Wie bruikbare kennis wil opdoen van de insecten, moet beginnen met het
verzamelen en waarnemen in de vrije natuur. Uit boeken is natuurlijk
zeer veel te leeren, want daarin zijn de ervaringen van anderen
neergelegd; bovendien bevatten zij veel vingerwijzingen, die wij kunnen
opvolgen. Een echte insectenliefhebber zorgt dan ook voor een
uitgebreide bibliotheek. Maar, hoeveel wij ook uit boeken kunnen halen,
het meeste genot en pleizier hebben wij toch alleen als wij de dieren
buiten zelf zoeken en waarnemen. Dat moet dus altijd voorop staan: de
dieren in hun eigen omgeving waarnemen. Dan leeren wij hun
levensgeschiedenis; tevens maken wij dan kennis met andere dieren, die
met hen in vriendschap of vijandschap leven. Gelijktijdig maken wij
kennis met veel planten. Er zijn menschen, die alleen insecten
verzamelen, om ze, zooals de jongens zeggen „te hebben”. Dat moeten we
afraden. Als men van een opgeprikt insect niets anders weet te
vertellen dan zijn naam, dan is dat een kennis zonder beteekenis. Wij
moeten trachten te weten komen: hoe het dier zich voortplant, waar de
eieren worden gelegd, wat de larve eet en hoe oud die wordt, wanneer
die verpopt en waar, hoe het volwassen dier leeft, welke plaats het in
de natuur inneemt, in welke verhouding het tot den mensch staat, enz.
enz.
Wij kunnen aan elk dier tientallen van vragen stellen, die beantwoord
worden, als wij de insecten trouw en nauwkeurig waarnemen. En door veel
waarnemingen te doen, leeren wij de natuur bewonderen in haar
interessante samenstelling.
Wanneer wij dus de insectenkunde beoefenen, dan doen wij dit niet om
eenige doozen met opgeprikte dieren in ons bezit te krijgen, maar
alleen om de natuur te leeren begrijpen en waardeeren. En dat geeft ons
zoo’n genot en dat houdt ons zoo frisch, dat wie er eenmaal mede
begint, er niet mede eindigen kan. Er komt nog wat bij. Als wij op
„insectenjacht” gaan, leven wij in zekere aangename spanning; we weten
niet òf en wàt we vangen zullen. En als we wat gevangen hebben, dan
stijgt de vreugde en zijn wij blij alsof we een geschenk hebben
gekregen. We leeren ook goed uit de oogen zien, want de meeste insecten
zijn maar betrekkelijk klein. Een ander voordeel is, dat we veel in de
frissche lucht zijn, wat vooral voor de stedelingen van belang is. Dan
leeren wij wandelen met een bepaald doel. Bovendien is het wandelen in
de natuur des te aangenamer naarmate wij meer planten en dieren kennen.
Er is dus alles voor om aan het verzamelen te gaan. En als nu een
stedeling zegt: Maar in en bij de stad is zoo weinig te vangen, dan
antwoorden we: „een entomoloog weet overal wat te vinden, binnen en
buiten de stad, in huis en op straat, op alle denkbare plaatsen”.
Wil men met succes werkzaam zijn, dan moet men 1º goed gereedschap
hebben en 2º bekend zijn met de plaatsen, waar de insecten zich
ophouden.
Het gereedschap. Een vlindernet, een schepnet, een sleepnet, een
paraplu, een wiedijzertje, verschillende glazen en doozen, een pincet.
Men vrage eens een catalogus aan bij een handelaar in deze artikelen;
men zal dan zien, dat er nog veel meer gereedschap wordt aangeboden.
Met een vlindernet vangt men alles wat vliegt; met een schepnet halen
wij de waterinsecten en hun larven op den kant; een sleepnet wordt
langs de grasvelden gesleept, en men vangt er de insecten mede, die op
de lage planten leven. Als we een open paraplu onder een heester houden
en daarna de takken bewegen, vallen de insecten er in. Met een
wiedijzertje of wiedvorkje kan men den grond omwoelen en naar larven en
kevers zoeken. Met een pincet neemt men kleine dieren op.
De vindplaatsen. Zeer veel insecten leven op planten; wat op de lage
planten leeft laat ons het sleepnet zien. Bij hoogere planten gebruiken
wij een paraplu; de insecten worden dan afgeklopt. Veel schemer- en
nachtdieren vertoeven overdag onder steenen; men lichte deze dus op. In
den grond aan den voet der boomen huizen veel insecten; men woele de
aarde dus om. Ook in het zand leven er verscheidene. In dood hout is
ook altijd wat de vinden, evenals in den molm van boomen. Het water
levert ook heel wat op. Verschillende insecten leven in dierenlijken en
in afval. Op bloemen vertoeven heel wat dieren, die gemakkelijk met een
net zijn te vangen; vooral als de zon schijnt is het insectenbezoek
zeer druk. In onze huizen en magazijnen zijn vele blijvende en
toevallige insecten. Tegen gesloten ramen en onder waranda’s zitten ook
veel dieren. Men vergete ook niet den kelder. In nesten en
verblijfplaatsen van insecten en andere dieren vindt men ook altijd
z.g. „gasten”. Bekend zijn de „mieren-, bijen- en wespengasten”.
Lokmiddelen. Men kan insecten op verschillende manieren lokken.
Vooreerst door het licht. Men zette ’s avonds de ramen van een
verlichte kamer maar open: er komt van alles op ’t licht aan. Om
straatlantaarns zwermt het van avondinsecten. Er zijn ook speciale
vanglantaarns geconstrueerd. Men moet zorgen, dat de dieren niet met de
vlam in aanraking komen.
Het neerzetten van honing en suikerwater lokt veel insecten. Als men
boomstammen op bepaalde plekken met een lokmiddel bestrijkt, komen er
’s avonds insecten op af. Men maakt een mengsel van bier, stroop, rum
en appelaether. Ook kan men schijfjes van gedroogde appels in dit
mengsel dompelen en dan aan een snoer ophangen. Als het een geschikte
avond is, krijgen wij vaak veel bezoek.
Een aardig lokmiddel vormen de wijfjes van vele vlinders. Zet men die
in een gazen kooitje buiten, dan komen er mannetjes op af, zoo die
tenminste in de buurt zijn. Ten slotte zijn bloemen goede lokmiddelen.
Zet men b.v. crocusjes in Maart buiten, dan kunnen we zeker hommel- en
wespenkoninginnen verwachten.