XVI. HET VERZAMELEN VAN INSECTEN.

Wie bruikbare kennis wil opdoen van de insecten, moet beginnen met het

verzamelen en waarnemen in de vrije natuur. Uit boeken is natuurlijk

zeer veel te leeren, want daarin zijn de ervaringen van anderen

neergelegd; bovendien bevatten zij veel vingerwijzingen, die wij kunnen

opvolgen. Een echte insectenliefhebber zorgt dan ook voor een

uitgebreide bibliotheek. Maar, hoeveel wij ook uit boeken kunnen halen,

het meeste genot en pleizier hebben wij toch alleen als wij de dieren

buiten zelf zoeken en waarnemen. Dat moet dus altijd voorop staan: de

dieren in hun eigen omgeving waarnemen. Dan leeren wij hun

levensgeschiedenis; tevens maken wij dan kennis met andere dieren, die

met hen in vriendschap of vijandschap leven. Gelijktijdig maken wij

kennis met veel planten. Er zijn menschen, die alleen insecten

verzamelen, om ze, zooals de jongens zeggen „te hebben”. Dat moeten we

afraden. Als men van een opgeprikt insect niets anders weet te

vertellen dan zijn naam, dan is dat een kennis zonder beteekenis. Wij

moeten trachten te weten komen: hoe het dier zich voortplant, waar de

eieren worden gelegd, wat de larve eet en hoe oud die wordt, wanneer

die verpopt en waar, hoe het volwassen dier leeft, welke plaats het in

de natuur inneemt, in welke verhouding het tot den mensch staat, enz.

enz.

Wij kunnen aan elk dier tientallen van vragen stellen, die beantwoord

worden, als wij de insecten trouw en nauwkeurig waarnemen. En door veel

waarnemingen te doen, leeren wij de natuur bewonderen in haar

interessante samenstelling.

Wanneer wij dus de insectenkunde beoefenen, dan doen wij dit niet om

eenige doozen met opgeprikte dieren in ons bezit te krijgen, maar

alleen om de natuur te leeren begrijpen en waardeeren. En dat geeft ons

zoo’n genot en dat houdt ons zoo frisch, dat wie er eenmaal mede

begint, er niet mede eindigen kan. Er komt nog wat bij. Als wij op

„insectenjacht” gaan, leven wij in zekere aangename spanning; we weten

niet òf en wàt we vangen zullen. En als we wat gevangen hebben, dan

stijgt de vreugde en zijn wij blij alsof we een geschenk hebben

gekregen. We leeren ook goed uit de oogen zien, want de meeste insecten

zijn maar betrekkelijk klein. Een ander voordeel is, dat we veel in de

frissche lucht zijn, wat vooral voor de stedelingen van belang is. Dan

leeren wij wandelen met een bepaald doel. Bovendien is het wandelen in

de natuur des te aangenamer naarmate wij meer planten en dieren kennen.

Er is dus alles voor om aan het verzamelen te gaan. En als nu een

stedeling zegt: Maar in en bij de stad is zoo weinig te vangen, dan

antwoorden we: „een entomoloog weet overal wat te vinden, binnen en

buiten de stad, in huis en op straat, op alle denkbare plaatsen”.

Wil men met succes werkzaam zijn, dan moet men 1º goed gereedschap

hebben en 2º bekend zijn met de plaatsen, waar de insecten zich

ophouden.

Het gereedschap. Een vlindernet, een schepnet, een sleepnet, een

paraplu, een wiedijzertje, verschillende glazen en doozen, een pincet.

Men vrage eens een catalogus aan bij een handelaar in deze artikelen;

men zal dan zien, dat er nog veel meer gereedschap wordt aangeboden.

Met een vlindernet vangt men alles wat vliegt; met een schepnet halen

wij de waterinsecten en hun larven op den kant; een sleepnet wordt

langs de grasvelden gesleept, en men vangt er de insecten mede, die op

de lage planten leven. Als we een open paraplu onder een heester houden

en daarna de takken bewegen, vallen de insecten er in. Met een

wiedijzertje of wiedvorkje kan men den grond omwoelen en naar larven en

kevers zoeken. Met een pincet neemt men kleine dieren op.

De vindplaatsen. Zeer veel insecten leven op planten; wat op de lage

planten leeft laat ons het sleepnet zien. Bij hoogere planten gebruiken

wij een paraplu; de insecten worden dan afgeklopt. Veel schemer- en

nachtdieren vertoeven overdag onder steenen; men lichte deze dus op. In

den grond aan den voet der boomen huizen veel insecten; men woele de

aarde dus om. Ook in het zand leven er verscheidene. In dood hout is

ook altijd wat de vinden, evenals in den molm van boomen. Het water

levert ook heel wat op. Verschillende insecten leven in dierenlijken en

in afval. Op bloemen vertoeven heel wat dieren, die gemakkelijk met een

net zijn te vangen; vooral als de zon schijnt is het insectenbezoek

zeer druk. In onze huizen en magazijnen zijn vele blijvende en

toevallige insecten. Tegen gesloten ramen en onder waranda’s zitten ook

veel dieren. Men vergete ook niet den kelder. In nesten en

verblijfplaatsen van insecten en andere dieren vindt men ook altijd

z.g. „gasten”. Bekend zijn de „mieren-, bijen- en wespengasten”.

Lokmiddelen. Men kan insecten op verschillende manieren lokken.

Vooreerst door het licht. Men zette ’s avonds de ramen van een

verlichte kamer maar open: er komt van alles op ’t licht aan. Om

straatlantaarns zwermt het van avondinsecten. Er zijn ook speciale

vanglantaarns geconstrueerd. Men moet zorgen, dat de dieren niet met de

vlam in aanraking komen.

Het neerzetten van honing en suikerwater lokt veel insecten. Als men

boomstammen op bepaalde plekken met een lokmiddel bestrijkt, komen er

’s avonds insecten op af. Men maakt een mengsel van bier, stroop, rum

en appelaether. Ook kan men schijfjes van gedroogde appels in dit

mengsel dompelen en dan aan een snoer ophangen. Als het een geschikte

avond is, krijgen wij vaak veel bezoek.

Een aardig lokmiddel vormen de wijfjes van vele vlinders. Zet men die

in een gazen kooitje buiten, dan komen er mannetjes op af, zoo die

tenminste in de buurt zijn. Ten slotte zijn bloemen goede lokmiddelen.

Zet men b.v. crocusjes in Maart buiten, dan kunnen we zeker hommel- en

wespenkoninginnen verwachten.

Nederlandsche Insecten · 第 24 / 72 题