Daarboven, op de helling van een berg, bij een stortbeek, staat
tusschen geboomte verscholen een op boomstammen gebouwde hut. Op
het dak van _kogon_ [76] slingert en rankt, beladen met vruchten en
bloemen, de kalebas-plant. Hertegewei, schedels van wilde varkens
eenige met lange slagtanden versieren de landelijke woonstede. Daar
huist een Tagaalsch gezin dat zich wijdt aan jacht en houthakken.
In de schaduw van een boom maakt de grootvader bezems van de middennerf
van palmbladeren, terwijl een jongmeisje kippeneieren, citroenen en
groenten in een mand legt. Twee kinderen, een jongen en een meisje,
spelen naast een knaap die, bleek-weemoedig, met groote oogen en diepen
blik, op een gevallen boomstam zit. In zijn vermagerde gelaatstrekken
herkennen we Sisa's zoon Basilio, den broer van Crispin.
"Wanneer je been beter is", zeide het meisje tot hem, "gaan we
verstoppertje spelen, en ik zal moedertje zijn."
"Je klimt dan met ons mee op den top van den berg," voegde het knaapje
erbij, "dan krijg je hertebloed met citroen te drinken, daar word-je
dik van. En dan zal ik je leeren springen, van de eene rots op de
andere, boven de stortbeek."
Basilio lachte droef, keek naar de wond aan zijn voet, en richtte
dan den blik naar de zon, die schitterend scheen.
"Verkoop die bezems," zeide de grootvader tot het jonge meisje,
"en koop iets voor je broertje en je zusje, want 't is vandaag feest."
"Voetzoekers, ik wil voetzoekers!" riep de jongen.
"Ik een kop voor mijn pop!" riep het meisje, haar zuster bij haar
kleedje grijpend.
"En jij, wat wil jij?" vroeg de grootvader aan Basilio.
Deze stond met moeite op, en kwam naar den ouden man toe.
"Meneer," zeide hij tot hem, "ik ben dus nu meer dan een maand ziek
geweest?"
"Sedert dat we je flauw en vol wonden vonden liggen, zijn er twee
maanden om. We dachten dat je sterven..."
"God moge 't u vergelden. Wij zijn heel arm!" antwoordde Basilio, "maar
nu het toch feestdag is, wil ik naar het dorp gaan, om mijn moeder
of mijn broertje op te zoeken. Ze zullen wel ongerust om me zijn."
"Maar, m'n jongen, je bent nog niet beter en je dorp ligt ver weg:
je komt er niet vóór middernacht."
"Dat is niets, meneer! Mijn moeder en mijn broertje moeten erg bedroefd
wezen: alle jaren vieren we dit feest samen...verleden jaar hebben
we met ons drieën een heele visch opgegeten... Moeder moet zeker
geschreid hebben, toen ze me zocht."
"Je komt niet levend in 't dorp, jongen! Vanavond hebben we kip
en wild-zwijnsvleesch. Mijn zoons zullen je zoeken, wanneer ze van
't veld terugkomen..."
"U heeft veel zoons, en mijn moeder heeft niet anders dan ons
beiden. Misschien denkt ze dat ik al dood ben. Vanavond wil ik haar
een pleziertje aandoen, een nieuwjaars-cadeautje van God gaan brengen:
een zoon."
De oude man voelde zijn oogen vochtig worden, legde de hand op het
hoofd van den knaap, en zeide aangedaan:
"Je lijkt een oude man! Goed, ga dan maar, zoek je moeder, geef haar
't kerstcadeautje...van God, zooals jij zegt. Als ik den naam van je
dorp geweten had, was ik er wel heengegaan, toen je ziek was."
"Ga je heen?" vroeg het jongetje. "Daar beneden zijn soldaten, er
zijn veel roovers. Wil je mijn voetzoekers niet zien? Pief paf poef!"
"Wil je geen blindemannetje spelen, met verstoppen?" vroeg op haar
beurt het meisje. "Heb je je wel 's verstopt? Niet-waar, er is niets
zoo prettig als achternagezet te worden en je dan te verstoppen!"
Basilio glimlachte. Hij greep zijn stok, en met tranen in de oogen
zeide hij:
"Ik kom gauw terug, ik breng mijn broertje mee: je zult hem zien en
met hem spelen. Hij is even groot als jij."
"Loopt hij ook mank?" vroeg het meisje, "dan zullen we hem 'moedertje'
laten wezen bij 't "_pico-pico_"-spel."
"Vergeet ons niet," zei de oude man; "neem dezen plak wildzwijnsvleesch
mee, en geef dien aan je moeder."
De kinderen vergezelden hem tot aan de bamboebrug over de stortbeek
met zijn klaterenden loop.
Lucia liet hem op haar arm leunen, en ze verdwenen uit het gezicht
der kinderen.
Basilio stapte luchtig voort, in weerwil van zijn omzwachtelden voet.
De noorden wind giert, en de bewoners van San Diego bibberen van koude.
't Is kerstnacht, en toch is het dorp triestig. Geen enkele papieren
lantaren hangt uit de vensters, geen enkel geluid in de huizen duidt
op verheugenis als in andere jaren.
In de "opkamer" van _Capitán_ Basilio's huis zaten deze en Don
Filipo, wiens ongeluk hen beiden tot vrienden gemaakt had, naast een
tralievenster te praten; terwijl aan 't andere Sinang, haar nichtje
Victoria en de mooie Iday naar de straat uitkeken.
De afnemende maan begon aan de kim te blinken, en verzilverde wolken,
boomen en huizen, overal lange en fantastische schaduwen werpend.
"Je bent er genadig afgekomen, hoor, zoo vrijgesproken te worden,
in deze tijden!" zeide Capitán Basilio tot Don Filipo. "Je boeken
hebben ze wel verbrand, maar anderen hebben meer verloren."
Een vrouw naderde het tralievenster, en keek naar binnen. Haar oogen
schitterden, haar gelaatstrekken waren vermagerd, heur haar loshangend
en verward. De maneschijn gaf haar een vreemd aanzien.
"Sisa!" riep Don Filipo verbaasd, en zich tot _Capitán_ Basilio
wendend, vroeg hij, terwijl de krankzinnige vrouw zich verwijderde:
"Was ze niet bij een dokter in huis? Is ze al genezen?"
_Capitán_ Basilio lachte bitter.
"De dokter was bang, dat ze hem zouden beschuldigen, een vriend van
Don Crisóstomo te wezen, en heeft haar weggezonden.
"Nu dwaalt ze weer even gek als te voren rond. Ze zingt, doet niemand
kwaad, en woont in 't bosch..."
"Wat is er meer in 't dorp gebeurd sinds wij 't verlaten hebben? Ik
weet dat we een nieuwen pastoor en een anderen _alférez_ hebben."
"Vreeselijke tijden, de menschheid gaat achteruit!" mompelde _Capitán_
Basilio, terwijl hij aan 't verleden dacht. "Je zult 's zien: den dag
volgende op jouw vertrek vonden ze den hoofdkoster opgehangen aan de
zoldering van zijn huis. Padre Salvi was erg naar over zijn dood,
en nam al zijn papieren in beslag. Och en de filosoof Tasio is ook
al gestorven, en dien hebben ze op 't Chineesche kerkhof begraven."
"Arme Don Anastasio!" zuchtte Don Filipo. "En zijn boeken?"
"Die werden verbrand door de vromen die zoo Gode welgevallig meenden
te zijn. Ik heb niets kunnen redden, zelfs niet Cicero's werken... en
de _gobernadorcillo_ deed niets om het te beletten."
Beiden zwegen.
Op dat oogenblik hoorde men het droeve weemoedige zingen der
krankzinnige.
"Weet je wanneer Maria Clara gaat trouwen?" vroeg Iday aan Sinang.
"Ik weet het niet," antwoordde deze. "Ik heb een brief van
haar ontvangen, maar ik maak hem niet open, uit vrees van 't te
vernemen. Arme Crisóstomo!"
"Ze zeggen dat het alleen aan Linares te danken is, dat _Capitán_ Tiago
niet opgehangen wordt. Wat zou Maria Clara dan moeten beginnen?" merkte
Victoria op.
Een knaap kwam strompelend voorbij. Hij liep in de richting van het
plein, waar de zang van Sisa te hooren was. 't Was Basilio. Het kind
had zijn huis verlaten en vervallen gevonden. Na allerlei vragen,
kon hij alleen te weten komen dat zijn moeder gek was en in 't dorp
ronddoolde. Over Crispin geen enkel woord.
Basilio had zijn tranen ingeslikt, zijn smart verstikt, en, zonder te
rusten, was hij erop uitgegaan om zijn moeder te zoeken. Hij kwam in
't dorp aan, vroeg naar haar, en een eigenaardig gezang trof zijn
ooren. Het ongelukkige ventje bedwong het beven van zijn beenen,
en wilde hard vooruitloopen om in de armen van zijn moeder te ijlen.
De krankzinnige verliet het plein, en kwam voor het huis van den
nieuwen _alférez_. Nu was er evenals te voren een schildwacht voor de
deur, en het hoofd van een vrouw vertoonde zich aan het venster. Doch
't was niet de Medusa, 't was een jonge vrouw: _alférez_ en ongelukkig
getrouwd is niet hetzelfde.
Sisa begon voor het huis te zingen, en keek naar de maan, die
met grootsche pracht tusschen gouden wolken aan een blauwen hemel
prijkte. Basilio zag zijn moeder, maar waagde het niet naderbij
te komen. Wellicht wachtte hij tot de jonge vrouw vandaar weg zou
gaan. Hij liep heen en weer, maar zorgde ervoor niet te dicht bij de
kazerne te komen.
De jonge vrouw aan het venster luisterde aandachtig naar de zang der
krankzinnige, en gaf den schildwacht bevel, haar boven te laten komen.
Toen Sisa den soldaat op zich af zag komen en zijn stem hoorde, kreeg
ze een vreeselijken schrik, en zette het op een loopen, zoo hard als ze
maar kon. Basilio liep haar achterna, en vreezende dat hij haar uit het
oog zou verliezen, dacht hij daarbij niet aan de pijn aan zijn voeten.
"Kijk 's hoe die jongen de krankzinnige naloopt!" riep een
dienstmeisje, dat op straat was, verontwaardigd uit.
En ziende dat hij doorging met haar te achtervolgen, nam ze een steen
op, en wierp dien naar hem toe.
"Daar, pak aan!" riep ze. "Hoe jammer dat de hond vastligt."
Basilio voelde een tik tegen zijn hoofd, maar bleef doorloopen zonder
er acht op te slaan. De honden blaften, de ganzen kwakkelden, enkele
vensters gingen open, en nieuwsgierigen vertoonden zich. Andere werden
gesloten, omdat men vreesde voor een tweeden nacht van oproer.
Ze kwamen buiten het dorp. Sisa begon haar vlucht te matigen; een
groote afstand scheidde haar van haar vervolger.
"Moeder," riep Basilio, toen hij zag dat ze minder snel liep.
De krankzinnige hoorde nauwelijks de stem, of ze begon opnieuw hard
te loopen.
"Moeder, ik ben 't!" riep de knaap wanhopig.
De krankzinnige hoorde 't niet. De zoon volgde hijgend.
De bebouwde velden waren achter den rug, en ze bevonden zich in de
nabijheid van 't bosch.
Basilio zag zijn moeder daar ingaan, en hij drong er ook in door. De
struiken en heesters, de doornige rotanplanten en uitstekende
wortels beletten beider voortgang. De knaap volgde het silhouet
van zijn moeder, nu en dan beschenen door de stralen der maan, die
doordrongen op de open plekken en door de takken der boomen. Het was
het geheimzinnige bosch van Ibarra's familie.
De jongen struikelde verscheidene malen en viel, maar hij stond weer
op, voelde geen pijn. Zijn heele ziel trok zich samen in zijn oogen,
die de geliefde gestalte volgden.
Ze gingen de beek over, die zacht murmelde. De dorens der
bamboestengels, die in de modder van den oever waren gevallen,
drongen diep in zijn naakte voeten. Basilio bleef niet staan, om ze
te verwijderen.
Tot zijn groote verbazing zag hij dat zijn moeder onder het dichte
geboomte doorliep, en de houten deur openstiet, die het graf van den
ouden Spanjaard aan den voet van den _baliti_-boom afsloot.
Basilio trachtte hetzelfde te doen, maar hij vond de deur dicht. De
krankzinnige verdedigde den ingang met haar ontvleesde armen, en haar
hoofd met de fladderende haren, hem uit alle macht gesloten houdend.
"Moeder, ik ben 't, ik ben 't, ik ben Basilio, uw zoon!" kreet de
uitgeputte jongen, terwijl hij op den grond in elkaar zakte.
Doch de krankzinnige week niet. Met haar voeten op den grond steunende,
bood ze een krachtigen tegenstand.
Basilio beukte tegen de deur met zijn vuist, met zijn hoofd, dat van
bloed stroomde, hij schreide, doch alles tevergeefs. Hij stond met
moeite op, keek naar den muur, dacht erover dien over te klauteren,
maar hij vond niets dat hem er op helpen kon. Hij liep er toen omheen,
en zag een tak van de noodlottige _baliti_, die over dien van een
anderen boom heen groeide. Hij klom er tegen op: zijn kinderlijke
liefde deed wonderen. En van tak tot tak kwam hij aan de _baliti_,
en zag zijn moeder, die nog steeds met het hoofd de bladen der deur
dichthield.
Het gedruisch dat hij in de takken maakte, trok Sisa's aandacht. Ze
keerde zich om, en wilde wegvluchten, maar haar zoon liet zich uit
den boom neervallen, omhelsde haar en bedekte haar met kussen. Doch
daarna verloor hij 't bewustzijn.
Sisa zag zijn voorhoofd vol bloed. Ze bukte over hem heen, haar oogen
schenen uit hun kassen te zullen springen. Ze keek hem in 't gelaat,
en die bleeke trekken brachten een schok teweeg in de ingesluimerde
cellen van haar brein, iets als een vonk gloorde op in haar geest, ze
herkende haar zoon, en, een kreet slakend, viel ze op den bezwijmden
knaap, hem kussend en omhelzend.
Moeder en zoon bleven roerloos liggen.
Toen Basilio weer bijkwam, vond hij zijn moeder bewusteloos. Hij riep
haar, overstelpte haar met de liefste naampjes, en, ziende dat ze niet
ademde, en niet bijkwam, stond hij op, ging naar de beek, om water te
halen, in een pisang blad, en besprenkelde daarmee het bleeke gelaat
zijner moeder. Doch de krankzinnige verroerde zich niet in 't minst,
haar oogen bleven gesloten.
Basilio keek haar ontsteld aan. Hij legde zijn oor tegen haar hart,
maar de magere, dorre boezem was koud, en 't hart klopte niet meer. Hij
deed zijn lippen tegen de hare, en ontwaarde geen ademtochtje. De
rampzalige knaap omhelsde het lijk, en schreide bitter.
De maan blonk in den heerlijk helderen hemel, het briesje doolde
zuchtend rond en onder het gras snerpten de krekels.
De nacht van licht en vreugde voor zooveel kinderen, die in de lieve
schoot van 't gezin het feest der zoetste herinneringen vieren,
het feest dat den eersten liefdeblik herdenkt, door den hemel naar
de aarde afgezonden; die nacht waar in alle christelijke gezinnen
eten, dansen, lachen, spelen, liefhebben, elkaar kussen...die nacht,
die in de koude landen tooverachtig is voor de kinderen, met zijn
traditioneele kerstboom, beladen met lichtjes, poppen, suikergoed en
klatergoud, waar de groote oogen, waarin onschuld zich afspiegelt,
verblind naar staren, die nacht had voor Basilio niets te bieden:
hij werd er wees in. Wie weet? Wellicht spelen ook de kinderen in de
woonstede van den zwijgenden Padre Salvi. Wellicht zingt men er:
La Nochebuena se viene,
La Nochebuena se va... [77]
De knaap schreide en kermde lang, en toen hij zijn hoofd ophief,
zag hij een man voor zich staan, die hem in stilte gadesloeg. De
onbekende vroeg hem zacht:
"Ben je haar zoon?"
De jongen knikte.
"Wat denk je te doen?"
"Haar begraven!"
"Op 't kerkhof?"
"Ik heb geen geld, en bovendien zou de pastoor het niet toestaan."
"Wat dan?..."
"Als u me zou willen helpen..."
"Ik ben erg zwak," antwoordde de onbekende, die zich allengs op
den grond had laten neervallen, steunend met beide handen op den
grond. "Ik ben gewond ...ik heb in twee dagen niet gegeten en niet
geslapen... Is hier vannacht niemand gekomen?"
De man bleef in gepeinzen verzonken, en sloeg het belangwekkend gelaat
van den knaap gade.
"Luister!" hervatte hij met zwakker stem. "Ik zal ook dood zijn voordat
het dag wordt...Op twintig pas van hier, aan den anderen kant van de
beek, ligt veel brandhout opgestapeld. Haal dat, maak er een stapel
van, leg onze beide lichamen daarop, dek ze toe, en steek er den
brand in: laat het goed vlammen, dat we geheel in asch opgaan..."
Basilio luisterde.
"Dan...als er niemand komt...moet je hier graven...dan zul je veel
goud vinden...dat is alles voor jou...Ga studeeren!..."
De woorden van den onbekende werden telkens moeilijker te verstaan.
"Ga 't brandhout zoeken...ik wil je helpen."
Basilio verwijderde zich. De onbekende wendde het gelaat naar 't
oosten, en prevelde, als bad hij:
"Ik sterf voordat ik den dageraad heb zien gloren over mijn
vaderland!... Gij... die dien dageraad zult zien...groet hem... en
vergeet niet degenen die in den nacht gevallen zijn!"
Hij hief zijn oogen ten hemel, zijn lippen bewogen zich als in gebed,
daarna boog hij 't hoofd, en zakte langzaam ineen...
Twee uur later bevond zuster Roefa zich op de _batalan_--het erf--van
haar huis, bezig met haar ochtend-wassching, om daarna naar de mis
te gaan. De vrome vrouw keek naar 't naburig bosch en zag daar een
dikke rookwolk opstijgen. Ze fronste de wenkbrauwen en, vol heilige
verontwaardiging, riep ze uit:
"Wie zou wel die ketter wezen, die daar op een heiligen dag _kaïngin_
[78] doet? Daar komen al de ongelukken van! Probeer 't 's naar het
vagevuur te gaan, en je zult 's zien, hoe gauw ik je eruit haal,
barbaar!"
Nawoord.
Daar er nog velen van onze personen in leven, en anderen uit het
oog verloren zijn, is het onmogelijk een goed "besluit" voor dit
verhaal te geven. Tot heil van de menschen zouden we met genoegen
al onze helden en heldinnen naar de andere wereld willen helpen, te
beginnen met Padre Salvi en te eindigen met Doña Victorina. Maar dat
gaat niet... Laat ze leven! Per slot van rekening is het niet aan ons,
maar aan 't land ze in 't leven te houden...
Sinds Maria Clara in 't klooster is gegaan heeft Padre Dámaso het
dorp verlaten, om in Manila te gaan wonen, evenals Padre Salvi, die,
terwijl hij een vacante bisschopsmijter afwacht, verscheidene malen in
de Santa Clara-kerk preekt, in welker klooster hij een belangrijke
betrekking bekleedt. Niet veel maanden later kreeg Padre Dámaso
bevel van de zeer eerwaarde Pater Provinciaal, om het pastoorschap
te gaan vervullen in een zeer verwijderde provincie. Men vertelt
dat hij daar zoo naar over was, dat men hem den volgenden dag dood
in zijn slaapkamer vond. Sommigen zeiden dat hij aan een beroerte
gestorven was, anderen aan een nachtmerrie; doch de geneesheer hief
allen twijfel op door de verklaring dat hij plotseling gestorven was.
Niemand onzer lezers zou thans _Capitán_ Tiago herkennen, als hij hem
zag. Reeds weken voordat Maria Clara haar gelofte deed, verviel hij
in zulk een staat van neerslachtigheid, dat hij begon te vermageren en
bedroefd te worden, stilzwijgend en wantrouwig, evenals zijn vroegere
vriend, de ongelukkige _Capitán_ Tinang. Nauw waren de poorten van
't klooster gesloten of hij gelastte zijn ontroostbare nicht "Tante
Isabel!" al wat aan zijne dochter of zijn overleden echtgenoote
toebehoord had bijeen te pakken, en naar Malabon of San Diego te gaan,
omdat hij voortaan alleen wilde wonen. Hij wijdde zich toen met woede
aan het _li-am-po_-spel en aan de hanegevechten, en begon opium te
schuiven. Hij gaat niet meer naar Antipolo, en laat ook geen missen
meer lezen. Doña Patrocinio, zijn oude mededingster, viert vromelijk
haar zegepraal, en zit lekker te snurken onder de preek. Als ge soms
tegen den avond door de Santo Cristo-straat wandelt zult ge in den
winkel van een Chinees een geel, mager, krom mannetje zien zitten,
met holle en slaperige oogen, en vuilkleurige lippen en nagels, die
naar de menschen kijkt, alsof hij ze niet zag. Tegen den nacht zult
ge hem met moeite zien opstaan. En, gesteund op een stok, zult ge hem
zijn schreden zien richten naar een nauw hoekje, waar hij in een vuil
krot binnen treedt, boven welks deur in groote roode letters te lezen
staat _Fumadero publico de anfion_ (openbare amfioenkit.) Dit is de
eenmaal zoo beroemde _Capitán_ Tiago, nu geheel vergeten, tot zelfs
bij den hoofdkoster.
Doña Victorina heeft bij haar valsche krullen en haar
"Andaloezisme"--als men ons het woord veroorlooft--nog de nieuwe
gewoonte gevoegd, om zelf de paarden van haar rijtuig te mennen,
terwijl ze Don Tiburcio dwingt om stil te zitten. Daar er ten gevolge
van haar zwak gezicht verscheidene ongelukken voorvielen, draagt ze
tegenwoordig een bril, die haar wonderfraai staat. De dokter is nooit
meer bij een zieke geroepen; de bedienden zien hem verscheidene dagen
van de week zonder tanden, hetwelk, zooals bekend, een veeg teeken
voor hem is.
Linares, eenige verdediger voor dezen ongeluksvogel, rust sinds lang
op 't kerkhof te Paco, als slachtoffer van buikloop en de slechte
behandeling van zijn schoonzuster.
De roemzuchte _alférez_ vertrok naar Spanje als luitenant met den
rang van _comandante_. Hij liet zijn beminnelijke wederhelft in haar
flanellen hemd achter, welks kleur onnaspeurbaar is. De arme Ariadne,
wijdde zich, toen ze zich verlaten zag, evenals Minos' dochter, aan
den dienst van Bacchus, en aan de beoefening des tabaks; ze drinkt
en rookt nu met zooveel hartstocht, dat niet alleen de jongemeisjes
bang voor haar zijn, maar ook de oudjes en de kleine kinderen.
Onze bekenden van San Diego zullen waarschijnlijk nog wel leven, als
ze ten minste niet omgekomen zijn bij de ontploffing van de stoomboot
_Lipa_, die de reis naar de provincie deed. Aangezien niemand zich erom
bekommerde, te weten te komen aan wie de armen en beenen toebehoorden,
die op 't eiland Convalecencia her en derwaarts verstrooid werden,
is 't ons volmaakt onbekend, of daaronder ook een onzer bekenden
voorkwam. We zijn voldaan, evenals het bestuur en de pers van toen,
met de wetenschap, dat de eenige _fraile_ die aan boord was, er goed
was afgekomen. Meer vragen we niet. Het voornaamste voor ons is het
leven der deugdzame geestelijken, wier heerschappij op de Filippijnen
door God moge behoed worden tot heil onzer zielen.
Van Maria Clara vernam men verder niets meer; 't was of 't graf haar in
zijn schoot bewaarde. We hebben verscheidene personen van veel invloed
in 't Santa Clara-klooster naar haar gevraagd, maar niemand heeft
ons een enkel woord willen zeggen, zelfs niet de vrome vrouwelijke
kwakzalvers, die de beroemde gebakken kippenlever ontvangen, en de
nog beroemder saus, genaamd "nonnetjes-saus," die toebereid wordt
door de vernuftige keukenmeid der Maagden des Heeren.
Doch op een Septembernacht huilde de stormwind en geeselde met
zijn reuzenvleugels de gebouwen van Manila. De donder ratelde ieder
oogenblik. Bliksemstralen verlichtten bij wijlen de verwoestingen
der elementen en dompelden de bewoners in schrik en angst. De regen
viel bij stroomen. Bij 't weerlicht of een kronkelende bliksemstraal
zag men een stuk dak, een vensterraam door de lucht vliegen en met
vreeselijk gedruisch neerploffen: geen rijtuig, geen voetganger ging
de straat over. Wanneer de heesche echo van den donder, honderdvoudig
weerkaatst, in de verte wegstierf, dan hoorde men den wind kreunen,
die den regen deed opdwarrelen, waardoor een herhaald gekletter tegen
de schelpplaten der gesloten vensters weerklonk.
Twee _guardias_ hadden een schuilplaats gezocht in een gebouw, dat bij
't klooster in aanbouw was: 't waren een soldaat en een _distinguido_,
een als soldaat dienend jongmensch van goede familie.
"Wat doen we eigenlijk hier?" zeide de soldaat. "Niemand gaat hier
over straat...we moesten liever naar een huis gaan. Mijn 'meisje'
woont in de _Arzabispo_-straat."
"Dat is een heel eind hiervandaan, ver genoeg om druip-nat te worden."
"Dat 's niks, als we maar niet door den bliksem getroffen worden!"
"Och wat! Wees toch niet bang; de nonnetjes zullen wel een
bliksemafleider hebben, om er vrij van te blijven."
"Jawel!" zegt de soldaat, "maar waartoe dient die, als de nacht zoo
donker is?"
En hij sloeg den blik naar boven, om in de duisternis te kijken;
op dat oogenblik flitsten er een paar bliksemstralen vlak op elkaar,
gevolgd door een verschrikkelijken donderslag.
"_Nakoe! Soes mari josep!_" [79] riep de soldaat, en sloeg een
kruis. En zijn kameraad meetrekkende, liet hij volgen: "Kom, laten
we weggaan!"
"Wat scheelt je?"
"Laten we weggaan, laten we weggaan van hier!" herhaalde hij, terwijl
zijn tanden van vrees in zijn mond klapperden.
"Wat heb je gezien?"
"Op het dak...dat moet de non wezen die 's nachts gloeiende kolen
ophaalt!"
De _distinguido_ stak zijn hoofd naar buiten, en wilde zien.
Er flikkerde weer een bliksemstraal, en een vuurader doorkliefde de
lucht. Een afgrijselijke knal volgde.
"Jezus!" riep hij, eveneens een kruis slaande.
Inderdaad, bij het schitterende licht van 't hemelvuur had hij een
witte gedaante gezien, die bijna boven op den nok van 't dak stond,
gelaat en armen naar den hemel opgeheven, als in smeekende houding. De
hemel antwoordde met donder en bliksem!
Na den donder hoorde men een droef gekreun.
"Dat is de wind niet, dat is het spook!" mompelde de soldaat, als
ten antwoord op den handdruk van zijn metgezel.
"_Aij! aij!_" klonk het door de lucht, boven het gedruisch van
den regen uit. De wind kon met zijn gegier die zoete klaagtoon vol
droefenis niet overstemmen.
Er schitterde weer een bliksemstraal van een verblindende helderheid.
"Nee, 't is het spook niet!" riep de _distinguido_. "Ik heb haar nog
eens gezien: ze is beeldschoon als de Moedermaagd...Laten we weggaan,
en het rapporteeren!"
De soldaat liet het zich geen tweemaal zeggen, en beiden trokken af.
Wie kermde en kreunde daar in 't holle van den nacht, ten spijt van
wind, regen en storm? Wie was de schuchtere maagd, de bruid van Jezus,
die daar de ontketende elementen trotseerde, en den verschrikkelijken
nacht en den vrijen hemel uitzocht, om van een gevaarlijke hoogte
haar klachten ten hemel uit te zuchten? Zou de Heer zijn tempel
in het klooster verlaten hebben, dat Hij niet meer luistert naar
gebeden? Zouden zijn gewelven de smachting der ziel niet meer laten
opstijgen voor den troon des Barmhartigen?
De storm raasde bijna den ganschen nacht door. De heele nacht blonk er
geen enkele ster. De wanhopige weeklachten, gepaard met de suizingen
des winds, hielden aan, maar ze vonden natuur en mensch doof: God
had zich gesluierd en hoorde haar niet.
Den volgenden dag, toen de hemel vrij van donkere wolken was, en de
zon weder te midden van 't gezuiverd azuur schitterde, hield er een
rijtuig stil aan de poort van 't Santa Clara-klooster. Er stapte een
man uit, die verklaarde een vertegenwoordiger van 't gezag te wezen,
onmiddellijk de abdis te spreken vroeg, en al de nonnen wenschte
te zien.
Men verhaalt dat er een verscheen met een geheel nat kleed aan,
dat in flarden neerhing, en dat deze weenend de bescherming van
den man inriep, vreeselijke beschuldigingen uitsprekend, tegen de
gewelddaden der huichelarij. Men vertelt ook dat ze beeldschoon was,
dat ze de heerlijkste, sprekendste oogen ter wereld had.
De vertegenwoordiger van 't gezag nam haar niet tot zich: hij had een
onderhoud met de abdis, en liet haar aan haar lot over, in weerwil
van haar smeken en schreien. De jonge non zag de deur sluiten achter
den man, gelijk de veroordeelde de poorten des hemels voor zich ziet
dichtgaan, als ooit de hemel zo wreed en ongevoelig kon wezen als de
menschen. De abdis zeide dat ze krankzinnig was.
De man wist misschien niet dat er in Manila een krankzinnigengesticht
is, of wellicht oordeelde hij dat het nonnenklooster alleen maar
zulk een gesticht was; ofschoon men beweert dat die man vrij dom was,
vooral om uit te maken wanneer iemand bij zijn verstand was of niet.
Men verhaalt ook dat de gouverneur, de heer J. [80] er anders over
dacht en dat, toen de zaak hem ter oore kwam, hij de krankzinnige
wilde beschermen, en haar opeischte.
Doch ditmaal verscheen er geen schoon, om hulp smeekend jongmeisje,
en de abdis stond niet toe dat men in het klooster nasporing deed:
ze beriep zich daarbij op den godsdienst en de heilige statuten.
Men sprak verder niet over het geval, evenmin als over de rampzalige
Maria Clara.