Van mijne taak heb ik het deel volbragt, door de wet mij opgelegd. Een

ander deel, waartoe hoogachting en dankbaarheid mij nopen, blijft te

vervullen over.--Het eerst rigt ik mij tot U, Edel Groot Achtbare Heeren

Curatoren! die met onvermoeiden ijver de belangen behartigt der

Hoogeschool, aan uwe hooge zorgen toevertrouwd. Steeds uw blikken gerigt

op den vooruitgang der Wetenschappen en op den toestand der Hoogeschool,

is het uw heilig streven, dezen aan de eischen van gene te doen

beantwoorden. Het kon uw naauwlettend oog niet ontgaan,--en gij hoordet

het telkens door zaakkundige mannen rondom u uitspreken,--dat de

geneeskundige wetenschappen, terwijl zij meer het karakter en den geest

der natuurkundige aannamen, zich op ruimer en ruimer gebied vestigden.

Dit eischte in uw oog dan ook ruimere voorziening in het onderwijs; en

de betrekking, waarin ik thans sta tot de Hoogeschool, strekt ten

bewijze, dat gij niet geaarzeld hebt, tot stand te brengen, wat uwe

overtuiging u als wenschelijk had voorgespiegeld. Mij hebt Gij

geroepen,--en onze geëerbiedigde Koning heeft uwe keuze

bekrachtigd,--niet zoo zeer om eene taak op mij te nemen, die vroeger op

andere schouders rustte, dan om naast den werkkring van ijverige

Ambtgenooten mij, als leeraar, een' weg te banen op het uitgebreid

gebied der geneeskundige wetenschappen.--Gij zult geene klagte van mij

vernemen, Edel Groot Achtbare Heeren! dat mijn werkkring hier te beperkt

is: integendeel, ik spreek het opentlijk uit, dat men nog aan meer dan

één' nieuw Ambtgenoot eene even uitgebreide taak zou kunnen aanwijzen,

die ook thans nog onvervuld moet blijven. Maar, vergeeft het mij, zoo ik

u toch op eene schaduwzijde wijzen moet: ik bedoel het verbroken

evenwicht tusschen de eischen der vorderende wetenschap, die gij door

uwe voorziening in het onderwijs bewezen hebt volkomen te begrijpen, en

de nog onveranderde wettelijke vereischten, voor wie den graad van

Doctor in die wetenschap verlangt. In Nederland worden thans nog

geneeskundige studien volbragt, zonder dat de grondslagen der

physiologie van den gezonden en van den zieken mensch, de weefselleer en

de ziektekundige ontleedkunde, tot de verpligte lessen behooren. In

Nederland worden thans nog wettig Doctoren gecreëerd in de genees-,

heel- en verloskunde, zonder dat bewijzen van bekwaamheid in de genoemde

wetenschappen worden gevorderd.--Ik koester met vertrouwende gerustheid

den wensch, dat uw veelvermogende invloed niet zal in gebreke blijven,

tot herstelling van het hier verbroken evenwigt bij te dragen.

Maar reeds week ik te ver af van de gevoelens, die mij bezielden, toen

ik mij tot u wendde. Indien ik plegtig verklaar, dat aan de loopbaan,

die gij voor mij geopend hebt, het geluk mijns levens innig verbonden

is, dat de later van u ontvangene blijken van welwillende belangstelling

eenen diepen indruk hebben gemaakt op mijn gemoed, en dat mijn hart warm

en erkentelijk is, dan hebt gij den maatstaf der dankbaarheid, die mij

jegens u bezielen moet.

Maar uw in mij gesteld vertrouwen droeg niet slechts bij tot mijn geluk:

het was mij daarenboven in de hoogste mate vereerend. Het zou overbodig

zijn, en gewis mij weinig passen, over uwe groote verdiensten voor deze

Hoogeschool uit te weiden: alleen op de getuigenis van hen, die het

langen tijd van nabij gezien en ondervonden hebben, kondt gij eenigen

prijs stellen,--en dát ontbrak u nimmer. Maar ik voel mij toch gedrongen

u te zeggen, dat uw vertrouwen mij in te hoogere mate vereert,

naargelang uwe waarachtig belangstellende zorgen voor de Hoogeschool in

zoovele anderen uwer bemoeijingen duidelijker zijn afgedrukt; ja! dat ik

er trotsch op ben, door u tot eene betrekking te zijn voorgedragen,

waarvan het volle gewigt mij levendig voor den geest staat. Ik heb mij

als levensdoel gesteld, aan uw vereerend vertrouwen naar mijne krachten

waardiglijk te beantwoorden. Geene poging hiertoe zal onbeproefd

blijven; maar dikwijls, ik gevoel het, zal ik uwe welwillende

ondersteuning hiertoe moeten inroepen. Reeds hebt gij mij geleerd, dit

met vertrouwen te doen,--en door uwe handelingen mij den wensch in den

mond gelegd, dat gij nog eene lange reeks van jaren, altijd even ijverig

bijgestaan door uwen hooggeschatten, wakkeren Secretaris, aan het

welzijn der Hooggeschool uwe goede zorgen moogt toewijden.

* * * * *

Ook tot u, Weledele Hooggeleerde Heeren, waarde Ambtgenooten, en Zeer

Geleerde Heeren Lectoren! rigt ik mij met volle vertrouwen. Doorloop ik

uwe rijen, dan ontdek ik mannen, die, grijs geworden in wetenschap en

letterroem, mij hooge achting, diep ontzag inboezemen; maar ik zie ook

onder u geëerde Leermeesters, die mij altijd met heusche welwillendheid

den weg tot wetenschap hebben aangewezen,--vrienden, die mij met hunnen

omgang vereerden, vóór ik hen als Ambtgenooten mogt begroeten; en in u

allen herken ik ambtgenooten, die mij welwillend zijt te gemoet

getreden, toen een koninklijk besluit mij aan uwe zijde plaatste.

Ik wierp met u een' blik op de prachtvolle harmonie van het dierlijk

leven,--en al die pracht zagen wij aan ijzeren boeijen geketend. Maar

een hooger beginsel ademt de harmonie, waarmede gij eenparig streeft

naar hetzelfde verheven doel: want, in dit streven kent gij geene

wetten, ziet gij geene noodzakelijkheid. Gij gevoelt: het geschiedt met

bewustzijn, het berust op vrije wilsbepaling.--Thans ben ik geroepen, om

mij met u tot ontwikkeling der hoogere vermogens van den mensch te

vereenigen. Die taak rust zwaar mij op de schouders. Mijne beste

pogingen, om hierin harmonisch met u zamen te stemmen, zou ik gewis

dikwijls zien verijdeld, wanneer gij niet steeds gereed stondet, mij

welwillend de hand tot ondersteuning toe te reiken. Dit zij hierom de

bede, tot u allen gerigt--de bede, waarmede ik mij dringend, maar ook

vol vertrouwen, wende tot de leermeesters mijner academiejaren, die ook

later nimmer ophielden, mij voor te lichten op het pad der wetenschap.

* * * * *

Maar ik zie onder u nog een' vriend, een' leermeester van latere jaren,

wiens naam luide weergalmt in de tempelen der wetenschap, wiens geest

kracht heeft en moed, wiens hart gloeit voor wat goed en edel is. Ik

weet het, Mulder! gij zijt afkeerig van openlijk huldebetoon.

Wierook-walmen stijgen niet tot u op. Maar mag het hulde heeten, wanneer

ik zeg, dat gij nimmer hebt opgehouden, mijn' blik in de natuur en in de

menschenwereld te verruimen, dat gij altijd en overal mijne belangen met

vurigen ijver hebt behartigd, dat, wanneer ik, door leed of angst

geprangd, naar een' vriend omzag, gij aan mijne zijde stondt!... Neen!

hulde mag het niet heeten, waar, voor sprekende feiten, zwakke woorden

in de plaats treden.--Ik gevoel het, Mulder! ik heb noch den

geest krachtig, noch het hart warm genoeg, om beide bij u te bevredigen;

maar rein zijn toch de vriendschap en dankbaarheid, die mij bezielen--en

gij zult ook de kleine bron niet versmaden, wanneer ze u frisch en

helder water biedt.

* * * * *

Hartelijk verheugt het mij, ook u hier te zien, Wel Edelgestrenge, Zeer

Geleerde Heeren! die ik, nog kort geleden, de eer had, mijne

Ambtgenooten te noemen. Ik wist het, dat gij een levendig deel naamt in

de mij te beurt gevallen onderscheiding; en uwe tegenwoordigheid op deze

plaats is mij hiervan een nieuw bewijs. De vijf volle jaren waarin wij

onze krachten tot één doel zamenspanden, waren de gewigtigsten mijns

levens. Aan deze, en voor een groot deel aan U, ben ik mijne

wetenschappelijke vorming inzonderheid verschuldigd. Ik herdenk het met

zoo veel voldoening, hoe ik dagelijks door uwen ijver werd aangewakkerd,

hoe ik dagelijks mij kon spiegelen aan naauwgezette pligtsbetrachting,

hoe gij mij dagelijks deedt ondervinden, dat ik met vrienden leefde.

Hebt dank voor uwe hartelijke gezindheid mijwaarts, die zich nimmer

verloochende; en, mogen wij niet langer door ambtsbetrekking vereenigd

zijn,--de heilige band, die tot de minste sporen van misverstand en

tweedragt steeds uit ons midden weerde, blijve ook thans hechter dan

immer gesloten!

* * * * *

Ten slotte wend ik mij tot u, Aanzienlijke Schaar van Jongelingen! want

aan u is mijn volgend leven toegewijd. Ik ben geroepen, om u voor te

gaan op den weg tot wetenschap; en zucht tot kennis brandt in u allen.

Ziet! zoo is reeds eene harmonische betrekking tusschen ons

geboren.--Zoekt gij bij mij de veelomvattende kennis en grondige

geleerdheid, die wij vereeren en hoogschatten alleen in mannen, wier

leven onafgebroken aan ijverige studie gewijd was, ik moet u

teleurstellen maar verlangt gij bereidvaardigheid in het ondersteunen

uwer pogingen, ijver en lust om u nuttig te zijn, ik bied ze u van

ganscher harte aan. En wij kunnen immers gezamenlijk het veld onzer

kennis uitbreiden. Gij toch, die u toewijdt aan de beoefening der

natuurkundige wetenschappen, waaronder ik ook de geneeskundige begrepen

acht, gij weet het, hoe men tot waarachtige kennis kan opklimmen. De

kennis, die gij verlangt, ligt in de voorwerpen en verschijnselen der

natuur opgesloten: zintuigelijke waarneming van deze is de éénige wijze,

waarop zij te verkrijgen is. Van de stelling uitgaande, dat niets wat

waarneembaar is, wordt gekend, vóór het is waargenomen, moet het steeds

mijn streven zijn, u de voorwerpen en verschijnselen der Natuur

waarneembaar voor te stellen. En zóó immers is ons de gelegenheid

gegeven, gezamenlijk kennis op te doen. Ik wil niet tot u spreken als

een boek, en daarom behoef ik ook niet de geleerdheid van een boek; maar

ik zal trachten, uwe zintuigen te scherpen, en ze met uwen geest in

nader verband te brengen. Gij moet leeren zien, hooren, ruiken, proeven

en tasten; en gij moet het bewustzijn hebben, dat gij met deze vermogens

tot ware kennis kunt geraken. Daarin bestaat het groote geheim, om

zelfstandig te worden. Hebt gij de indrukken zelf uit de natuur

opgezameld, gij zult ze gemakkelijk leeren ordenen. Die kennis is dan uw

eigendom, dien niemand u kan betwisten; en op dien grond zijt gij nu

zelfstandig.

Geene andere lauweren verlang ik in mijnen werkkring, dan iets te mogen

bijdragen, om u tot die zelfstandigheid te vormen.

De Harmonie van het Dierlijke Leven: De Openbaring van Wetten · 第 3 / 3 段