vrienden zich daar hadden laten inrichten.
Omringd door een tamelijk groot park met breede kiezelwegen,
standbeelden en waterwerken, maakte het den indruk van een klein
Versailles.
Grotten en heestergroepen noodigden uit tot vertrouwelijke
samenkomsten.
Het inwendige van de villa was volkomen met dit alles in
overeenstemming.
De groote zaal, waarop waaiervormig verscheiden andere vertrekken
uitkwamen, was geheel in Moorschen stijl gehouden. Groote kroonlichten,
die van het plafond afhingen, verspreidden een rijkdom van licht, dat
door hooge spiegels, die van het plafond tot op den vloer reikten, werd
weerkaatst.
Voor de kunstig gebeeldhouwde zuilen, die gekroond waren met vergulde
drakenkoppen, verhieven zich smaakvolle standaards, welke bloeiende
uitheemsche planten droegen.
Overal zag men hangers met frisch groen en welriekende bloemen.
Een gezelschap van vijf heeren en zeven dames bewoonde het huis. De
mannelijke leden van het gezelschap waren deels in rok, deels in
smoking verschenen.
Elk kennersoog moest verrukt zijn door het zien van deze dames.
Een rij uitgelezen schoonheden, ieder van een ander type.
Twee gegalloneerde bedienden hadden zooeven de resten van het souper
afgeruimd en de gasten stonden in afzonderlijke groepjes bij elkaar.
De heeren offreerden de dames sigaretten en weldra stegen blauwe
rookwolkjes op, wier lucht zich vermengde met de geuren der bloemen en
parfums.
Op een ottomane lag, lang uitgestrekt, een gevulde blondine. Haar
rossig haar omlijstte een fijngesneden pikant gezichtje en hulde het
als in een gouden stralenkrans. Zij had den linkerarm onder het hoofd
gevouwen, terwijl de rechterhand gracieus de sigaret vasthield.
Eenige kringen in de lucht blazend, sprak zij tot een jong meisje, dat
juist op een kussen naast haar ging zitten:
„Nu, lieve Manon, is het niet verrukkelijk in ons kleine Paradijs?”
De toegesprokene wendde haar groote donkere oogen naar de spreekster en
antwoordde:
„Ja, het is werkelijk zalig. Ik wou Harro eigenlijk niet gelooven, toen
hij mij alles zoo bekoorlijk voorschilderde, en zou ook niet gekomen
zijn, als Lucie mij niet zoo had verveeld.”
Een rijzige jonge man kwam bij de praatster, pakte een der kleine,
rozige oorlelletjes, kuste dat en vroeg vroolijk:
„Daar juist hoorde ik mijn naam noemen. Wat zou de arme Harro weer
misdaan hebben?”
„Deze keer bij uitzondering geen domme streken!” klonk het lachend
terug, en Manon bevrijdde haar oorlapje uit de aangename gevangenschap.
Daarna sprong ze licht als een veertje overeind en zweefde met een der
andere heeren, die zich op dat oogenblik bij het groepje had
aangesloten, weg, gracieus ronddraaiend op de maat van een wals.
Een der heeren was intusschen aan den vleugel gaan zitten en liet een
aanlokkelijk wijsje weerklinken.
Lord Westerbull, die tegen een der zuilen aan leunde, zei tot een der
voor hem staande heeren:
„Graaf Armani, ik geloof toch, dat ik uw smaak geraden heb, toen ik u
uitnoodigde, met mij naar dit goddelijkst hoekje der wereld te gaan.”
De aldus toegesprokene streek met zijn welverzorgde hand, waaraan een
gouden ring schitterde, door zijn donkeren puntbaard en antwoordde
glimlachend:
„Ik ben u zeer verplicht, Lord. Alleen betreur ik het, dat ik niet de
eer zal hebben, aan den bezitter van al deze kostbaarheden te worden
voorgesteld, om hem mijne excuses aan te bieden voor mijn
vrijpostigheid.”
De spreker was een lange man van bij de veertig. Een donkere puntbaard
omlijstte de scherpe, edele trekken van zijn gelaat.
„Ik ben ervan overtuigd, beste Graaf,” zei Lord Westerbull, „dat Lord
Morvill binnen korten tijd hier zal zijn. Een heel bijzondere magneet
trekt hem namelijk vandaag hierheen.”
Hij wees hierbij met een alleszeggend knipoogje naar Manon, die daar
juist met haar vriendin Lucie als een dolleman voorbij de beide heeren
danste.
Graaf Armani volgde den blik van Lord Westerbull, en een gedwongen
glimlachje kwam op zijn gelaat.
Op dit oogenblik ging de deur open en Lord Morvill trad de zaal binnen.
De bekoorlijke blondine liet zich gauw van de rustbank glijden en vloog
naar Lord Morvill toe. Terwijl zij haar mollige, blanke armen om zijn
hals sloeg, vertrok zij haar roode mondje tot een bekoorlijk pruillipje
en vroeg:
„Waar ben je toch zoo lang geweest, my dear? Je kleine Nelly heeft zoo
erg naar je verlangd?”
Lord Morvill weerde de liefkozingen af en duwde zonder een woord te
antwoorden de schoone vraagster op zij. Zijne oogen vlogen door het
vertrek en bleven op Lord Westerbull rusten. Haat en woede stonden op
zijn gelaat te lezen.
Lord Westerbull scheen dit niet te bemerken, hij knikte Morvill
vriendschappelijk toe en trad hem tegemoet om hem de hand te drukken.
Deze echter keek Westerbull met een doordringenden blik aan en zei op
scherpen toon:
„Lord Westerbull, ik moet u om een onmiddellijk onderhoud onder vier
oogen verzoeken.”
Toestemmend boog de Lord en antwoordde:
„Ik ben dadelijk tot uw dienst. Sta mij toe, mijn waarde, graaf Armani
aan u voor te stellen. Ik had het genoegen, met hem kennis te maken,
toen ik twee jaar geleden uit Brazilië terugkeerde. Vanmiddag
ontmoetten wij elkaar toevallig in een café.
„Daar ik de voorliefde van den graaf voor schoone vrouwen kende,
vertelde ik hem van dit kleine paradijs, dat uw goedheid en uw fijne
smaak voor ons heeft geschapen.”
„Natuurlijk was ik verrukt,” begon graaf Armani, „en verzocht Lord
Westerbull, of hij mij niet in dezen kring zou kunnen introduceeren.
Zijn Lordschap was zoo vriendelijk, mij borg te staan voor uwe
welwillende toestemming, Lord Morvill, en nu ben ik dan hier, om u
vergiffenis te vragen voor mijn vrijpostigheid en uw verlof voor een
langer verblijf.”
„Wees hartelijk welkom, graaf, maak het u zoo behaaglijk mogelijk in
dezen kring van vreugde en genot,” zei Lord Morvill vriendelijk en
reikte hem de hand.
Armani dankte met eene ceremonieele buiging en trad bescheiden
achteruit.
„Ik dank u, beste Lord,” zei Westerbull, „dat gij mijn woord gestand
hebt gedaan en ben gaarne tot uw dienst.”
Lord Morvill noodigde Westerbull met een kort gebaar uit en trad een
der zijvertrekken binnen, Westerbull volgde hem.
Morvill had de deur dicht gedaan en liep met groote stappen opgewonden
door de kamer.
Westerbull keek hem verbaasd na, en stak, tegen den schoorsteenmantel
geleund, een sigaret aan.
Nog steeds zette Morvill zijn wandeling voort, af en toe Westerbull met
onderzoekenden blik aankijkende.
Eindelijk vroeg deze lachend:
„Ha, beste Lord, hebt gij mij naar dit vertrek gelokt, om mij een
kleinen wedloop te laten zien?”
De Lord bleef dicht voor Westerbull staan en vroeg kortaf:
„Waar waart gij vanavond?”
Verbaasd keek Lord Westerbull zijn overbuur aan en antwoordde kalm:
„Sta mij toe, Lord, dat ik uw vraag met een wedervraag beantwoord. Wat
gaat het u aan, waar ik mijn tijd doorbreng?”
Lord Morvill werd vuurrood in zijn gelaat.
„Maak maar geen uitvluchten en beantwoord mijn vraag. Waar waart ge
vanavond?”
„Mijn beste Lord,” antwoordde Westerbull volkomen kalm, „ik bemerk, dat
gij zeer opgewonden zijt. Al is mij ook de oorzaak hiervan onbekend,
toch is mij dit voldoende, om de beleedigende toon en manier, waarop
gij thans tegenover mij staat, vergeeflijk te doen schijnen. Wij zijn
te oude en goede vrienden, dan dat een misverstand ons van elkaar moge
verwijderen. Ik zal dus uw vraag beantwoorden.”
Morvill had zich afgewend en begon weer zijn zenuwachtige wandeling
door de kamer.
Westerbull vervolgde:
„Zooals gij reeds gehoord hebt, ontmoete ik vandaag toevallig graaf
Armani. Ik had hem de toezegging gedaan, hem hier te introduceeren.
Eerst wilden we echter naar de Club. Ik had verwacht u daar te
ontmoeten en door mijn tusschenkomst de heeren met elkaar in kennis te
brengen.”
„Gij waart echter niet in de Club,” viel Morvill zijn overbuur in de
rede.
„Dat is zoo, Lord. Armani had mij beloofd, om negen uur in café Royal
te zijn. Ik wachtte echter tot 12 uur tevergeefs op hem. Toen hij
eindelijk kwam, leek het mij beter direct hierheen te rijden.”
„Schurk, je liegt!” schreeuwde Morvill, trok zijn Browning-pistool uit
zijn zak en mikte op Westerbull.
Op het oogenblik, dat hij wilde aftrekken, voelde hij een krachtigen
slag tegen zijn benedenarm. De kogel, van zijn doel afgericht, drong
met een slag in het plafond.
Het was graaf Armani, die op het beslissend oogenblik de kamer was
binnengestormd en den slag op Lord Morvills arm had toegebracht.
Op het oogenblik dat het schot weerklonk, hoorde men in de Moorsche
zaal luide kreten van schrik.
De muziek hield plotseling op en alles verdrong zich vóór het vertrek,
waarin zich de heeren bevonden.
Graaf Armani ontving de indringers bij de deuropening.
Met een gemaakt lachje zei hij:
„Dames en heeren, ik verzoek u niet te schrikken, het is niets. Lord
Morvill had daar juist de goedheid ons eene nieuwe beveiliging aan zijn
pistool te laten zien. Het schijnt echter, dat deze niet geheel in orde
was, want plotseling knalde een schot. Gelukkig is er geen onheil
geschied. We zullen over een paar minuten bij u zijn. Voor ’t oogenblik
verzoek ik, om een beetje rust voor Lord Morvill, die door het gebeurde
wat geschrokken is.”
Het gezelschap liet zich spoedig geruststellen, en weldra drongen weer
vroolijke klanken door tot de eenzaamheid van het kabinet.
Nadat graaf Armani de deur had gesloten, keerde hij in de kamer terug
en zei op vriendelijken toon:
„Ik acht mij gelukkig, mijne heeren, dat ik op den eersten avond van
mijn verblijf u beiden een dienst heb kunnen bewijzen. Ik hoop echter
nog meer te kunnen doen, daar ik wellicht iets kan bijdragen tot
opheldering van het misverstand, dat hier blijkbaar plaats heeft.”
Lord Morvill was met het nog rookende pistool in zijn hand in een stoel
neergezakt. Zijn gelaat was krijtwit.
Lord Westerbull stond nog steeds tegen den schoorsteenmantel geleund.
Met gefronste wenkbrauwen keek hij zijn aanvaller aan.
Opnieuw nam graaf Armani het woord:
„Mijne heeren, ik was getuige van de scène tusschen u beiden en hoorde
uwe beschuldiging, Lord Morvill. Ik kan u mijn eerewoord geven, dat de
beweringen van Lord Westerbull volkomen met de feiten in
overeenstemming zijn.
„Ik was verhinderd en kon beslist niet om negen uur in Café Royal zijn.
Lord Westerbull had de overdreven goedheid daar tot 12 uur op mij te
wachten en toen reden wij hierheen.”
Lord Morvill stond op van zijn stoel.
Hij voerde een zwaren inwendigen strijd. Opeens trad hij op Westerbull
toe en sprak:
„Lord Westerbull, ik zie in, dat ik een onrecht tegen u heb begaan. Ik
heb mij door mijn groote opgewondenheid, waarvoor ik u ook een
verklaring zal geven, tot een onwaardige handelwijze laten voeren. Ik
verzoek u om vergiffenis!”
Morvill had Westerbull de hand reeds toegestoken. Deze echter wierp een
vernietigenden blik op zijn tegenstander en zei op snijdenden toon:
„Lord Morvill schijnt niet veel eergevoel te hebben, als hij meent, met
een paar woorden eene zware beleediging, ja de poging tot een
sluipmoord, goed te kunnen praten.”
Zoo wit als de dood week Morvill een schrede achteruit en zei met een
korte buiging:
„Ik ben tot uw dienst.”
Graaf Armani had dit optreden met belangstelling gevolgd en sprak, zich
tot Lord Westerbull wendend:
„Maar, beste Lord, laat het niet tot het uiterste komen. Zijn Lordschap
heeft zijn ongelijk al bekend en daarmede moet onder oude
vrienden......”
„Het spijt mij zeer,” viel Westerbull hem in de rede, „dat ook gij op
dit standpunt staat. Ik ben in elk geval gewend smaad met bloed uit te
wisschen. Ge zult van me hooren!”
Met een korte buiging verliet Westerbull het kabinet.
Morvill wendde zich direct tot Armani en zei:
„Graaf, gij waart getuige van het gebeurde. Gij hebt mijn zonderlinge
gedraging gezien. Gij zaagt de onzalige daad waartoe ik mij liet voeren
en aan uwe tusschenkomst heb ik het te danken, dat ik thans geen
moordenaar ben. Gij hebt daardoor recht op mijn oneindige dankbaarheid
verworven.
„Ik ben u ook een volledige verklaring verschuldigd, opdat gij mijn
optreden zult kunnen begrijpen.
„Wanneer gij alles weet, zal ik u verzoeken, bij het aanstaande duel
mijn getuige te zijn, en gij zult mij dezen vriendschapsdienst niet
weigeren.”
Lord Morvill had den graaf uitgenoodigd te gaan zitten en vertelde hem
daarna nauwkeurig en zonder omwegen alles wat hij had doorleefd. Hij
sprak van den roof van den bruidsschat zijner vrouw door Raffles, van
zijn ontdekking in het tuinhuisje en van zijn jaloezie op Westerbull.
Nadat Morvill zijn verhaal had geëindigd, vroeg hij graaf Armani of hij
genegen was, hem te secondeeren.
Armani verklaarde zich hiertoe bereid, waarop Morvill zei:
„Ik zal dus de eer hebben, u reeds in den loop van den voormiddag bij
mij te zien?”
Graaf Armani knikte toestemmend. Tegelijkertijd kwam er een glimlach op
zijn gelaat en hij mompelde:
„Dus, schoone Lady, spoedig zullen we elkaar terugzien.”
Op dit oogenblik traden twee heeren van het gezelschap de kamer binnen,
stelden zich aan Lord Morvill voor als de secondanten van Westerbull en
brachten formeel diens eisch over.
Lord Morvill noemde daarna graaf Armani als zijn getuige, en de heeren
bespraken in ’t kort, waar ze elkaar over een paar uur zouden ontmoeten
om de nadere voorwaarden voor het duel te bepalen.
Daarna verlieten Lord Morvill en graaf Armani de villa langs een
zijtrap.
ZESDE HOOFDSTUK.
DE TROUWE DIENAAR VAN ZIJN MEESTER.
Lady Morvill had den nacht rusteloos in haar kamer doorgebracht.
Toen het bleeke licht van den aanbrekenden dag door de ruiten scheen
verlichtte het het gelaat van de Lady, dat vaalbleek was.
Krampachtig hield haar hand het fleschje met het vergift omklemd.
Duizenderlei gedachten, beelden en gewaarwordingen woelden thans in
haar hoofd rond.
Hoe zou zij de zware daad volbrengen? Zij zelf voelde niet de kracht
daartoe in zich. Zou zij aan John Wilkens vragen, of die haar wilde
uitvoeren? Eens was hij al, ter wille van haar, inbreker geworden; zou
hij ook moordenaar...?
Zij rilde al, alleen bij de gedachte, aan dat woord. Zij wilde den
giftbeker wegslingeren, doch hield hem daarna weer krampachtig vast.
Zij zag hierin de eenige redding uit de ketenen van een rampzalig
huwelijk.
Lady Morvill was gewoon zich eerst tegen 11 uur uit Morpheus’ armen te
bevrijden. Vandaag zag de morgenschemering haar reeds buiten haar
legerstede.
Zij had geen lust om zooals gewoonlijk het kamermeisje te bellen. Zij
had zelf een lichte morgenjapon aangedaan en zat nu voor haar elegante
schrijftafeltje in het boudoir. Zij wilde schrijven, doch wist niet wat
en aan wien. Mismoedig sprong zij overeind en liep rusteloos rond.
Op welke wijze toch zou zij de ketenen kunnen afwerpen? Eindelijk
scheen zij een besluit te hebben genomen. Zij drukte op den knop der
electrische schel.
Het geduld der schoone Lady werd heden op een zware proef gesteld.
Eerst nadat zij voor de derde maal belde, verscheen het kamermeisje,
geheel ontdaan, haar meesteres zoo vroegtijdig reeds wakker te vinden.
Zij informeerde, zeer geschrokken, of de Lady lijdende was.
Lady Morvill maakte een afwerend gebaar en vroeg kortaf:
„Is de Lord al thuis gekomen?”
Het kamermeisje meldde:
„Zijn Lordschap is ongeveer een half uur geleden thuis gekomen en trok
zich dadelijk in zijn vertrekken terug.”
„Het is goed, breng mij chocolade.”
Het kamermeisje wilde zich met een buiging terugtrekken, toen de Lady
haar nog toeriep:
„Meld mij even, zoodra mijnheer Wilkens op kantoor komt!”
Nogmaals buigend verliet het kamermeisje het boudoir.
Lord Morvill had zich niet, zooals het kamermeisje vertelde, ter ruste
begeven. Van villa Victoria terugkomend ging hij dadelijk naar zijn
studeerkamer.
Nadat hij eenige brieven had behandeld begon hij zijn uitersten wil
neer te schrijven. Toen hij dat schriftuur had verzegeld sloot hij het
op in het middelste vakje van zijn schrijftafel en belde zijn
kamerdienaar.
Tom trad binnen. De Lord beval hem, de brieven dadelijk ter post te
bezorgen, belet te vragen bij den zaakwaarnemer van den Lord en dezen
te verzoeken zoo spoedig mogelijk bij hem te komen.
Daar hij meende nu voor alles te hebben gezorgd, stak hij een sigaret
aan en ging op zijn rustbed liggen.
De slaap wilde echter niet komen. Lord Morvill liet zijn geheele
vervloden leven aan zijn geestesoog voorbijgaan. Zijne echtgenoote,
door wie hij zich zwaar beleedigd voelde, wilde hij niet terugzien,
voordat hij zich met zijn tegenstander had gemeten.
Nog vóór zijn vertrek van villa Victoria had Lord Westerbull zijn
secondanten benoemd en Morvill wist, dat deze nu reeds met graaf Armani
en een bevriend heer uit de club de nadere regeling bespraken.
Weldra moesten de heeren komen om hem de voorwaarden van het duel mee
te deelen.
De Lord volgde peinzend de rookwolken, die uit zijn sigaret kwamen.
Opeens trad Tom de kamer binnen en berichtte, dat John Wilkens juist
zijn bureau was binnengegaan.
„Wil je Mr. Wilkens verzoeken, direct bij mij te komen.”
Tom verliet het vertrek om het bevel op te volgen, en een oogenblik
later trad de geheim-secretaris de kamer van den Lord binnen.
Deze wees naar een stoel en zei:
„Kom bij mij zitten, beste Wilkens, ik heb het een en ander met u te
bespreken.”
De secretaris had een stoel dicht bij het rustbed, waarop Lord Morvill
lag uitgestrekt, gezet en plaats genomen.
Lord Morvill vervolgde:
„Ik zal waarschijnlijk over een paar uur op reis gaan en weet nog niet
hoe lang ik van huis zal blijven. Behandel alle zaken zooals
gewoonlijk; opdat ge niet in verlegenheid zult zitten, overhandig ik u
hier een cheque van 500 pond. Mochten zich complicaties voordoen, stel
u dan in verbinding met mijn zaakwaarnemer. Ik verwacht dezen ieder
oogenblik en zal alles met hem bespreken.”
De Lord had den cheque ingevuld en reikte hem over aan Wilkens. Daarop
trok hij een ring van zijn vinger. Het was een zoogenaamde
Rance-Topaas, die door kleine brillanten was omgeven.
Lord Morvill overhandigde dezen ring aan Wilkens met de woorden:
„Beste Wilkens, ik was altijd zeer tevreden over u. Opdat ge niet zal
denken, dat ik u medeplichtig acht aan den diefstal van gisteren, of u
van onachtzaamheid of plichtsverzaking verdenk, verzoek ik u dezen ring
aan te nemen en als aandenken aan mij te dragen.”
De secretaris, die zich zijn zware schuld zeer wel bewust was, kleurde
hevig. Deze goedheid van zijn weldoener en meester ontroerde hem meer,
dan wanneer Lord Morvill hem aan het gerecht had overgeleverd. Hij wist
niet, welke houding hij zou aannemen, stamelde eenige woorden en wilde
den ring teruggeven.
Opeens kwam Tom de kamer binnen en meldde, dat graaf Armani, Lord
Colter en de notaris gekomen waren.
Lord Morvill ging voort:
„Draag den ring. Ik wil het! En laat mij nu alleen, ik moet met de
heeren werken.”
Met een diepe buiging trok de jonge man zich terug.
Hij was geheel van streek; de ring brandde hem in de handen.
Toen hij de kamer had verlaten, beduidde de Lord zijn kamerdienaar, dat
hij de heeren zou binnenlaten.
Lord Morvill stond op en ging de binnenkomenden tegemoet.
Nadat de begroeting had plaats gehad, vroeg Lord Morvill:
„Welnu, zijn de voorwaarden vastgesteld?”
„Zeker,” antwoordde graaf Armani, „vanmorgen om 11 uur in het boschje
tusschen de vijvers. Tien pas afstand. Vuren bij het avanceeren.”
De Lord gaf een goedkeurend knikje.
Daarna wendde hij zich tot den notaris, om hem zijn testament ter hand
te stellen en hem eenige belangrijke vragen ter beantwoording voor te
leggen.
Toen alles was afgesproken verliet de notaris den Lord met de beste
zegewenschen, waarna Lord Morvill bevel gaf het rijtuig in te spannen,
dat de heeren naar het terrein van den strijd zou brengen.
Nadat Tom de mededeeling had gebracht, dat ook dit bevel was
uitgevoerd, verlieten de heeren tezamen de villa en reden weg in den
lachenden zonneschijn van den heerlijken morgen.
Lady Morvill had door middel van haar kamermeisje de mededeeling
ontvangen, dat Wilkens weliswaar op zijn bureau was gekomen, doch
dadelijk bij den Lord was ontboden.
Ongeduldig wachtte zij af of Wilkens zou terugkomen.
Op hem was haar hoop gevestigd. Hij moest en zou haar helpen bevrijden.
Zij zelf deinsde er voor terug, haren echtgenoot den giftbeker, waarin
zij nog alleen hulp en redding zag, over te reiken; daarom hoopte zij
door vleierijen en haar volmaakte koketterie Wilkens over te halen tot
deze afschuwelijke misdaad.
Toen men haar bericht had, dat de jonge man op zijn bureau was
teruggekeerd, wachtte ze er geen oogenblik mee, hem daar te bezoeken;
temeer, daar zij gehoord had, dat de Lord met nog twee heeren de villa
had verlaten en uit rijden was gegaan.
De schoone sirene maakte van alle verleidings-kunstgrepen gebruik.
Haar blanke armen om den hals van den jongen man slaande, schilderde
zij in geuren en kleuren haar wanhoop.
Hij kon zich aan hare bekoring niet ontworstelen.
Toen de Lady zag, dat zij den secretaris geheel in haar macht had,
waagde zij het een kleine toespeling te maken op hetgeen zij van
Wilkens verwachtte.
De mooie vrouw was voor hem op de knieën gevallen en had alles zoo
ingericht, dat zij bij haar voetval gemakkelijk de speld kon
verwijderen, die haar zijden haardos bijeenhield.
Het haar was nu losgeraakt en als in een golvenden mantel gehuld,
knielde zij in een verleidelijk ochtendgewaad voor den jongen man neer.
Wilkens hoorde stom en willoos de beweringen der Lady aan. Het bezit
van deze heerlijke vrouw scheen hem het grootste geluk toe.
Plotseling echter doemde voor zijn oog de beeltenis van zijn oude
moeder op. Hij zag haar de handen wringen en hem badend in tranen,
verwijtend aankijken.
Als ontwakend uit een gevarendroom sprong hij plotseling overeind.
Met gesmoorde stem kwam het van zijn lippen:
„Ga heen, Lady! Voor deze daad vindt gij in mij geen bondgenoot.”
De Lady keek als ontnuchterd naar den jongen man.
Dat had zij niet verwacht.
Was er een man, die haar weerstond?
Haar ijdelheid was diep gekrenkt, en dat smartte haar meer dan het
mislukken van haar plan.
Een blik vol haat werpend op den jongen man, verliet zij zonder een
woord te spreken het vertrek.
Wilkens slaakte een diepe zucht. Hij ging naar het raam en keek naar de
voorbijschuivende wolken.
ZEVENDE HOOFDSTUK.
HET DUEL.
De Woudzee baadde in het heldere zonnelicht. Het beekje, dat door de
vlakte stroomde, geleek op een zilveren band, dat door een overmoedig
kind in de haren is gevlochten.
Het vroolijke gezang der vogels weerklonk. Alles ademde vreugde en
levenslust.
De Woudzee lag daar zoo rustig en stil, alsof zij nimmer eenig
menschelijk leed had aanschouwd en toch was zij reeds herhaaldelijk
getuige geweest van bloedige twisten.
De bodem was reeds meermalen gedrenkt met het bloed van jonge
menschenharten, welke waren gekomen om zich op te offeren aan
waanbegrippen.
Bij een open plek tusschen de boomen stonden twee rijtuigen. Uit het
eene was Lord Westerbull met twee heeren gestapt, terwijl het andere
rijtuig den dokter en Lord Exter had gebracht.
De heeren drukten elkaar ter begroeting de hand. De dokter bekeek het
terrein aandachtig; spoedig had hij gevonden, wat hij zocht.
Hij liep naar een boomstam, opende daar het meegebrachte kistje met
verbandartikelen en maakte alles in gereedheid.
Van den nabijzijnden straatweg hoorde men het rollen van een rijtuig en
Lord Morvill verscheen met zijn beide getuigen.
De heeren wisselden een beleefden groet. Daarop gingen de secondanten
naar elkaar toe, beraadslaagden eenige oogenblikken om daarna, zich tot
de tegenstanders wendend, nog een laatste poging tot verzoening te
doen.
Daar deze poging zonder resultaat bleef, begaven zij zich naar het
kistje, waarin de pistolen lagen en laadden de wapens.
De onpartijdige getuige duidde de standplaats aan voor Lord Westerbull.
Hierop telde hij vijf schreden af en liet daar zijn zakdoek vallen om
de plek aan te wijzen, waarop de tegenstanders rug aan rug moesten gaan
staan.
In rechte lijn vijf schreden verder loopend, wees hij daarop ook
Morvill diens plaats aan.