plek, door den zakdoek aangewezen. Zij begroetten elkaar door de hoeden
af te nemen en gingen daarop rug aan rug staan.
De secondanten namen de hoeden der beide tegenstanders aan en de heeren
kregen daarvoor in de plaats de geladen pistolen.
„Zijn de heeren gereed?” vroeg de onpartijdige op luiden toon.
„Klaar!” klonk het uit den mond der beide tegenstanders.
Op het commando „vooruit!” zetten beiden zich in tegenovergestelde
richting in beweging.
De onpartijdige getuige telde de schreden en commandeerde bij de
vijfde: „Vuur!”
Bliksemsnel keerden de beide duellisten zich op hun plaats om en
vuurden tegelijkertijd.
Een dubbele knal—een korte schreeuw—en Lord Westerbull zonk op het gras
neer.
Onmiddellijk snelde de dokter toe en ontblootte de borst van den
gewonde.
Ernstig schudde hij daarna het hoofd. De kogel had den top van de
linkerlong geraakt.
De secondanten hadden Lord Morvill van den aard der verwonding op de
hoogte gebracht.
Deze naderde nu den gewonde.
Lord Westerbull richtte zich, geholpen door den dokter, op en reikte
Lord Morvill de hand ten teeken, dat hij had vergeven en dat de
beleediging, hem aangedaan, door het vloeien van zijn bloed was
uitgewischt.
Lord Morvill nam de hem toegestoken hand en drukte die zwijgend.
Een beleefde buiging tot afscheid volgde en Lord Morvill verliet,
gevolgd door graaf Armani en Lord Exter, de kampplaats.
De heeren namen in het rijtuig plaats en dit begaf zich weer in de
richting van de villa van den Lord.
De heeren, die waren achtergebleven, hielden zich met den gewonde
bezig. Toen deze verbonden was, werd hij voorzichtig in een rijtuig
gelegd en langzaam aanvaardde de droevige stoet den terugtocht naar de
stad.
ACHTSTE HOOFDSTUK.
DE GIFTBEKER.
De studeerkamer van Lord Morvill was naar oud Duitschen stijl
ingericht.
Zware, massieve meubelen gaven een kostbaren indruk aan het geheel.
Een groot Smyrnatapijt bedekte den geheelen vloer. De wanden waren met
olieschilderijen en kostbare bronsreliefs behangen. Vreemde wapens en
jachttropheeën van verschillende soort, op artistieke wijze overal
aangebracht, vormden voor het oog van den bezoeker een aangename
afwisseling.
Zware, donkere overgordijnen lieten het licht eenigszins gedempt naar
binnen dringen.
Een breede schoorsteen besloeg een der wanden van het vertrek. Op den
rand hiervan stond een kleine, antieke klok tusschen twee kostbare
vazen.
Naast de groote schrijftafel van den Lord stond een klein tafeltje van
houtsnijwerk, waarop een zilveren blad met een waterkaraf en twee
glazen van kostbaar kristal een plaats hadden.
De Lord had dit zoo geplaatst om steeds drinkwater bij de hand te
hebben.
Lord Morvill had aanleg om corpulent te worden. Hij vond, dat dit aan
zijn jeugdig uiterlijk afbreuk deed en dit wilde hij voorkomen.
Zijn huisdokter had hem geraden om, zooveel mogelijk, elke twee uur
eenige slokken water te drinken. En om dit voorschrift, dat hem bij
zijn levenswijze verre van aangenaam was, te kunnen opvolgen, had hij
het tafeltje met het waterstel naast zich staan.
Hoewel hij dezen raad van den dokter reeds eenige maanden volgde, was
er nog niet veel resultaat zichtbaar.
Hij ondervroeg den dokter en deze verklaarde, dat het mislukken zijn
oorzaak vond in het feit, dat de Lord het zoo eenvoudige middel te
onregelmatig toepaste.
De Lord zag de waarheid hiervan in, maar hij wist niet, hoe hij het
voorschrift stipt zou kunnen opvolgen.
Bij zijn ongeregeld leven, dat hem zelfs des nachts dikwijls
buitenshuis hield, was dat moeilijk. En daarom moest de voortdurende
nabijheid van de waterkaraf hem, als hij aan zijn schrijftafel zat, aan
zijn plicht herinneren.
De studeerkamer van den Lord was leeg. De middagzon scheen helder door
de ruiten en haar stralen wierpen, in het kristal der waterkaraf
brekend, bonte kleuren op het tapijt.
De kleine klok op den schoorsteenrand liet met zilveren klank twaalf
heldere slagen hooren.
Daar werd onhoorbaar de deur, die op de gang uitkwam, geopend.
In een elegante, zwarte japon van kantstof gekleed, trad de Lady het
vertrek binnen.
Als een donkere wolk omhulde de japon de buigzame, slanke gestalte,
alleen de schitterend witte hals, nek en armen vrijlatend.
Het anders blozende gelaat der Lady was vaalbleek. De schoone oogen,
overschaduwd door lange wimpers, glansden onheilspellend.
Toen de Lady onhoorbaar de deur had geopend, bleef zij een oogenblik op
den drempel staan en keek het vertrek door. Als aangetrokken door een
magneet, bleven haar groote glanzende oogen op de waterkaraf rusten.
Geruischloos sloot zij de deur achter zich en draaide snel den sleutel
om.
Haar blik bleef onafwendbaar aan de karaf hangen. Haar nek kromde zich
en, met de rechterhand stijf op de borst geklemd, stond zij roerloos
stil met voorovergebogen bovenlijf. De geheele verschijning had iets
roofdierachtigs.
Slechts eenige oogenblikken bleef zij in deze loerende houding. Haastig
liep zij daarop naar het kleine tafeltje, dat naast het schrijfbureau
stond.
Haar rechterhand had het fleschje met vergift uit haar boezem te
voorschijn gehaald en hield dat krampachtig vast. Met een snellen ruk
haalde zij de kurk van het fleschje af en nu schudde zij ongeveer de
helft van den inhoud in het water.
De giftmengster wierp nog een schuwen blik om zich heen, nam toen de
waterkaraf op, schudde ze en hield ze tegen het licht.
Het water was niet in het minst van kleur veranderd, het zag er
kristalhelder uit.
Tevreden knikte Lady Morvill met het hoofd.
Een duivelsche glimlach vloog over haar door haat verwrongen trekken.
Nadat zij de karaf weer op haar plaats had gezet, zoodat geen
verandering te zien was, verliet zij met snelle schreden onhoorbaar de
kamer langs denzelfden weg, dien zij gekomen was.
NEGENDE HOOFDSTUK.
VERGELDING.
Na den ongelukkigen afloop van het duel keerde Lord Morvill niet
onmiddellijk, zooals eerst het plan was geweest, naar zijn woning
terug.
Onderweg verliet hij het rijtuig en gaf den koetsier bevel, naar huis
te rijden. Hij zelf wilde nog een wandeling maken door de lanen van
Hydepark.
Hij had er behoefte aan om alleen te zijn met zijn gedachten en
gewaarwordingen. Een reeks plannen doorkruiste zijn brein, allen te
voorschijn geroepen door de vraag: hoe zou voortaan de verhouding zijn
tusschen hem en zijn vrouw?
Hoewel zij door haar opvallende koketterie meermalen zijn misnoegen had
opgewekt, was in zijn hart toch altijd een warm gevoel blijven bestaan
voor de schoone sirene.
Al bestond er ook geen enkele geestelijke band tusschen deze beide
oppervlakkige naturen, was toch altijd de betooverende schoonheid der
Lady een magneet geweest, die den Lord onweerstaanbaar had
aangetrokken.
Daar het hem nu echter duidelijk was geworden, dat de Lady hem niet
alleen haatte, maar ook verachtte en het haar eenig doel was, tot elken
prijs van hem bevrijd te zijn, was elk zachter gevoel voor zijn vrouw
in hem gestorven.
Hij zou bereid zijn geweest, dadelijk van haar te scheiden, als hij
niet het schandaal had gevreesd en tevens de hoop voedde, dat hij met
behulp der politie weer in het bezit zou geraken van den bruidsschat
zijner vrouw.
Zijn hebzucht was te groot dan dat hij zich met de gedachte zou kunnen
verzoenen, dat Lady Morvill niet meer de rijke partij was van vroeger.
Neen, hij zou haar de vrijheid niet teruggeven! Al kwam ook de gestolen
bruidsschat, die zeer aanzienlijk was geweest, niet meer terecht, toch
kon de Lady later aanspraak maken op een groote erfenis.
Waarom dus een scheiding? Welke voordeden zou hij kunnen hebben van een
scheiding? Zijn persoonlijke vrijheid? Maar die bezat hij immers
volkomen. Hij dacht onwillekeurig aan villa Victoria.
En als de Lady hem hier al te lastig mocht worden, dan bestonden er
immers wel middelen en manieren om de weerspannige te temmen!
Hij dacht aan zijn kasteel in Schotland. Een zijner voorvaderen had
daar gedurende meer dan 15 lange jaren een weerspannige Lady gevangen
gehouden. Voor de wereld heette zij dood. Inderdaad voerde zij echter
een ellendig leven achter kerkermuren dat in krankzinnigheid eindigde.
Wat zou hem beletten, om te handelen evenals dat familielid?
De „toren der bleeke vrouw”, zooals men in den volksmond in die streek
de gevangenis der martelares noemde, was leeg en wachtte sinds ongeveer
honderd jaar op een nieuwe bewoonster.
Evenals in die dagen, zou men ook nu wel het een en ander omtrent de
nieuwe bewoonster mompelen en fluisteren, maar niemand zou iets met
zekerheid weten.
Zoo zou het zijn.
Toen Lord Morvill dit plan had opgevat, voelde hij zich bijzonder kalm.
Hij zag nu uitkomst.
Natuurlijk zou hij niet vertellen, dat zijn echtgenoote gestorven was.
Men zou echter een sprookje kunnen verbreiden van een zware ziekte en
hij zou wel middelen vinden om ongewenschte spionnen tegen te gaan.
De Lord had zulk een gevoel van welbehagen, dat hij een afgezaagde
melodie, welke hem door het hoofd speelde, begon te fluiten.
Plotseling viel het hem in, dat hij graaf Armani had verzocht, hem in
zijn villa te bezoeken. Hij keek op zijn horloge en zag, dat hij zich
moest haasten om nog tijdig thuis te zijn.
Hij wenkte den koetsier van een voorbijkomend leeg huurrijtuig en gaf
hem zijn adres op. In snelle vaart naderde hij nu zijn woning.
Wederom moest hij aan zijn vrouw denken. Hij zou haar in de
eerstvolgende uren ontmoeten; hoe zou hij zich dan jegens haar
gedragen?
In elk geval wilde hij zekerheid en hij was van plan, haar voor oogen
te houden, dat zij volkomen afhankelijk van hem was.
Een soort van wreede wellust kwam in hem op, toen hij tot dit besluit
was gekomen. Ja, zij zou gevoelen, dat zij volkomen in zijn macht was.
Intusschen had Lord Morvill zijn villa bereikt. George verscheen om
zijn heer bij het uitstappen behulpzaam te zijn.
De Lord vroeg, of in zijn afwezigheid iets was voorgevallen.
George ontkende en meldde, dat de Lady in dien tusschentijd reeds drie
keer had geïnformeerd, of de Lord thuis was.
„Het is goed!”
Met deze woorden beklom de Lord de trap, die naar de villa leidde en
begaf zich naar zijn vertrekken.
Nadat hij zich van zijn hoed en jas had ontdaan, ging hij zijn
studeerkamer binnen.
Blijkbaar wenschte dus ook de Lady een onderhoud. Dat kwam volkomen
overeen met de wenschen van den Lord.
„Hoe eerder je begrijpt, waar je aan toe bent, hoe beter voor mij,”
mompelde Lord Morvill, op den knop eener electrische bel drukkend.
Tom trad binnen. Hij bleef bij de deur staan om op het bevel van zijn
heer te wachten.
„Zeg de Lady, dat ik haar hier verwacht.”
De bediende boog zwijgend en verdween in de gang, die naar de kamers
van de Lady voerde.
Lord Morvill stak een sigaret aan en zette zich op zijn gemak aan zijn
schrijftafel.
Eenige oogenblikken later kwam Lady Morvill de studeerkamer van haar
echtgenoot binnen.
Zij droeg nog dezelfde zwarte japon, die zij des middags had
aangetrokken.
De Lord nam de binnentredende op met een spottenden blik, daarop
noodigde hij haar met een handbeweging uit om plaats te nemen.
Lady Morvill was in de deur blijven staan.
Een blik vol haat en verachting viel op den Lord, die aan zijn
schrijftafel zat.
Na een korte pauze begon deze, terwijl hij met een pennemes speelde, op
korten, halfluiden toon:
„Lady, gij hebt mij dringend willen spreken. Ik ben tot uw dienst.”
De Lady stond nog steeds onbeweeglijk.
Zoo mogelijk was zij nog bleeker geworden. Haar oogen glinsterden
bovennatuurlijk, haar keel was van ontroering als dichtgeknepen en op
bijna klankloozen toon kwam het van haar lippen:
„Je hebt al mijn juweelen in bezit genomen. Ik weet het!”
„Welnu, als gij dat weet, Lady, dan zult gij zeker ook wel weten, waar
ik ze heb gevonden.”
De tanden der schoone vrouw groeven zich zoo diep in haar onderlip, dat
een paar bloeddroppels langs haar kin vloeiden.
Daar de Lord niet doorging, vroeg de Lady opnieuw, alsof zij het
antwoord van haar echtgenoot niet had verstaan:
„Zal ik mijn kostbaarheden terugkrijgen?”
„Neen!” klonk het op korten toon van zijn lippen.
Lady Morvill scheen haar bewustzijn bijna te verliezen. Haar gansche
lichaam beefde, doch na eenige oogenblikken had zij zich met
bovenmenschelijke wilskracht hersteld.
Zij ging vlak voor den Lord staan en vroeg met vonkelende oogen en
gekruiste armen:
„Waarom wil je mij mijn eigendom onthouden?”
„Omdat ik niet wensch, dat gij de middelen in handen zult hebben voor
een tweede ontvluchting.
„Omdat ik geen lust heb, door uw optreden prijs te worden gegeven aan
de publieke zucht naar schandaal en laster.
„Daarom blijven uw kostbaarheden onder mijn berusting. Al kan ik u ook
niet beletten, overal om u heen te koketteeren op schandelijke wijze,
dan wil ik u toch de middelen ontnemen om mij openbaar aan de kaak te
stellen.”
De Lady was doodsbleek geworden. Zij balde de vuisten in machtelooze
woede en week onwillekeurig een schrede achteruit.
De Lord was opgestaan en had zich naar het kleine tafeltje begeven. Hij
nam de waterkaraf en vulde een glas tot op de helft met de dood
brengende vloeistof.
Lady Morvill staarde als geestesafwezig naar haar echtgenoot.
Haar blik bleef als gebonden aan zijn hand, toen hij het glas vulde.
Haar wijdgeopende oogen puilden naar voren en haar gelaat was
spookachtig bleek.
Een seconde nog en zij zou vrij zijn!
Lord Morvill nam het glas op, toen een onderdrukte gil aan de lippen
der Lady ontsnapte.
Morvill had half met den rug naar zijn echtgenoote gestaan, nu keerde
hij zich om en zag haar lijkkleurig gelaat.
Een wreede, zegevierende glimlach verwrong zijn trekken en, terwijl hij
het glas weer op het tafeltje neerzette, sprak hij hoonend:
„Ik vrees uw haat niet, Lady. Alleen zou ik er u op willen wijzen, dat
ik nog middelen bezit om mij zelf te beschermen. Als gij mij al te
lastig wordt...
„Gij kent mijn kasteel Moar Castle in Schotland, nietwaar?
„Gij kent de geschiedenis mijner voorvaderen. Neem u in acht, dat het
lot van Lady Henriette ook niet u treft!”
Met van ontzetting wijd geopende oogen staarde Lady Morvill haar
echtgenoot aan. Zij hield de handen, alsof zij een onheil wilde
afwenden, voor zich uitgestrekt. Haar boezem hijgde en op halfluiden
toon sprak zij met moeite:
„Je wilt mij in de armen van den waanzin voeren, ellendeling! Ik
veracht je uit den grond van mijn hart!”
Morvill was bloedrood geworden van verontwaardiging. Zijn hand greep
een leeren zweep, die boven zijn schrijftafel hing, hij snelde naar
zijn vrouw toe en wilde haar met zweepslagen straffen voor haar
woorden.
De Lady stiet een rauwen gil uit.
Op dit oogenblik werd de deur geopend, die naar het bureau van John
Wilkens leidde, en deze stormde de kamer binnen.
Hij had de laatste woorden van den strijd der beide echtgenooten
gehoord en den angstkreet der Lady vernomen.
Een inwendige, onweerstaanbare macht dwong hem, de schoone vrouw, die
hij nog steeds liefhad, ter hulp te snellen.
Toen Wilkens de kamer binnensnelde en zag, dat de Lord met opgeheven
zweep tegenover zijn vrouw stond, verloor hij zijn kalmte en bezinning.
Hij greep den Lord bij de keel. Een korte worsteling volgde en de Lord,
die niet voorbereid was op dezen aanval, struikelde en viel.
Een doffe kreet en het bloed van Lord Morvill stroomde over het tapijt.
De Lord was met zijn hoofd tegen den scherpen kant van den
schoorsteenmantel terechtgekomen en had zich den schedel verpletterd.
John Wilkens staarde als wezenloos naar den Lord, die met den dood
worstelde.
Daar werd plotseling de deur naar de gang geopend en graaf Armani
snelde binnen.
Toen de Lady hem zag binnenkomen, riep zij half gillend uit: „Raffles!”
en viel bewusteloos op een stoel neer.
De binnenkomende was inderdaad de groote onbekende, die zich, aan den
Lord had laten voorstellen als graaf Armani.
Met een enkelen blik had hij den toestand overzien en met weemoedigen
blik keek hij naar Wilkens, toen hij sprak:
„John, ik had je gewaarschuwd. Je bent niet uit de nabijheid van deze
vrouw gebleven en het noodlot straft je. Help haar nu. Ik zal mij met
den Lord bezighouden.”
Raffles knielde naast Lord Morvill neer en stelde vast, dat het leven
reeds was geweken.
Intusschen was de Lady weer eenigszins tot zichzelf gekomen.
Nog geheel verward staarde Wilkens om zich heen. Zijn blik viel op het
half gevulde waterglas, dat Lord Morvill zooeven weer op het tafeltje
had neergezet. Hij nam het op en, naar de Lady gaande, goot hij de
bewustelooze een paar slokken in de keel.
De Lady voelde plotseling een heeten gloed door haar lichaam stroomen.
Met onduldbare pijnen richtte zij zich op en opende de oogen.
Zij zag het haar maar al te zeer bekende glas in Wilkens’ hand en de
vreeselijkste ontzetting stond op haar gelaat te lezen.
Haar treken verwrongen zich, het schuim kwam op haar lippen te
voorschijn en met een luiden gil zonk zij neer.
„Gift! Gift!” riep zij uit. „Ik had het voor hem gemengd en jij hebt
het mij gegeven!”
Nog voordat John Wilkens wist, wat zij bedoelde, had Raffles haar
woorden begrepen.
Hij naderde John, die bij de met den dood worstelende Lady neerknielde,
richtte hem op en sprak:
„De moordenares van haar echtgenoot heeft zichzelf in het verderf
gestort! Jij moest haar den giftbeker reiken, dien zij voor haar
echtgenoot had gereed gemaakt. Zoo wilde het noodlot het.
„Nu heeft zij haar vrijheid terug, al is het op een andere manier dan
zij bedoelde.”
Nu begon de secretaris alles te begrijpen. Hij sloeg de handen voor het
gelaat en snikte.
John Raffles legde hem de hand op den schouder en sprak:
„Al kon ik dezen keer niet over je waken, een hoogere macht heeft je
behoed. Dank den hemel, dat je handen rein zijn gebleven. Hier, neem
dit geld!”
Bij deze woorden nam Raffles een gevulde portefeuille uit den zak en
gaf die aan Wilkens!
„Deze portefeuille bevat de middelen voor een reis naar het buitenland
en zal genoeg zijn voor jou, totdat je een nieuwen werkkring zult
hebben gevonden.
„Ga nu heen, begin een nieuw leven en maak door ernstigen arbeid weer
goed, wat je hier, al is het ook slechts in gedachten, hebt misdaan.”
De secretaris drukte de hem toegestoken hand van den onbaatzuchtigen
beschermer en bevochtigde die slanke, fijngevormde hand met zijn heete
tranen.