dan in de zintuigen. Bij den blindgeborene zijn gehoor, gevoel en reuk
tot eene scherpte en fijnheid van onderscheiding ontwikkeld, dat zij
voor een groot deel in het verlies van het edelste der zintuigen
voorzien. In eene stip aan den horizon, die het ongeoefend oog ontgaat,
erkent de zeeman een schip in volle zeilen; en wie zich daarentegen bij
voortduring met het onderzoek der kleinste voorwerpen bezig houdt, en
hierbij verzuimt met zijnen blik nu en dan dieper in de ruimte door te
dringen, wapent allengs zijn oog met een natuurlijk vergrootglas. Door
oefening wijzigen zich alzoo de grenzen van het accommodatie-vermogen,
en zij moeten dus bij elk dier wel beantwoorden aan de behoeften: want
door deze werd de oefening bepaald. Weder derhalve gaf de wet van
oefening u den sleutel tot de harmonie!
Maar ook in het zoogenaamd instinct zie ik slechts het noodwendig gevolg
der omstandigheden. De vermogens en eigenschappen, die men hiertoe
pleegt te brengen, ontwikkelen zich door oefening;--zij worden verdoofd,
zoodra de omstandigheden aan die oefening paal en perk stellen. Men
zegge derhalve niet: aan deze diersoort werd dit of dat instinct
gegeven, omdat hare levenswijze dit vorderde,--bij gene ontbreekt het,
omdat zij hieraan geene behoefte had; maar men erkenne, dat het zich bij
deze diersoort noodwendig moest ontwikkelen, doordat de omstandigheden
deszelfs oefening medebragten, en dat het bij gene wettig onbestaanbaar
is, wijl tot deszelfs oefening de levenswijze nimmer aanleiding gaf.
Wij hebben nog het harmonisch verband tusschen de verschillende deelen
van hetzelfde organismus onderscheiden; maar ook dit berust op dezelfde
wet, de wet van oefening. Oefening is dan evenwel in een' ruimeren zin
genomen, namelijk: als de verhoogde verrigting en voeding van een
bepaald ligchaamsdeel, niet slechts voor zoo ver die onder den invloed
van den wil plaats grijpen, maar door eenen gewijzigden toestand, van
welk orgaan ook, te weeg gebragt.
Door oefening nu in dien zin komt de harmonie tot stand tusschen de
passieve en actieve organen van beweging;--immers de bewegelijkheid van
elk gewricht wordt geoefend en dus bepaald door de spierwerking. Op
denzelfden grond moet de omvang en kracht der zamentrekkingen van het
hart aan den weêrstand in het bloedvaatstelsel beantwoorden; want die
weêrstand juist is het, die de kracht van het hart bepaalt. Wilt gij
hiervan het bewijs? Waar de weêrstand ziekelijk verhoogd wordt, ontstaat
overvoeding van het hart; en kondet gij van het thans onstuimig
kloppende hart de spierwanden in een oogenblik tijds tot de normale
dikte terugbrengen, gij zoudt den lijder onfeilbaar op staanden voet
zien bezwijken. Blijkt hieruit, dat verhoogde weêrstand de werking van
het hart opwekt, dan immers moet, krachtens de wet van de oefening, de
ontwikkeling en de kracht van het hart bij elk dier noodwendig aan den
weêrstand beantwoorden.
Moeijelijker schijnt het, het noodzakelijk bestaan te betoogen der
menigvuldige verbindingen en vlechten bloedvaatstammen, juist op zulke
plaatsen, waar zonder deze het ligtst belemmering zich zou opdoen. En
toch is dit harmonisch verband in zijne wording hoogst eenvoudig. De
belemmeringen, namelijk, tot welker overwinning de verbindingen en
vlechten, naar de teleologische beschouwingswijze, doelmatig bestemd
zijn, zijn zelven de oorzaak van het ontstaan dier vlechten en
verbindingen. Wij zien ze hierdoor, onder zekere omstandigheden, als
onder onze oogen gevormd worden. Wordt een hoofdstam gedrukt,
onderbonden of door ziekelijke gesteldheid verstopt, dan worden de
naauwelijks zigtbare takjes, waardoor zoo wel de slagaderlijke als
aderlijke stammen van eenig deel steeds onderling gemeenschap oefenen,
tot grootere stammen uitgezet, die nu, bij wijze van vlecht, eenen
collateralen bloedsomloop voortbrengen. Vandaar dan ook in het aderlijk
stelsel, waar belemmeringen menigvuldiger zijn, een grooter aantal dier
verbindingen en vlechten dan in het slagaderlijke.
Maar zullen wij immer den grond kunnen peilen van die mindere
gevoeligheid der voedingsorganen, waardoor aan onze hoogere vermogens
eene zooveel vrijere ontwikkeling verzekerd wordt?--Reeds deed ik u
opmerken, hoe de gevoeligheid van elk zintuig door oefening verhoogd
wordt, hoe gebrek aan oefening deszelfs werking vernietigt. Het
afgeweken oog van den scheelziende ontwaart niet langer den prikkel van
het invallend licht: en al onze zintuigen zijn voor de indrukken der
buitenwereld als gesloten, wanneer wij aan de fantazij onzer verbeelding
den vrijen teugel laten, of ons geheel verdiepen in een vraagstuk, dat
al onze inspanning vordert. Worden hierdoor de zintuigen als verlamd,
hoeveel meer moet, bij het ontwikkelen der psychische vermogens en der
zintuigen zelve, uit gebrek aan oefening, het gevoel zijn verdoofd
geworden in die deelen, welke ons geene indrukken van de buitenwereld
overbragten, die onze belangstelling konden opwekken. Zeer opmerkelijk
gewis is het, dat, naarmate de hoogere vermogens in een dier ontwikkeld
zijn, het zenuwstelsel, dat het voedingsleven beheerscht, als een meer
zelfstandig, afgescheiden gedeelte optreedt. Maar, wat meer is, het
bewustzijn herneemt, ook in de organen der voedingsverrigtingen, voor
een deel zijne regten, zoodra het geoefend wordt. Schier elk orgaan, dat
wij ons, wanneer ook zonder eenigen grond, als ziekelijk voorstellen,
wordt gevoelig, doordat wij onze gedachten nu op dit deel als
concentreren, en zoo gevoel en bewustzijn oefenen, zoo verre zij tot dit
deel betrekking hebben. Vooral is dit duidelijk ten opzigte van het
hart. Het klopt onophoudelijk in onze borst; doch in den normalen
toestand worden wij niets hiervan gewaar, tenzij wij, in den valschen
waan van aan een hartsgebrek te lijden, den hartslag altijd en altijd
naauwlettend gadeslaan. Dat eeuwige kloppen wordt dan op het laatst
ondragelijk, al is de slag niet sterker dan bij een' gezond mensch. Wie
immer zich inbeeldde, door hartziekte te zijn aangetast,--en hun getal
is niet zoo gering,--heeft hieronder bitter geleden.--Maar genoeg, om u
te doen zien, dat de hoogere ontwikkeling der geestvermogens, zoowel als
de zintuigelijke indrukken, aan de oefening van het gevoel in de organen
van het voedingsleven in den weg staan, en dat, bij gevolg, de geringe
gevoeligheid van deze eene noodwendige is.
Zoo geeft de wet van oefening, straks uitgesproken, evenzeer rekenschap
van de harmonische betrekking der dierlijke wezens tot hunne
levensbehoeften, als van den band, die de verschillende ligchaamsdeelen
tot één organismus zamenvlecht.
* * * * *
Gewis ontging het uwe aandacht niet, mijne Geëerde Hoorders! dat er een
naauw verband bestaat tusschen de beide wetten, die der harmonie ten
gronde liggen: de wetten, die ik kortheidshalve die van _gewoonte_ en
_oefening_ noemde. Waar de eerste haren invloed doet gelden, wordt zij
onderschraagd door de laatste. Krachtens de wet van gewoonte, wordt elk
orgaan door den invloed, waaraan het regtstreeks is blootgesteld,
primitief gewijzigd. Dit orgaan staat nu evenwel niet geïsoleerd; het
hangt innig zamen met de overige deelen van het organismus. Wat is dus
het noodzakelijk gevolg van die primitieve wijziging? Wijziging van al
de overige ligchaamsdeelen,--welker werking namelijk òf opgewekt òf
onderdrukt wordt,--en alzoo, krachtens de wet van oefening, eene hieraan
geëvenredigde ontwikkeling van elk dier deelen. Door deze harmonische
zamenwerking der wetten van gewoonte en oefening beantwoorden nu alle
ligchaamsdeelen, ook die, welke nimmer aan eene onmiddellijke inwerking
blootstaan, aan de invloeden der buitenwereld, en wordt tevens de
harmonie tusschen de verschillende organen bij voortduring gehandhaafd.
Doch niet van alle oefening zijn uitwendige invloeden het onmiddellijk
uitgangspunt. In den wil vinden wij eene tweede, magtige drijfveêr van
oefening, die haren onmiddellijken invloed op het zenuwstelsel en den
toestel voor willekeurige beweging doet gelden, en van hier op het
geheele organismus terugwerkt. Deze oefening moet alzoo onderscheiden
worden van die, welke zich onmiddellijk sluit aan de uitwendige
invloeden. Is evenwel de geheele organisatie van het dier onder bepaalde
invloeden noodwendig tot stand gekomen, en wordt deszelfs wil, bij elke
omstandigheid, door de organisatie volstrekt bepaald, dan is de wil, die
als drijfveêr van oefening optreedt, zelve het noodwendig uitvloeisel
van verwijderde invloeden; en wij zouden, in hetgeen hij op de oefening
vermag, slechts het middellijk gevolg dier verwijderde invloeden moeten
zien.
Doch het is mijn voornemen niet, thans dieper in den grond en in het
verband dier wetten door te dringen. Genoeg, dat wij deze wetten
onmiskenbaar in de verschijnselen afgedrukt, en ons zoo geregtigd zagen
tot het besluit: dat de harmonie, die ons de dierenwereld predikt, aan
wetten gebonden--noodwendig is.
* * * * *
En toch--het zal uwe aandacht niet ontgaan zijn--op zich zelven waren de
genoemde wetten hier nog ontoereikend. Schier bij elk voorbeeld moesten
wij stilzwijgend eene derde wet vooronderstellen,--eene wet, zonder
welke de harmonie nimmer eene hoogere volmaking konde te gemoet streven,
zonder welke wij den klimmenden strijd zouden aanschouwen tusschen het
dierlijk organismus en de buitenwereld, ja! zonder welke misschien alle
dierlijk leven vroeger of later voor het geweld van buiten zou moeten
zwichten. Reeds spreekt gij ze met mij uit. Het is de wet van
erfelijkheid: _De toestand van het voorgeslacht plant zich telkens op
het nageslacht over; de toestand der ouders wordt telkens aangeboren in
de kinderen_. Zietdaar de wet, die in het geslacht bestendigt, wat
gewoonte en oefening gewrocht hebben. Zietdaar den grondslag der
klimmende volmaking in de Schepping.
Zal ik u ook deze wet in de verschijnselen aantoonen? Weder kan ik mij
op uw eigene ervaring beroepen. Hoe dikwijls zaagt gij den
ligchaamsbouw, de gelaatstrekken, de kleur, den gang, de stem, ja zelfs
het gemoed, de hoogere vermogens en allerlei eigenaardigheden der ouders
in de kinderen weêrspiegeld! De Romeinen hadden reeds hunne _naseones_
en _labeones_; en ook thans is de dikke lip eene erfelijke eigenschap in
het Oostenrijksche Huis.
Doch ik kan u op een ruimer gebied wijzen. Immers de ontelbare
verscheidenheden der verschillende diersoorten staan allen als getuigen
daar van de wet van erfelijkheid. De variëteiten van elke soort, zijn,
zelfs veelal in de historische tijden, door verscheidenheid van
invloeden en levenswijze tot stand gebragt; en wij zien ze thans met
gelijke juistheid voortgeplant, als den oorspronkelijken typus. Bij
vermenging van verschillende rassen zien wij daarentegen vormen geboren
worden, die aan de beide ouders herinneren, zoodat ook hierin de wet van
erfelijkheid zich ten duidelijkste openbaart.
Reeds sedert lang heeft ook de veeteelt van de toepassing dier wet de
gelukkigste partij getrokken. Men verlangt runderen, door vorm en
neiging tot vetontwikkeling bijzonder voordeelig als slagtvee, sterke
ossen, geschikt voor den landbouw, en koeijen, die ruime hoeveelheden
goede melk leveren. De eigenschappen, tot deze verschillende doeleinden
vereischt, schijnen elkander evenwel grootendeels uit te sluiten, en
zijn dus niet allen, in hoogen graad ontwikkeld, in hetzelfde ras te
verkrijgen. Maar reeds sedert lang is het gelukt, kunstmatig rassen te
vormen, die aan de eene of andere der gezegde doeleinden bij
uitnemendheid beantwoorden. En welken weg sloeg men hiertoe in? Telkens
bestemde men tot voortplanting die dieren, waarin de verlangde
eigenschappen, onder omstandigheden van welken aard dan ook, bijzonder
ontwikkeld waren, en deze zag men nu op de volgende geslachten sterker
en sterker overgeplant. Eene eervolle plaats in de geschiedenis der
veeteelt komt Bakewell toe; omdat hij van de reeds lang bekende
wet van erfelijkheid (het _like begets like_, zoo als hij gewoon was te
zeggen) het eerst eene consequente toepassing maakte. Zóó legde hij den
grond tot een eigen ras van runderen, bijzonder voordeelig en geschikt
voor slagtvee, 't welk men een' tijd lang op hoogen prijs stelde, en
slechts daarom niet als een zuiver, onvermengd ras bewaard heeft, wijl
Bakewell zijn doel te goed, en hierdoor te zeer ten nadeele der
in andere opzigten wenschelijke eigenschappen, bereikt had. Zóó ook
stelde hij zich in het bezit van een eigen ras van schapen _(Dishley
Breed, New Leicester Breed),_ welks wol in sommige opzigten voor die van
andere moge onderdoen, doch hetwelk de bijzondere eigenschap bezit, van
op veel jeugdigeren leeftijd en veel gemakkelijker dan andere rassen te
kunnen worden vetgemest, en hierom ook thans nog tot de meest geachte en
algemeen verspreide rassen in Groot-Brittanie geteld wordt.
Uit een en ander is voldoende gebleken, dat de door verschil van
invloeden en levenswijze ontstane wijzigingen zich op het nageslacht
overplanten, en weldra eene zoo groote mate van bestendigheid
verkrijgen, dat wij hierin eene typische verscheidenheid erkennen.
Wanneer wij nu zien, dat de kenmerken van dergelijke verscheidenheden
des te dieper wortel schieten en zich des te krachtiger handhaven,
naarmate invloeden en levenswijze over een grooter aantal generatiën
onveranderd bleven, dan is er niets gewaagds in het besluit, dat aan
eene vroeger meer duurzame gelijkheid van omstandigheden, over ontelbare
generatiën, de grootere vastheid van typus, die wij thans aan elke soort
toekennen, is toe te schrijven. En zeker bestond die meerdere
bestendigheid van omstandigheden, zoolang de verspreiding van elke thans
erkende soort meer beperkt bleef, en door tusschenkomst van den mensch
minder inbreuk was gemaakt op de oorspronkelijke levenswijze.
Vragen wij nu, in welke diersoorten, op grond der ontwikkelde wetten, de
meeste en belangrijkste verscheidenheden mogen verwacht worden, dan kan
het antwoord niet twijfelachtig zijn: vooreerst in den mensch, die, bij
zijne verspreiding over de geheele oppervlakte der aarde en bij het
groote verschil in levenswijze en beschaving, wel het meest aan
wijziging in organisatie moest blootstaan: maar daarenboven in alle
diersoorten, die, door den mensch aan den natuurstaat onttrokken, aan
vreemde invloeden, aan eene vreemde levenswijze werden blootgesteld. En
zoo is het ook. Behoef ik meer te doen, dan u op de ontelbare zoo zeer
onderscheidene rassen van honden en paarden te wijzen, om u hiervan te
overtuigen?
Hebben wij uit het bovenstaande reeds gezien, dat elke door het individu
verkregene eigenschap zich op het nageslacht overgeplant, dan behoeft
dit welligt niet meer in het bijzonder aangewezen te worden ten opzichte
der voorbeelden, die wij tot staving der wetten van gewoonte en oefening
hebben aangevoerd. Het zij mij evenwel vergund, nog op enkele van deze
uwe aandacht te vestigen.
Wanneer Parry ons verhaalt, dat hij, op zijne reis naar den
Noord-pool, in eene temperatuur, waarbij het kwikzilver bevriest, een'
zuigeling in de open lucht aan de borst zijner moeder zag, kan het dan
nog aan twijfel onderhevig zijn, dat het vermogen, om aan koude te
weêrstaan, eene aangeboren eigenschap is van den bewoner van het
Noorden? Wanneer wij zien, dat het darmkanaal der jonggeboren huiskat
eene betrekkelijk grootere lengte heeft, dan dat van jonge vleeschetende
dieren, zijn wij dan niet overtuigd, dat de geschiktheid der organisatie
voor het gebruik van gemengd voedsel hier wordt aangeboren?--En wat
leert ons de geschiedenis van het tabaksgebruik? Thans moge het dengene,
die zich aan dit vergift gewennen wil, hoogstens nog eenige benaauwde
uren of dagen kosten:--toen in weêrwil der bedreigde straffen en den
heftigen tegenstand, zelfs door Pausen en Keizers geboden, het gebruik
van den tabak zich eerst door Europa begon te verspreiden, waren de
verschijnselen bij de eerste proeven oneindig heviger, en schijnt zelfs
menig onvoorzigtige rooker zijn' zonderlingen lust met den dood bekocht
te hebben. Onze ouders rookten, onze voorouders rookten,--en thans is,
gij ziet het, de gewoonte tot rooken ons reeds ten halve aangeboren.
Om u vervolgens te doen opmerken, hoe de door invloeden en oefening
verkregene ontwikkeling van het been- en spierstelsel, hoe de kracht en
snelheid van zamentrekking in het nageslacht worden voortgeplant, breng
ik u slechts de zoo verschillende rassen van paarden voor den geest. En
van de door erfelijkheid medegedeelde scherpte der verschillende
zintuigen leveren onderscheidene volkeren,--van een aangeboren verschil
in accommodatie-vermogen van het oog talrijke familiën, bijzonder in de
steden, het overtuigendst bewijs.
Zoo zou ik van elke harmonische eigenschap, die wij, krachtens de wetten
van gewoonte en oefening, zagen tot stand komen, de voortplanting op het
nageslacht door voorbeelden kunnen staven, en hierdoor de
noodzakelijkheid der harmonie van het dierlijk leven op nog breeder'
grondslagen vestigen. Ik wil mij echter, kortheidshalve, bepalen tot de
instinctmatige vermogens. Bij de wet van oefening heb ik mij omtrent
dezen opzettelijk van voorbeelden onthouden, naardien het mij
gemakkelijker scheen, u de kracht der oefening, door verscheidene
geslachten voortgeplant--en als ware het
vermenigvuldigd--aanschouwelijk te maken, dan in het leven van een enkel
individu. En hierom mogt ik deze hier niet met stilzwijgen voorbijgaan.
Weder de hond levert ons het sprekendst bewijs van den invloed der
oefening ook op de instinctmatige vermogens. Het lijdt geen' twijfel, of
bij de oorspronkelijke soort, waarvan al onze honden afstammen, bestond
één en hetzelfde instinct. En thans, welk een verscheidenheid! Schier
elk ras heeft ook ten dezen opzigte zijne eigendommelijkheden. Behoef ik
u te wijzen op de instinctmatige vermogens van den herders- of
jagershond, van den bloeddog of van den New-foundlander?--Van waar nu
die verscheidenheid? Het antwoord is niet moeijelijk. De mensch heeft
door kunstmatige oefening het een of ander instinct bij den hond meer en
meer ontwikkeld, en door de wet van erfelijkheid werd dit instinct
bestendigd. Overwin bij een' hond den tegenzin, om te water te gaan, gij
zult hiermede bij de jongen reeds veel minder te kampen hebben. Wilt gij
andere voorbeelden? Frederic Cuvier verhaalt, dat in zoodanige streken,
waar den vossen dikwijls hinderlagen worden gelegd, de jongen, reeds de
eerste maal, dat zij het nest verlaten, eene omzigtigheid aan den dag
leggen, die men in andere streken bij hen te vergeefs zoeken
zou.--Voorts weten wij, dat elk dier instinctmatig vlugt voor zijn'
vijand. Men spreekt van doelmatigheid in die poging tot zelfbehoud. Maar
het dier, welks voorgeslachten niet vervolgd werden, de vogels op een
onbewoond eiland, vlugten niet; zij zijn zoo argeloos, dat zij zich met
de hand laten vangen. Na weinige generatien echter is hun het instinct
om te vlugten reeds aangeboren. Alzoo: de vervolging door den vijand
heeft het instinct om te vlugten, volgens de wet van oefening,
ontwikkeld; en naar de wet van erfelijkheid plantte het zich voort. Gij
ziet: het aanwezen van dit instinct, als dat van elk ander, is het
noodwendig gevolg der omstandigheden, die deszelfs oefening uitlokten,
en waaraan het dus nu harmonisch moet beantwoorden.
Hoe een instinct ook eindelijk kan worden tot zwijgen gebragt, wanneer
op deszelfs oefening inbreuk wordt gedaan, leert ons reeds het temmen
der dieren. Nimmer zullen de jongen van een getemd dier de wreedheid en
wildheid aan den dag leggen, die zijnen voorouders eigen waren. Maar nog
opmerkelijker is de gedeeltelijke verdooving van een der natuurlijkste
instincten bij onze inlandsche runderen. Overal, waar het de gewoonte
is, het kalf bij de koe te laten zuigen, bestaat hiertoe bij beide de
grootste behoefte. Zij schreeuwen zich half dood, zoo als Sturm
zich uitdrukt, wanneer men ze van elkander scheidt. De koe, die
dagenlang zoo onrustig zich gedraagt, dat een vreemde niet zonder gevaar
ze zou naderen, spant al hare krachten in, om los te breken; en het kalf
zoekt, verscheidene weken, bijna onophoudelijk naar de uijer, alles
aanvattende, om er aan te zuigen. Bij onze inlandsche koeijen
daarentegen, welker kalveren doorgaans onmiddellijk na het werpen
verwijderd worden, is de moederliefde, als ware het, uitgedoofd. Wordt
het kalf maar terstond op eenigen afstand gebragt, dan gedraagt zich de
moeder volmaakt rustig, en laat de melk veel gemakkelijker kunstmatig
verwijderen, terwijl ook bij het kalf de pogingen tot zuigen zich in
veel geringere mate opdoen.
* * * * *
Zietdaar, mijne Geëerde Hoorders! de drie wetten ontwikkeld, die aan de
harmonie van het dierlijke organismus ten gronde liggen. Naar de wetten
van gewoonte en oefening zaagt gij de harmonie in het individu tot stand
gebragt; naar de wet van erfelijkheid zaagt ge in het nageslacht
bestendigd, wat door gewoonte en oefening in het individu gewrocht was.
Die harmonie erkent gij dus als noodwendig: want zij is aan wetten
gebonden, en elke natuurwet eischt volstrekte en onbegrensde
gehoorzaamheid. Wie het doel durft uitgeven voor den grond der harmonie,
hij wordt afgewezen voor de regtbank der wetenschap; want in de
onvergankelijke bladeren van het wetboek der natuur, waarop hare
uitspraken gegrond zijn, staat met onuitwischbare letteren geschreven:
_gewoonte_, _oefening_, _erfelijkheid_.
Het is evenwel niet genoeg, de noodwendigheid der harmonie uit deze
wetten te herleiden; ons streven moet het zijn, die wetten zelve dieper
te doorgronden. Reeds gaat er naar die zijde eenig licht op in de
wetenschap over de oorzaken der verschijnselen, welke wij tot de wetten
van gewoonte en oefening terugbragten: en zoo, opklimmende van oorzaak
tot oorzaak, zonder ooit in droomerijen omtrent het doel ons te
verliezen, naderen wij, langzaam wel is waar, maar met vasten tred, het
ideale standpunt, van waar men alle verschijnselen der natuur met
noodzakelijkheid uit de eigenschappen der grondstoffen en grondkrachten
konde zien voortvloeijen.
Wie dus een doel huldigt in de harmonie der stoffelijke wereld, hij
plaatse het in de eigenschappen der grondstoffen en grondkrachten. Hier
verstomt de wetenschap der Natuur; hier staan hare grenzen. Zij
verloochent haar karakter, wanneer zij ook den grond dier eigenschappen
kennen wil. Zij overschrijdt hare regten, wanneer zij den staf durft
breken, over wie hier grond en doel vereenzelvigen.
En, wanneer eens door eene alwijze Almagt die stoffen en krachten met
een bepaald doel werden in het aanzijn geroepen, en in hare
eigenschappen de voorwaarden voor de geheele toekomst werden weggelegd,
dan stroomt ook geen druppel bloeds zonder doel door onze aderen,--maar
het is een doel, dat buiten de wetenschap ligt der Natuur.
* * * * *