XXXVII.

Doña Consolación.

Waarom zijn de vensters in 't huis van den _alférez_ gesloten? Waar

waren, terwijl de processie voorbijtrok, het mannelijk gelaat en de

flanellen blouse der Muze van de guardia Civiel? Zou Doña Consolación

begrepen hebben, hoe onwelkom haar voorhoofd was, met de dikke aderen

erop, die wel azijn en gal schenen te bevatten in plaats van bloed,

en de dikke sigaar, waardig sieraad van haar roode lippen, en haar

jaloersche blikken? En heeft ze, zwichtend voor een opwelling van

edelmoedigheid met haar akelige verschijning de volksvreugde niet

willen verstoren? Niet waarschijnlijk.

Het huis vertoont geen lantarens, noch vlaggen. Als de schildwacht

niet voor de deur op en neer geloopen had, zou men gezegd hebben dat

het huis onbewoond was.

Een zwak licht scheen in de ontredderde voorkamer, en maakte de vuile

schelpen, die als ruiten dienst deden en vol met spinnewebben en stof

zaten, doorschijnend. De vrouw des huizes, ouder gewoonte luierend,

dommelde in een grooten leuningstoel. Ze was gekleed als alle dagen,

dat wil zeggen: vreeselijk slordig; als eenige hoofdtooi een doekje,

waaruit sprietige, korte, verwarde lokken te voorschijn kwamen;

de blauwflanellen blouse, over een hemd dat wit moest geweest zijn,

een verkleurde rok, gespannen over de magere platte dijen, die nu

over elkaar geslagen waren en koortsachtig trilden. Uit haar mond

kwamen van tijd tot tijd gulpen rook, die ze met verveling wegblies

in de ruimte, waarin ze staarde, wanneer ze de oogen opendeed.

Die ochtend was onze dame niet naar de mis geweest; niet omdat ze

niet gewild had, integendeel, ze had zich gaarne aan de menigte

vertoond en de preek gehoord, maar haar man had het haar niet

toegestaan. En, zooals altijd, was het verbod gepaard gegaan met

een paar scheldwoorden, vloeken en schop-dreigementen. De _alférez_

begreep dat zijn vrouw belachelijk gekleed ging, dat ze den indruk

maakte van een soldaten-slet, en dat het niet te pas kwam, haar bloot

te stellen aan de blikken van de hooge lui van de hoofdplaats of aan

de vreemdelingen.

Doch zij vatte het anders op. Ze was overtuigd dat ze mooi was en

aantrekkelijk, dat ze de voornaamheid van een koningin bezat, en dat

ze veel beter en met meer weelde gekleed ging dan zelfs Maria Clara:

deze droeg immers een gewone _tapis_ (kain), zij een rok. 't Was

bepaald noodig dat de _alférez_ haar zeide: "Hou nu je mond, of ik

schop je naar je negerij terug!"

Doña Consolación had geen zin om naar haar negerij teruggeschopt te

worden, maar zon op wraak.

't Donkere gelaat onzer dame was nooit bizonder vertrouwenwekkend

geweest, ook niet wanneer ze zich opverfde, maar dien morgen was ze

zeer verontrustend, vooral toen men haar van den eenen kant van 't

huis naar de andere stil en, als overpeinsde ze iets schrikkelijks

of kwaadaardigs, zag stappen. Haar blik had den weerschijn die

uit de pupil van een slang licht, wanneer deze, gevangen, straks

doodgetrapt zal worden: hij was koud, fel doordringend, en had iets

weerzinwekkends wreeds.

Het kleinste vergrijp, het onbeteekenendste gedruisch ontrukten haar

een schandelijk leelijk scheldwoord, dat tot in de ziel griefde, maar

niemand antwoordde: zich verontschuldigen zou een nieuwe misdaad wezen.

Zoo ging de dag voorbij. Geen enkel verzet tegenover zich ziende--haar

man was uitgevraagd--raakte ze vol gal: 't was net of de cellen van

haar organisme zich laadden met elektriciteit, en ieder oogenblik

dreigden uit-een te barsten in een orkaan van straattaal. Alles

om haar boog zich, als de korenaren bij 't eerste blazen van den

storm. Ze vond geen weerstand, ze trof geen enkel uitsteeksel, geen

enkele verhevenheid om haar boos humeur op te kunnen uitstorten:

soldaten en bedienden kropen langs en om haar.

Om het feestgedruisch niet te hooren, beval ze de ramen te sluiten,

en droeg ze den schildwacht op, niemand te laten voorbijgaan. Ze bond

zich een doekje om het hoofd, als om te beletten dat het uitelkaar

zou springen, en, ofschoon de zon nog hoog aan den hemel stond,

gaf ze bevel de lichten aan te steken.

Sisa werd, zooals we gezien hebben, als rustverstoorster opgepakt

en naar de kazerne gebracht. De _alférez_ was er toen niet, en de

ongelukkige moest de nacht op een bank doorbrengen, waar ze met een

strakken onverschilligen blik op neerzat. Den volgenden dag zag de

_alférez_ haar, en daar hij in die dagen van rumoer bang voor haar was,

en geen onaangenaam schouwspel wilde geven, droeg hij de soldaten op,

haar te bewaken, haar met medelijden te behandelen en haar eten te

geven. Zoo bracht de waanzinnige twee dagen door.

Deze nacht, hetzij dat door de nabijheid van Capitán Tiago's huis het

droevige zingen van Maria Clara tot haar was doorgedrongen, hetzij

dat andere muziek haar oude liederen wakker riepen, hoe 't ook zij,

Sisa begon ook met haar lieve weemoedige stem de _koendiman_ (zangen)

van haar jeugd te zingen. De soldaten hoorden haar en zwegen: och,

die melodieën riepen oude herinneringen wakker, herinneringen uit

den tijd toen ze nog onbedorven waren.

Doña Consolación hoorde haar ook in haar verveling, en toen ze vernam

wie daar zong, beval ze na eenige oogenblikken nadenken:

"Laat haar dadelijk hier bovenkomen." Iets als een glimlach vloog

over haar dorre lippen.

Men bracht Sisa, die zonder eenige verlegenheid, verwondering of

vrees te toonen, verscheen. 't Was of ze onze dame in 't geheel

niet zag. Dit kwetste de ijdelheid onzer Muze, die eerbied en ontzag

wenschte in te boezemen.

De _alféreza_ kuchte, gaf den soldaten een teeken dat ze heen konden

gaan, en de zweep van haar man van een spijker aan den wand nemende,

zeide ze op onheilspellenden toon tot de krankzinnige:

"Kom, nu zingen!" Dit ging in dooreengehaspeld Tagaalsch en

Spaansch. Sisa begreep haar natuurlijk niet, en deze onwetendheid

bezwoer haar toorn.

Een van de schoone eigenschappen dezer dame was, dat ze deed alsof

ze de landstaal niet kende, zoodat ze die zoo slecht mogelijk sprak:

zoo meende ze den indruk te maken van een echte Europeesche. En

daar deed ze goed aan, want, zoo ze al het Tagaalsch verminkte,

het Spaansch kwam uit haar mond niet beter voor den dag, noch wat

taalregels, noch wat uitspraak betrof. En toch had haar man alle

mogelijke moeite gedaan om haar die te leeren. En menige kneep,

menige stomp, menigen stokslag hadden de lessen haar gekost!

Tooneelen van ergernis over onbegrijpelijkheid der leerlinge kwamen

telkens voor. Haar man, toen nog korporaal, terwijl zij waschvrouw

was, berekende met smart dat zijn wederhelft na tien jaar het spreken

geheel-en-al zou verleerd zijn. Toen ze trouwden, verstond zij nog

Tagaalsch en kon zich verstaanbaar maken in 't Spaansch, nu, in

den tijd van ons verhaal, sprak ze geen van beide meer: ze had een

groote liefhebberij opgevat voor gebarentaal, en daarbij bezigde ze

de luidruchtigste en raakste.

Sisa trof het dus, dat ze haar niet begreep. Haar wenkbrauwen wat

ontspannend, lachte ze even met voldoening: ongetwijfeld kende ze

't Tagaalsch niet meer, was ze dus een Europeesche.

"Oppasser, zeg aan deze vrouw in 't Tagaalsch, dat ze zingen moet. Ze

verstaat me niet, ze kent geen Spaansch."

De krankzinnige begreep den oppasser en zong het lied dat ze in den

nacht gezongen had.

Doña Consolación luisterde eerst met een spotlachje op de lippen, doch

dit verdween allengs, ze begon aandachtig te worden, daarna ernstig

en eenigszins in gepeins verzonken. De stem, de zin der verzen en

de zang zelf maakten indruk op haar: dat dorre, droge hart dorstte

wellicht naar regen. Zij begreep het goed: "De droefheid, de koude

en de vochtigheid, die uit den hemel nederdalen, gehuld in den mantel

der nacht," zooals de _koendiman_ luidde, "'t scheen haar dat ze ook

haar pracht tentoongespreid had, verlangend naar bijval en vol van

ijdelheid, bij 't vallen van den avond berouwvol en ontgoocheld, doet

een poging om haar verwelkte bloemblaadjes op te heffen naar den hemel,

vragend om een weinig schaduw, waar ze weg kan schuilen en sterven,

zonder den spot van 't licht dat haar zag in haar glorie, zonder de

ijdelheid van haar trots te zien, en dat ook een weinig dauw moge

schreien over haar. De nachtvogel verlaat zijn eenzaam schuil-oord,

de holte in den ouden boomstam, en verstoort de weemoed der wouden..."

"Nee, niet zingen", riep de vrouw van den _alférez_, nu in uitstekend

Tagaalsch, terwijl ze zenuwachtig opstond. "Zing niet meer! Die

woorden doen me pijn!"

De krankzinnige zweeg. De oppasser liet zich ontvallen: "Wel, ze kent

waarachtig Tagaalsch!" en hij stond vol verbazing zijn meesteres aan

te kijken.

Deze begreep dat ze zich verraden had. Ze schaamde zich, en daar haar

aard onvrouwelijk was, nam de schaamte den vorm van woede en haat

aan. Ze wees den onvoorzichtigen oppasser de deur, en sloot deze met

een trap achter hem. Ze liep eenige malen door het vertrek heen en

weer, terwijl ze de zweep in haar pezige handen verwrong. En op eens,

stilstaande voor de krankzinnige, zeide ze in 't Spaansch:

"Dans!"

Sisa verroerde zich niet.

"Dans! Dans!" herhaalde ze op dreigenden toon.

De krankzinnige keek haar aan met leege, zinlooze oogen.

De _alféreza_ hief Sisa's eenen arm op, daarna den andere en schudde

dien heen en weer: 't gaf niets, ze begreep 't niet.

De andere begon te springen, zich te bewegen, terwijl ze de

krankzinnige aanzette, om haar na te doen. Men hoorde uit de verte

de processie-muziek een statigen ernstigen marsch spelen, maar onze

dame maakte woeste sprongen op een andere maat, een andere muziek:

die, welke in haar binnenste weerklonk. Sisa keek haar roerloos

aan. Iets als nieuwsgierigheid teekende zich in haar oogen, en een

zwakke glimlach bewoog haar bleeke lippen: ze vond het dansen van

die dame wel leuk.

Deze hield als verlegen op, zwaaide de zweep, de vreeselijke zweep,

zoo welbekend bij dieven en soldaten, te Aelongo gemaakt en door den

_alférez_ verbeterd met ingevlochten ijzerdraad, en zeide:

"Nu is 't jouw beurt om te dansen--dans!"

En ze begon zachtjes op de bloote voeten der krankzinnige te

slaan. Deze vertrok haar gezicht van pijn, en bracht de handen aan

de voeten, om deze te beschermen.

"Aha! Je begint al!" riep de ander met woeste vreugde, en van 't

"lento" ging ze over in een "allegro vivace."

De ongelukkige stiet een kreet van pijn uit, en hief levendig den

voet op.

"Zul je dansen ... zwarte h...?" zeide onze dame, en de zweep zwierde

en zwiepte door de lucht.

Sisa liet zich op den grond vallen, bracht beide handen aan haar

beenen, en keek haar beul met uitpuilende oogen aan. Twee harde

zweepslagen op den rug deden haar opstaan: 't was geen kreet meer,

't was een gehuil dat de ongelukkige uitstiet. Het dunne hemd scheurde,

de huid ging stuk, en er vertoonde zich bloed.

Het gezicht van 't bloed deed Doña

Consolación's opwinding nog toenemen.

"Dans, dans, vervloekte ellendeling! De moeder die je ter wereld

bracht mag verdoemd zijn!" riep ze. "Dans of ik ransel je dood!"

En zij zelf, haar aanvattend met de eene hand en haar geeselend met

de andere, begon te springen en te dansen.

De krankzinnige begreep haar ten slotte, en volgde, de armen ongeregeld

heen en weer bewegend. Een glimlach van voldoening vertrok de lippen

der leermeesteres, de glimlach van een vrouwelijke Mefisto, die erin

slaagt een groote leerling te krijgen. Er lagen haat, minachting,

spot en wreedheid in; een schaterlach had niet meer kunnen uitdrukken.

En, verdiept in 't genieten van dit schouwspel, hoorde ze haar man

niet aankomen, voordat de deur op luidruchtige wijze opengetrapt werd.

De _alférez_ stond bleek en somber kijkend vóór haar. Hij zag wat

er voorviel, en wierp zijn vrouw een vreeselijken blik toe. Deze

verroerde zich niet van haar plaats en bleef cynisch lachen.

De _alférez_ legde zoo zacht als hij kon de hand op den schouder der

zonderlinge danseres, en deed haar stilhouden. De krankzinnige kwam

op adem, en ging langzaam op den met bloed bevlekten grond zitten.

De stilte hield aan. De _alférez_ ademde zwaar. Zijn vrouw, die hem

met vragende oogen gadesloeg, raapte de zweep op en vroeg hem bedaard

en langzaam:

"Wat overkomt je? Je hebt me niet eens nog gegroet!"

De _alférez_ antwoordde niet, maar riep den oppasser.

"Neem deze vrouw mee," zeide hij, "laat Marta haar een ander hemd

geven, en haar behandelen! Jij moet haar goed te eten geven, en een

bed... voorzichtig, als ze slecht behandeld wordt! Morgen moet ze naar

't huis van meneer Ibarra gebracht worden."

Daarna sloot hij zorgvuldig de deur, schoof er den grendel voor,

en trad op zijn vrouw toe.

"Jij legt je erop toe dat ik je dood zal slaan!" zeide hij tot haar

met gebalde vuisten.

"Wat scheelt je?" vroeg zij, opstaande en terugtredende.

"Wat me scheelt?" riep hij met donderende stem, vloekend, en, op een

papier vol krabbels wijzend, ging hij voort: "Heb jij dezen brief niet

aan den _alcalde_ geschreven, en daarin gezegd dat ik me liet betalen,

om 't dobbelen toe te laten, vuile sl...? Ik weet niet wat me let om

je te vermorzelen!"

"Komaan, waag dat 's!" zeide zij spotachtig lachend. "Die mij

vermorzelt, moet een andere kerel wezen dan jij!"

Hij hoorde de beleediging, maar hij zag de zweep. Hij greep een bord,

dat op tafel stond, en smeet dat naar haar hoofd. De vrouw, gewend aan

zulke ruzies, bukte snel, en het bord sloeg stuk tegen den muur. 't

Zelfde lot overkwam een kopje en een glas.

"Lafaard!" riep zij. "Je durft niet naderbij komen!"

En ze sprong naar hem, om hem nog razender te maken. De man werd

nu geheel verblind, en brullend wierp hij zich op haar. Doch zij

overstriemde hem met wonderlijke vlugheid het gelaat met de zweep en

zette het daarna op een loopen.

Ze vluchtte in haar kamer, waarvan ze de deur ijlings op slot

deed. Loeiend van woede en pijn, vervolgde de _alférez_ haar, en kwam

niet verder dan de deur. Daar braakte hij godslasteringen uit.

"Vervloekt varken, doe open! Doe open, h..., of ik sla je de hersens

in!" brulde hij, de deur bewerkend met voeten en vuisten.

Doña Consolación gaf geen antwoord. Men hoorde een gedruisch van

stoelen en koffers, alsof iemand een barrikade van huisraad wilde

oprichten. Het huis daverde van 't getrap en 't gevloek van den

echtgenoot.

"Kom niet binnen, kom niet binnen!" zeide de krijschende stem der

vrouw. "Als je hier komt, schiet ik op je!"

Hij scheen langzamerhand te bedaren, en vergenoegde zich ermee, van

't eene eind van 't vertrek naar 't andere te loopen, als een wild

beest in zijn kooi.

"Ga de straat op, om je kop wat op te frisschen!" ging de vrouw voort

met spotten. Ze scheen ondertusschen haar verdedigingstoebereidselen

voltooid te hebben.

"Ik bezweer je dat, als ik je te pakken krijg, God je zelfs niet

helpen kan, vuil kr...!"

"Jawel! Zeg jij maar wat je wil... je woû me niet naar de mis laten

gaan! Je liet me niet afrekenen met onzen lieven Heer!" zeide ze met

een sarkasme, waarvan zij alleen 't geheim bezat.

De _alférez_ greep zijn helm, verschikte zijn kleeren eenigzins en

ging met groote stappen heen, maar na enkele oogenblikken keerde

hij terug zonder 't minste gedruisch te maken: hij had zijn laarzen

uitgetrokken. De bedienden, gewend aan zulke tooneelen, plachten

zich erbij te vervelen, doch de nieuwigheid met de laarzen trok hun

aandacht, en de een gaf den ander beteekenisvolle oogknipjes.

De _alférez_ ging op een stoel zitten, naast de onheilvolle deur,

en had het geduld om meer dan een half uur te wachten.

"Ben je werkelijk weggegaan, of zit je daar, lamstraal?" vroeg de

stem van tijd tot tijd, met wisselend epitheton, maar stijgend in toon.

Eindelijk begon ze stuk voor stuk de meubels weg te halen. Hij hoorde

het gedruisch en lachte.

"Oppasser! Is meneer weggegaan?" schreeuwde Doña Consolación.

Op een teeken van den _alférez_, antwoordde de oppasser:

"Ja, mevrouw, hij is weggegaan."

Men hoorde haar vroolijk lachen, en de grendel werd weggetrokken.

De echtgenoot stond zachtjes op. De deur ging op een kier... Een kreet,

de val van een lichaam, vloeken, gehuil, verwenschingen, slagen,

heesche uitroepen... Wie beschrijft wat er voorviel in de duisternis

der slaapkamer?

De oppasser liep naar de keuken, en gaf een zeer welsprekend teeken

aan den kok.

"En jij krijgt het op je kop!" zei deze.

"Ik? Dat is ook wat moois! Zij vroeg me of hij weggegaan was, niet,

of hij teruggekomen was."

Noli me tangere: Filippijnsche roman · 第 41 / 70 题