De processie.
's Avonds, toen al de lantarens der vensters reeds aangestoken waren,
trok de processie voor de vierde maal uit, bij 't luiden der klokken
en het welbekende geknal en geschiet.
De gouverneur, die te voet uit was gegaan, vergezeld van zijn beide
adjudanten, Capitán Tiago, den _alcalde_, den _alférez_ en Ibarra, en
voorafgegaan door _guardias civiles_ en overheidspersonen die den weg
open hielden, werd uitgenoodigd om de processie te zien voorbijgaan
ten huize van den burgemeester. Deze had een plankier voor zijn
huis laten aanbrengen, om daar een _loa_ (loflied) ter eere van den
schutsheilige te laten voordragen.
Ibarra zou met genoegen ervan afgezien hebben, dit dichtgewrocht
te hooren, en liever de processie hebben zien voorbijgaan in 't
huis van Capitán Tiago, waar Maria Clara met haar vriendinnen zou
gebleven zijn, doch Zijne Excellentie wenschte de _loa_ te hooren,
en er zat dus voor hem niets anders op, dan zich te troosten met de
hoop, haar in de komedie te zien.
De processie begon met de zilveren kerkkandelabers, gedragen door drie
gehandschoende kosters. Daarna volgden de schoolkinderen, vergezeld
door hun meester; dan de jongens met de papieren lantarens van allerlei
vorm en kleur aan een naar eigen smaak versierde bamboe vastgemaakt:
deze illuminatie toch werd door de jeugd in iedere wijk zelf bekostigd.
In 't midden liepen politie-mannen heen en weer, om de orde te
handhaven, waarvoor ze zich van hun rotan-stokken bedienden.
Tegelijkertijd dat deze mannen gratis klappen uitdeelden, gaven
anderen, als troost aan de slachtoffers, kaarsen van verschillende
afmetingen, eveneens gratis.
"Meneer de alcalde", zeide Ibarra zacht, "worden die klappen uitgedeeld
als straf voor gedaan kwaad, of alleen voor plezier?"
"U heeft eigenlijk gelijk, meneer Ibarra!" antwoordde de gouverneur,
die de vraag gehoord had. "Dat...barbaarsche gedoe verbaast iedereen
die uit andere landen komt. 't Moest verboden worden."
Zonder dat men kon verklaren waarom, was de eerste heilige die
verscheen Johannes de Dooper. Men zou zeggen, dat hij niet erg in
aanzien was: zijn beenen en voeten waren als van een jongmeisje,
zijn gelaat dat van een kluizenaar, maar hij werd gedragen op een
oude houten baar, en een troepje jongens, met onaangestoken papieren
lantarens, die heimelijk elkaar stompen gaven, verduisterden zijn
glorie.
De heilige Franciskus, die volgde, werd op een prachtige kar vervoerd,
die omringd was van lichtjes en glazen lantarens. Een muziekkorps
vergezelde het schitterende voertuig.
Hierna kwam een vaandel, waarop dezelfde heilige was afgebeeld,
maar met zeven vleugels. Het werd gedragen door de Hermanos Ferceros
of "Derde broeders," die in grauwe pijen gekleed waren en luide
en klagend gebeden opdreunden. Op eveneens onverklaarbare wijze
volgde Maria Magdalena, een zeer fraai beeld met overvloedig haar,
een doorschijnend fijne geborduurde zakdoek tusschen de met ringen
bedekte vingers, en in een zijden met gouden plaatjes versierd
kleed. Lampen en wierookvaten omzwierden haar. Men zag haar glazen
tranen de kleuren van 't bengaalsch licht weerkaatsen, dat aan de
processie een fantastisch aanzien gaf, zoodat de heilige zondares nu
eens groen, dan rood, en andermaal blauw schreide. De huizen begonnen
dit licht eerst af te steken toen de heilige Franciskus voorbijkwam;
Johannes de Dooper genoot deze eer niet, en ging haastig voorbij,
verlegen dat hij de eenige was die in dierenhuiden gekleed ging,
onder zooveel met goud en edelgesteenten bedekte menschen.
"Daar komt onze heilige!" zeide de dochter van den burgemeester tot
haar bezoeksters: "ik heb haar mijn ringen geleend, maar 't is om
den hemel te verdienen."
De lichtdragers hielden stil rondom het plankier, om naar de _loa_
te luisteren, de heiligen deden 't zelfde. Zij, die Johannes den
Dooper droegen, werden moe van 't wachten, zetten zich op hun hurken,
en vonden 't goed hem op den grond te zetten.
"De politie zal aanmerking maken," zei er een.
"En in de sakristie dan? Daar laten ze 'm in een hoek tusschen de
spinnewebben!..."
En Sint Jan, eenmaal op den grond, werd nu geheel een man van 't volk.
Na de Magdalena kwamen de vrouwen: alleen was hier de volgorde anders
dan bij de mannen, want in plaats van met de jongen te beginnen kwamen
hier eerst de oudjes terwijl de jonge meisjes de stoet afsloten tot
de kar der Heilige Maagd, waarachter de pastoor onder zijn troonhemel
liep. Deze gewoonte was overgenomen van Padre Dámaso, die zeide: De
Heilige Maagd houdt van de jonge meisjes, niet van de oudjes. Iets
dat veel vrome besjes lang niet prettig stemde, maar 't was nu eenmaal
de smaak van Onze Lieve Vrouw.
Sint Jakob (San Diego) volgde op Magdalena, ofschoon hij zich
daarover niet scheen te verheugen, want hij bleef boetvaardig kijken
evenals in den ochtend, toen hij achter Sint Franciskus aankwam. Zes
"Derde-zusters" trokken zijn kar vooruit, om de een of andere gelofte
of ziekte: een feit is 't dat ze trokken, en met allen ijver. Sint
Jakob hield stil voor 't plankier, en wachtte tot men hem groette.
Doch er moest gewacht worden op de kar van de Heilige Maagd,
voorafgegaan door als spoken gekleede menschen. De kinderen waren
er bang voor, en daarom hoorde men een voortdurend geschrei en
gegil. Evenwel zag men te midden van die donkere massa plechtgewaden,
monniks- en nonnekappen en hoorde, bij 't eentonig neusgeluid der
gebeden, als witte jasmijnen, als frissche _tjampaka's_ tusschen oude
vodden, twaalf meisjes met witte pakjes en bloemkransen op 't hoofd,
met krullend haar en stralenden blik. 't Leken kleine lichtgeniën
in gevangenschap van spoken. Ze hielden allen twee breede blauwe
linten vast, die verbonden waren aan de kar van de Heilige Maagd,
en deden denken aan de duiven die de kar der Lente voorttrekken.
Na lang wachten verscheen uit een gordijn een aardig kereltje met
vleugels, rijlaarzen, een sjerp, een ceintuur en een hoed met pluimen.
De verzen die 't ventje voordroeg waren in 't Latijn, Tagaalsch en
Spaansch, en oogstten veel bijval, al verstond men er weinig van.
Daarna zette de stoet zich weer in beweging: Sint Jan vervolgde
zijn lijdensweg.
Toen 't beeld der Maagd voorbij Capitán Tiago's huis kwam, begroette
een hemels gezang het met de woorden van den aartsengel. 't Was een
teedere melodieuze smeekende stem, die 't "Ave Maria" van Gounod
uitschreide, zich zelf begeleidend op de piano. De processiemuziek
zweeg, het bid-gedreun verstomde, en zelfs Padre Salvi stond stil. De
stem deed innig aan en ontrukte tranen: ze drukte meer uit dan een
groet, 't was een bede en een klacht tegelijk.
Ibarra hoorde de stem aan 't venster waar hij zat, en ontzetting en
weemoed daalden in zijn hart. Hij begreep wat die ziel leed en in een
lied uitdrukte, en hij vreesde zichzelf naar de oorzaak van dat leed
te vragen.
Somber en in gedachten verdiept vond hem de gouverneur: "u moet aan
tafel bij me zitten," zeide hij tot hem, "daar zullen we 's spreken
over die kinderen, die verdwenen zijn."
"Zou ik de oorzaak wezen?" zeide de jonge man bij zich zelf en volgde
met een leege blik werktuigelijk Zijne Excellentie.