Twee bezoeken.
In den gemoedstoestand waarin Ibarra zich bevond, was het hem
onmogelijk in slaap te komen, zoodat hij, om zijn geest af te leiden
en de droevige gedachten, die 's nachts nog pijnlijker werden van
zich af te zetten, zich in zijn eenzame studeerkamer aan 't werk
zette. De dageraad verraste hem, toen hij nog bezig was met het maken
van mengsels en verbindingen, aan welker werking hij stukjes riet en
andere zelfstandigheden onderwierp, die hij daarna in genummerde en
gelakte flakons wegborg.
Een bediende kwam binnen, en berichtte hem de komst van een boer.
"Laat hem binnenkomen!" zeide hij, zonder zich zelfs om te keeren.
De binnentredende was Elias, die daarna zwijgend bleef staan.
"O, bent u 't?" riep Ibarra in 't Tagaalsch uit, toen hij hem herkende.
"Neem me niet kwalijk dat ik u heb laten wachten. Ik had het niet
gemerkt: ik was bezig een belangwekkende proef te doen..."
"Ik wilt u niet storen!" antwoordde de jonge "loods."
"Ik ben in de eerste plaats gekomen, om u te vragen, of u soms iets
voor de provincie Batagas hebt: ik ga daar nu heen.
"En ten tweede om u een slechte tijding te brengen..."
Ibarra keek den "loods" vragend aan.
"De dochter van Capitán Tiago is ziek," hervatte Elias kalm, "maar
niet ernstig."
"Ik had het wel gevreesd!" riep Ibarra met zwakke stem uit. "Weet u
wat haar scheelt?"
"O koorts! Als u nu verder niets te bevelen heeft..."
"Dank u, mijn vriend. Ik wensch u een goede reis..., maar veroorloof
me eerst een vraag te doen. Als u die onbescheiden vindt, antwoord
dan maar niet."
Elias boog.
"Hoe heeft u dat opstootje gisteravond kunnen bezweren?" vroeg Ibarra,
hem strak aanziende.
"O heel eenvoudig!" antwoordde Elias met de grootste
natuurlijkheid. "De leiders van de beweging waren twee broers, wier
vader doodgeslagen is door de _guardia civil_. Eens op een dag had ik
het geluk ze te redden uit dezelfde handen, waarin hun vader gevallen
was, en beiden zijn me daar dankbaar voor. Ik heb me gisterenavond
tot hen gewend, en zij hebben op zich genomen, de anderen van hun
plan af te brengen."
"En die twee broers wier vader doodgeslagen is?..."
"Die zullen wel net zoo eindigen als hun vader," antwoordde Elias
zacht; "wanneer 't ongeluk 't eenmaal op een familie heeft gemunt,
moeten al de leden eraan gelooven. Wanneer de bliksem een boom treft,
maakt hij hem heelemaal tot asch."
En Elias, ziende dat Ibarra zweeg, nam afscheid. De laatste verloor,
toen hij zich alleen zag, de kalme houding die hij in tegenwoordigheid
van den "loods" had in acht genomen, en de smart vertoonde zich op
zijn gelaat.
"Ik, ik heb haar zoo ellendig gemaakt!" mompelde hij.
Hij kleedde zich vlug aan, en ging de trap af.
Een klein mannetje, in de rouw, met een groot litteeken op de
linkerwang, groette hem nederig, en hield hem onderweg aan.
"Wat wilt u?" vroeg Ibarra hem.
"Meneer, ik heet Lucas, ik ben de broer van den man die gisteren
gestorven is."
"Zoo! Ik betuig u wel mijn leedwezen... En?"
"Meneer, ik wou 's weten, hoeveel u zal betalen aan de familie van
mijn broer."
"Betalen?" herhaalde de jongeman, zonder zijn ergernis te kunnen
bedwingen. "Daar zullen we wel 's over praten. Komt u vanavond maar
terug; want ik heb nu geen tijd."
"Zegt u alleen maar, hoeveel u betalen wilt!" hield Lucas aan.
"Ik heb u gezegd dat we daarover wel 's een anderen keer spreken
zullen, ik heb nu haast!" zeide Ibarra ongeduldig.
"Heeft u nu geen tijd, meneer?" vroeg Lucas met bitterheid, en ging
vlak voor hem staan. "Heeft u geen tijd, om u met de dooden bezig
te houden?"
"Kom vanavond, m'n goeie man!" herhaalde Ibarra, zich bedwingende;
"ik moet nu een zieke gaan opzoeken."
"Zoo, en vergeet u om een zieke de dooden? Gelooft u dat we, omdat
we arm zijn...?"
Ibarra keek hem aan en sneed hem het woord af.
"Stel mijn geduld niet op den proef!" zeide hij, en ging zijns
weegs. Lucas bleef hem nastaren, met een glimlach vol haat.
"'t Is wel te merken dat je de kleinzoon bent van den man die mijn
vader tot straf in de brandende zon heeft gezet!" mompelde hij
binnensmonds. "Je hebt hetzelfde bloed!"
En, van toon veranderend, liet hij volgen:
"Maar, als je goed betaalt...goeie maatjes, hoor!"