Aldaar.
Trompetgeschal. Op de wallen verschijnen: de Pucelle, Karel, Reignier,
Alençon, en Soldaten.
PUCELLE. Laat onze vanen wapp’ren op de wallen!
Ontrukt is Orleans aan Englands wolven,
Aldus hield Jeanne la Pucelle woord.
KAREL. O godd’lijkst wezen, gij Astræa’s dochter,
Hoe breng ik voor deze uitkomst hulde u toe?
Wat gij belooft, is als Adonis’ tuinen,
Die heden bloeiden, morgen vruchten droegen.—
Roem, Frankrijk, op uw zege-profetes!—
Herwonnen is uw stad, uw Orleans;
Nooit wedervoer ons land een grooter heil.
REIGNIER. Waarom doorklinkt geen klokgelui de stad?
Dauphijn, laat thans de burgers vreugdevuren
Ontsteken, juub’len, smullen in de straten,
Ter uiting van de vreugd, die God ons schonk.
ALENÇON. Gansch Frankrijk wordt vervuld van vreugde en lust,
Zoodra ’t verneemt, hoe wij hier mannen bleken.
KAREL ’t Is Jeanne, die de zege won, niet wij;
Waarvoor ik mijne kroon met haar wil deelen;
Wat priester is of monnik in mijn rijk,
Zing’ eeuwig hàren lof bij ommegangen.
Een trotscher pyramide bouw ik haar,
Dan die van Rhodope te Memphis was.
Haar ter gedacht’nis worde na haar dood
Haar asch in een veel kostlijker urn
Dan ’t rijk juweelenkistje van Darius
Bij hooge feest’lijkheden omgedragen
Voor Frankrijks koningen en koninginnen.
Niet meer zij onze leuze: Saint Denis!
Neen, Frankrijks heil’ge moet nu Jeanne zijn.
Komt nu! besluite een feest, een vorstlijk maal,
Den gulden dag van deze zegepraal!
(Trompetgeschal. Allen af.)