Het was een ernstig geval: Linares kende het karakter van Doña
Victorina, en wist waartoe ze in staat was.
Met haar redelijk te praten, was net hetzelfde als van eerlijkheid en
fatsoen te spreken tot een _carabinero_ van de belasting, wanneer die
't in zijn hoofd krijgt smokkelwaar te vinden waar die niet is. Smeken
baatte niet, om den tuin leiden was nog erger. Er zat niets anders
op dan de uitdaging te doen.
Maar hoe? dacht hij, alleen heen en weer stappend, als hij me royaal
naar de maan laat loopen? Als ik 's zijn vrouw tegenkom? Wie zal
getuige willen wezen? De pastoor? Capitán Tiago? Verwenscht het
oogenblik dat ik naar haar raad geluisterd heb! Beroerd wijf! Wie
noodzaakte me om op te snijden, leugens te verkoopen, om met allerlei
gezwets me in te dringen? Wat zal die jongedame nu van me zeggen?... Nu
spijt het me dat ik secretaris bij alle ministers geweest ben!
In deze droeve overdenking was de goede Linares, toen Padre Salvi
binnenkwam. De Franciskaan was werkelijk nog magerder en bleeker dan
gewoonlijk, maar zijn oogen schitterden met een eigenaardigen glans,
en op zijn lippen zweefde een vreemde glimlach.
"Zoo, meneer Linares, zoo alleen?" groette hij en richtte zich naar
de zaal, door welker half-geopende deur eenige tonen van een piano
naar buiten kwamen.
Linares wilde glimlachen.
"En Don Santiago?" liet de pastoor volgen.
Capitán Tiago verscheen juist, kuste den pastoor de hand, ontdeed
hem van zijn hoed en stok, en lachte als een gelukzalige.
"Wel, wel!" zeide de pastoor de zaal binnentredend, gevolgd door
Linares en Capitán Tiago. "Ik heb goed nieuws aan u allen te
vertellen. Ik heb brieven uit Manila ontvangen, die me bevestigen
wat meneer Ibarra me gisteren kwam meedeelen...dus, Don Santiago,
't beletsel is vervallen."
Maria Clara, die tusschen haar twee vriendinnen aan de piano zat,
richtte zich half op, doch de krachten begaven haar, en ze ging weer
zitten. Linares verbleekte, en keek Capitán Tiago aan. Deze sloeg de
oogen neer.
"Dat jongemensch lijkt me per slot van rekening zeer sympathiek,"
ging de pastoor voort, "eerst beoordeelde ik hem verkeerd...hij is
wat driftig, maar daarna weet hij zijn fouten zoo goed te herstellen,
dat men geen wrok tegen hem kan koesteren. Als Padre Dámaso niet..."
De pastoor wierp een snellen blik naar Maria Clara, die luisterde,
maar zonder de oogen op te slaan van de muziek voor haar, in weerwil
van de stille kneepjes die Sinang haar toediende. Zoo drukte deze
haar vreugde uit. Als ze alleen was geweest, had ze gedanst.
"Padre Dámaso?" vroeg Linares.
"Ja, padre Dámaso heeft gezegd," hervatte de pastoor zonder zijn blik
van Maria Clara af te wenden, "dat hij als Maria's peetvader niet
kon veroorloven ...maar nu ja, ik geloof dat als meneer Ibarra hem
vergiffenis vraagt, waar ik niet aan twijfel, alles weer in orde komt."
Maria Clara stond op, verontschuldigde zich en ging vergezeld van
Victoria, het vertrek uit.
"En als Padre Dámaso hem niet vergeeft?" vroeg Capitán Tiago zacht.
"Dan...moet Maria Clara 't zelf weten ...Padre Dámaso is
haar...geestelijke vader. Maar ik geloof dat ze 't bij zullen leggen."
Op dat oogenblik hoorde men schreden, en Ibarra vertoonde zich, gevolgd
door tante Isabel. Zijn komst bracht een zeer verschillenden indruk
te weeg. Hij groette Capitán Tiago vriendelijk--deze wist niet of
hij lachen of schreien moest--en Linares met een diepe buiging met
het hoofd. Fray Salvi stond op, en gaf hem zoo hartelijk de hand,
dat Ibarra een blik van verbazing niet kon bedwingen.
"Verwonder u niet," zeide Fray Salvi, "ik was net bezig u te prijzen."
Ibarra dankte, en trad op Sinang toe.
"Waar ben je den heelen dag geweest?" vroeg deze met haar jongmeisjes
praatlust. "We vroegen elkaar af: waar zou die uit het vagevuur
losgekochte ziel toch wel heen zijn? En elk van ons meisjes zei iets."
"En mag ik weten wat dat was?"
"Nee, dat 's een geheim, maar ik zal 't wel onder vier oogen
zeggen. Zeg ons nu waar je geweest bent, om 't te zien, wie er goed
heeft kunnen raden."
"Nee, dat 's ook een geheim, maar ik zal 't je wel onder vier oogen
zeggen, als de heeren me veroorloven."
"Wel, natuurlijk, natuurlijk! Dat ontbrak er nog maar aan!" zei
padre Salvi.
Sinang nam Crisóstomo mee naar 't eene uiteinde van de zaal: zij was
in de wolken dat ze een geheim zou hooren.
"Zeg me nu 's, vriendinnetje," vroeg Ibarra, "is Maria boos op me?"
"Ik weet 't niet, maar ze zegt dat het beter is dat je haar vergeet,
en dan begint ze te schreien. Capitán Tiago wil dat ze trouwt met
dien meneer, Padre Dámaso ook, maar zij zegt geen ja en geen nee. Van
morgen toen we naar je vroegen en ik zei: Zou hij soms 't hof zijn
gaan maken aan 't een of ander meisje?, antwoordde zij me: 'God gave
't!' en barstte in schreien uit."
Ibarra keek ernstig.
"Zeg Maria dat ik haar alleen wil spreken."
"Alleen?" vroeg Sinang en fronste de wenkbrauwen.
"Heelemaal alleen, nee, maar die vent moet er niet bij wezen."
"Dat 's lastig. Maar wees maar gerust: ik zal 't haar zeggen."
"En wanneer zal ik 't antwoord weten?"
"Morgen. Ga vroeg naar huis. Maria wil nooit alleen zijn. Wij zijn bij
haar: Victoria slaapt de eene nacht naast haar, ik de andere. Morgen is
't mijn beurt. Maar hoe is 't nu met het geheim? Ga je heen zonder me
't voornaamste gezegd te hebben?"
"Dat 's waar ook! Ik ben in 't dorp _de los baños_ [48] geweest. Ik
ga de cokos-aanplantingen exploiteeren, want ik denk een fabriek op
te richten met je vader als deelgenoot."
"Niets anders dan dat? Nu, dat's ook een geheim!" riep Sinang luid,
op den toon van een opgelichte woekeraar. "Ik dacht..."
"Voorzichtig! Ik sta je niet toe dat je 't vertelt!"
"Alsof ik daar lust in had!" antwoordde Sinang, en trok haar
neusje op. "Als 't nog 's wat belangrijkers was, zou ik 't aan mijn
vriendinnen zeggen. Maar 't koopen van klappers! Wie stelt nu belang
in klappers?"
En als een pijl uit een boog ging ze weer naar haar vriendinnen.
Eenige oogenblikken later nam Ibarra afscheid, daar hij zag dat het
samenzijn moeilijk anders dan gedwongen kon wezen. Capitán Tiago
keek zuurzoet, Linares was stil en zat waar te nemen, de pastoor
deed alsof hij vroolijk was en sprak over dingen die hem volmaakt
onverschillig waren.