mirakel is het, dat gij uitroept?
DE MAN. Mirakel! Mirakel!
SUFFOLK. Kom hier, vertel den koning uw mirakel.
DE MAN. Dit is ’t! een blindeman kreeg daar zoo even
In Sint Albaan’s kapel ’t gezicht terug,
Een man, die nooit, zijn leven lang, gezien heeft!
KONING HENDRIK. Nu, Gode lof, die heilbegeer’gen zielen
In ’t duister licht, troost in ellenden geeft!
(De Mayor en de Oudsten van Sint-Albaans komen op; Simpcox wordt op een
stoel door twee personen gedragen, gevolgd door zijn Vrouw en een hoop
volks.)
KARDINAAL. Daar komt de burgerschap alreeds, in optocht,
En stelt den man aan uwe hoogheid voor.
KONING HENDRIK. Zijn heil in ’t aardsche dal is groot, al worde
Door ’t zien de lokking van de zonde meer.
GLOSTER. Laat ruimte, mannen, brengt hem voor den koning;
’t Gelieft zijn hoogheid met den man te spreken.
KONING HENDRIK. Kom, goede man, verhaal ons, hoe ’t zich toedroeg,
Opdat wij God om u verheerlijken.
Spreek, werdt gij na een lange blindheid ziende?
SIMPCOX. Vergun’ ’t uw hoogheid, ik was blind geboren.
VROUW SIMPCOX. Dat was hij, ja, ik kan ’t getuigen.
SUFFOLK. Wie is die vrouw?
VROUW SIMPCOX. Met uwer edelheid verlof, zijn vrouw.
GLOSTER. Waart gij zijn moeder, beter waar’ ’t getuig’nis.
KONING HENDRIK. En waar zijt gij van daan?
SIMPCOX. Van Berwick, uit het noorden, met verlof van uw genade.
KONING HENDRIK. God heeft, arm man, u groote gunst gedaan;
Laat dag en nacht u steeds geheiligd zijn;
Houdt steeds voor oogen, wat de Heer u deed.
KONINGIN MARGARETHA. Zeg, goede man, kwaamt gij bij toeval hier,
Of dreef u vroomheid naar dit heiligdom? 88
SIMPCOX. God weet het, louter vroomheid; honderdmaal
En meer nog riep de goede Sint Albaan
Mij in mijn slaap, en zeide:—„Simpcox, kom,
En offer aan mijn altaar, en ik helpe u!”
VROUW SIMPCOX. Ja, dat is waar, en dikwijls, vele malen,
Heb ik gehoord, dat hem een stem zoo riep.
KARDINAAL. En zijt ge ook lam?
SIMPCOX. Ja, God almachtig help’ mij!
SUFFOLK. Hoe werdt gij dat?
SIMPCOX. ’k Ben uit een boom gevallen.
VROUW SIMPCOX. Een pruimeboom.
GLOSTER. En hoe lang zijt gij blind?
SIMPCOX. O, blindgeboren.
GLOSTER. Zoo, en klomt ge op boomen?
SIMPCOX. Slechts eens, als jonge mensch, in heel mijn leven.
VROUW SIMPCOX. Ja, ja, zijn klaut’ren kwam hem duur te staan.
GLOSTER. Nu, dat is lust in pruimen, dit te wagen!
SIMPCOX. Ach, heer, mijn vrouw was zoo belust op pruimen,
En daarom klauterde ik op lijfsgevaar.
GLOSTER. Een sluwe schelm; maar helpen zal ’t hem niet.—
Laat mij uw oogen zien;—nu toe;—nu open;—
Naar mijne meening ziet gij nog niet goed.
SIMPCOX. Ja, zonneklaar; dank God en Sint Albaan!
GLOSTER. Is ’t waar? van welke kleur is deze mantel?
SIMPCOX. Rood, heer, zoo rood als bloed.
GLOSTER. Zeer goed; van welke kleur is dan mijn kleed?
SIMPCOX. Zwart, bij mijn ziel; pikzwart als git.
KONING HENDRIK. Wel, wel! wat git voor kleur heeft, weet ge dus?
SUFFOLK. Toch heeft hij nooit, vermoed ik, git gezien.
GLOSTER. Maar mantels, rokken, vaak voor heden, denk ik.
VROUW SIMPCOX. Neen, neen, vóór heden van zijn leven niet.
GLOSTER. En kerel, zeg, hoe is mijn naam?
SIMPCOX. Ach, heer, ik weet het niet.
GLOSTER. En zijn naam?
SIMPCOX. ’k Weet niet.
GLOSTER. En ook de zijne niet?
SIMPCOX. Neen, waarlijk niet.