Dokter De Espadaña en zijn vrouw.
Het feest was voorbij. De dorpsbewoners vonden weder, evenals
alle jaren, dat hun kas armer was geworden, dat ze veel gewerkt,
gezweet en gezwoegd hadden, zonder zich vermaakt of nieuwe vrienden
verkregen te hebben, in een woord, dat ze het lawaai en de hoofdpijn
duur betaald hadden. Maar wat doet dat ertoe: 't komende jaar zal men
't zelfde doen, 't zelfde in de volgende eeuw, want 't is tot-nu-toe
zoo de gewoonte geweest.
Ten huize van Capitán Tiago heerschte vrij groote droefenis; al de
vensters zijn gesloten, de menschen loopen geruischloos rond, en alleen
in de keuken durft men luide te spreken. Maria Clara, de ziel van 't
huis, ligt ziek te bed. Haar toestand is te lezen in ieders gelaat,
zooals men het lijden des geestes leest in de trekken van een persoon.
"Wat dunkt je, Isabel, zal ik de offergave doen aan het Kruis van
Toenasan of aan dat van Matahong?" vroeg de veelbeproefde vader
zacht. "Het kruis van Toenasan groeit, maar dat van Matahong
zweet. Welk van de twee hou jij voor wonderdadiger?"
Tante Isabel dacht na, schudde het hoofd en mompelde:
"Groeien...wel groeien is grooter wonder dan zweten: we zweten
allemaal, maar groeien doen we niet allemaal."
"Dat 's waar, ja, Isabel, maar bedenk wel dat zweten, dat het zweten
van hout dat voor de poot van een bank bestemd was, geen klein wonder
is...Och 't beste zal wezen, de offergave aan de beide kruisen aan
te bieden. Zoo zijn beide partijen bevredigd, en zal Maria Clara
spoediger beter worden. Zijn de kamers in orde? Je weet wel dat er
met den dokter en zijn vrouw een nieuwe meneer meekomt, familie van
Padre Dámaso. Er mag niets ontbreken."
Spoedig daarna reed er een rijtuig voor.
Capitán Tiago gevolgd door tante Isabel, liep ijlings de trap af, om
de aankomenden te ontvangen. Dit waren Doctor Fiburcio de Espadaña,
zijn wederhelft mevrouw Victorina de los Reyes de Espadaña en een
jongmensch met een innemend gelaat en aangenaam voorkomen.
Zij droeg een zijden ochtendjapon, afgezet met bloemen, en een hoed
met een groote papegaai erop, die half verdrukt zat tusschen blauwe
en roode linten. Het stof van den weg, vermengd met het rijstpoeder
op haar wangen, schenen haar rimpels te hebben vermeerderd. Evenals
eertijds te Manila leidde ze nu ook haar manke man aan den arm.
"Ik heb 't genoegen u voor te stellen onzen neef Don Alfonso Linares de
Espadaña!" zeide Doña Victorina, op het jongemensch wijzende. "Meneer
is petekind van een familielid van Padre Dámaso, partikulier sekretaris
van alle ministers..."
De jongeman groette hoffelijk; Capitán Tiago kuste hem bijna de hand.
De talrijke koffertjes en valiezen werden naar boven gebracht en
Capitán Tiago geleidde zijn gasten naar hun logeerkamers.
Toen men bezig was het tweede ontbijt te gebruiken, kwam Padre Salvi,
en het echtpaar, dat hem reeds kende, stelde hem den jongen Linares
met al zijn titels voor, zoodat deze bloosde.
Men sprak natuurlijk over Maria Clara. Het jongemeisje rustte
en sliep. Men sprak over de reis. Doña Victorina vierde haar
praatlust bot, en kritizeerde de gewoonte der provinciemenschen,
hun _nipah_-woningen, de bamboe bruggen, zonder te vergeten aan den
pastoor mede te deelen, hoe wel ze was met allerlei groote lui.
"U moest twee dagen vroeger hier geweest zijn, Doña Victorina,"
antwoordde Capitán Tiago, gedurende een korte tusschenpoos, "dan zou
u den _capitán general_ ontmoet hebben: die heeft daar gezeten."
"Wat? Hoe? Is Zijne Excellentie hier geweest? En in uw huis? Och kom!"
"Ik zeg u dat hij daar gezeten heeft! Als u maar twee dagen eerder
gekomen was..."
"Och! Hoe jammer dat Clarita niet eerder ziek geworden is!" riep zij
met waarachtige spijt. En zich tot Lidares wendende, liet ze volgen:
"Hoor je dat, neef? Zijne Excellentie is hier geweest! Je ziet wel dat
De Espadaña gelijk had, toen hij zeide dat je niet bij een armzalige
inlander aan huis zou komen, want u moet weten, Don Santiago, dat
onze neef in Madrid bevriend was met ministers en hertogen, en dat
hij dineerde bij den graaf del Campanario."
"Van den hertog de la Torre, Victorina," verbeterde haar man. [42]
"Dat 's net hetzelfde, wat woû je nou?"
"Zou ik vandaag ook Padre Dámaso in zijn dorp kunnen vinden?" viel
Linares in de rede, zich tot Padre Salvi wendend. "Men heeft me gezegd
dat het hier dicht-bij was."
"Hij is juist hier, en zal heel gauw komen," antwoordde de pastoor.
"Wat doet me dat genoegen! Ik heb een brief voor hem," riep de jongeman
uit, "en als 't niet was door dit gelukkige toeval, dat me hier brengt,
zou ik opzettelijk gekomen zijn, om hem op te zoeken."
Het "gelukkige toeval" was intusschen wakker geworden.
"De Espadaña," zei Doña Victorina, haar ontbijt beëindigend, "zullen we
's naar Clarita gaan kijken?" En tot Capitán Tiago:
"Voor u alleen, Don Santiago, voor u alleen! Mijn man behandelt alleen
voorname menschen, en dan nòg...! Mijn man is niet zooals die lui van
hier... in Madrid bezocht hij uitsluitend menschen van hoog aanzien."
Dat de groote geneesheer vroeger ambtenaartje bij de douane geweest
was, en nooit eenige studie van geneeskunde gemaakt had, wist hier
niemand. Zij evenmin.
Ze gingen naar de ziekekamer.
Het vertrek was bijna donker, de vensters waren gesloten uit vrees
voor tocht, en het licht dat er scheen, kwam van de kaarsen, die
stonden te branden voor het beeld der Heilige Maagd van Antipolo.
Het hoofd omwonden met een in eau de cologne geweekte doek, het
lichaam zorgvuldig gewikkeld in witte lakens, met veel plooien erin,
die haar maagdelijke vormen verheelden, lag het jonge meisje in
haar ledikant van _kamagon_-hout, achter gordijnen van _jusi_ en
_pina_. Heur haar, als een lijst om haar ovaal gelaat, verhoogde de
doorschijnende bleekheid, welke slechts verlevendigd werd door haar
groote droefenisvolle oogen. Naast haar bed zaten de beide vriendinnen
en Andeng met een ruiker leliën.
De Espadaña nam haar pols, onderzocht de tong, deed verschillende
vragen, en zeide, terwijl hij het hoofd heen en weer bewoog:
"Wel...ze is ziek, maar ze kan genezen worden!"
Doña Victorina keek de omstanders fier aan.
"'s Morgens ijslands mos met melk, wat alteastroop, twee pillen van
'hondetong'," schreef de Espadaña voor.
"Schep maar moed, Clarita," zei Doña Victorina, naderbij komend, "we
zijn gekomen om je beter te maken... Ik zal je mijn neef voorstellen."
Linares was in gedachten verdiept, in stille beschouwing van die
welsprekende oogen, welke iemand schenen te zoeken, en hoorde niet
dat Doña Victorina hem riep.
"Meneer Linares", zeide de pastoor tot hem, hem ontrukkend aan zijn
geestvervoering, "daar komt Padre Dámaso."
Inderdaad kwam de genoemde aan, bleek en eenigszins bedroefd. Toen
hij het bed verliet, was zijn eerste bezoek voor Maria Clara. 't
Was niet meer de Padre Dámaso van voorheen, zoo sterk en spraakzaam;
thans stapte hij zwijgend en eenigszins wankelend voort.