't Hijsch-toestel.
Het gele mannetje had zijn woord gestand gedaan: het was niet een
eenvoudig hijsch-toestel wat hij boven den open kuil had opgericht,
om 't ontzaggelijke gevaarte van graniet neer te laten; 't was niet
de drievoet, die Ñor Juan verlangd had, om er bovenaan een katrol
aan op te hangen. 't Was iets meer, 't was behalve een massief,
ook een mooi stuk werk, een grootsch en indrukwekkend stuk werk.
Ongeveer acht meter hoog verhief zich het verwarde zeer samengestelde
getimmerte: vier dikke in den grond begraven planken dienden
als onderstel. Onderling waren deze verbonden door ontzaggelijke
diagonaalsgewijze gekruiste balken, aan elkaar vastgemaakt met
groote spijkers, die men, met het oog op het tijdelijk karakter van
't getimmerte, slechts halverwege ingeslagen had. Geweldige kabels,
aan alle kanten neerhangend, gaven aan 't geheel een aanzien van
stevigheid en grootschheid. Bontkleurige vlaggen, wapperende wimpels
en kunstig ineen gevlochten bloem- en bladslingers van reusachtige
afmetingen vormden de bekroning.
Daar boven, in de schaduw der balken, guirlandes en vlaggen, hing
bevestigd door touwen en ijzeren haken een reusachtig katrol over
welks glanzende zijkant drie kabels liepen, die nog geweldiger waren
dan de andere. Daaraan hing de ontzaggelijke gehouwen steen, in
't midden van een uitholling voorzien, zoodat de uitholling in den
steen in den kuil er volkomen op moest passen. In deze kleine holte
zouden de dokumenten, dagbladen en penningen komen te liggen, die de
geschiedenis van de stichting voor 't nageslacht moesten bewaren. De
drie kabels liepen van boven naar beneden, door een niet minder groot
katrol aan den voet van het toestel bevestigd, en waren geslingerd om
den cylinder van een draaispil, die door middel van dikke planken op
den grond gehouden werd. Deze draaispil kon door twee handvatten in
beweging gebracht worden. Door een stel tandraderen verhonderdvoudigde
deze draaispil de kracht van een man.
"Kijk", zeide 't gele mannetje, terwijl hij een handvat liet draaien,
"kijk, _Ñor Juan_, hoe ik heel alleen die ontzaggelijke steenmassa op-
en neerhaal... 't Ding zit zoo mooi in elkaar, dat ik naar willekeur,
duim voor duim, 't op- en neergaan kan regelen. Zoo kan dus een man
heel op zijn gemak beneden in den kuil de steenen op elkaar passen,
terwijl ik hier boven sta te draaien."
_Ñor Juan_ kon niet nalaten, den man te bewonderen, die op zoo'n
bijzondere manier glimlachte. De toeschouwers maakten hem op- en
aanmerkingen, en prezen den gelen man.
"Van wien heeft u de behandeling van machines geleerd?" vroeg Ñor
Juan hem.
"Van mijn vader, mijn overleden vader!" antwoordde hij met zijn
eigenaardig lachje.
"En uw vader?..."
"Van Don Saturnino, den grootvader van Don Crisóstomo."
"Ik wist niet dat Don Saturnino..."
"O, die wist een heele boel! Hij ranselde niet alleen goed, en
zette niet alleen zijn werkvolk voor straf in de zon, hij kon ook de
slapenden wakker maken en die wakker waren laten slapen. U zal wel
's zien wat mijn vader me geleerd heeft, u zult 't wel 's zien!"
En 't gele mannetje lachte weer met zijn zonderlingen glimlach.
Op een tafel, die gedekt was met een perzisch kleed, lagen de looden
cylinder en de voorwerpen, die men in de holte der grondsteenen zou
neerleggen: een glazen kistje met dikke wanden zou ze bevatten.
In de feesttenten, waar den vorigen dag de onderwijzer en zijn
leerlingen zoo druk bezig waren geweest, werd nu het weelderige en
overvloedige feestmaal aangericht.
Doch op de tafel voor de schooljeugd bestemd, stond geen enkele flesch
wijn; de hoeveelheid fruit was er des te grooter. In 't priëel stonden
de stoelen voor de muzikanten en een tafel vol gebakjes, suikergoed,
konfituren en met bladeren en bloemen bekranste karaffen water voor
't dorstige publiek.
De schoolmeester had klimmasten opgericht en slagboomen aangebracht,
en had koekepannen en kookpotten opgehangen voor vroolijke volksspelen.
Do menigte, pronkende in levendig bonte kleederdrachten, verzamelde
zich in de schaduw der boomen of onder het loverdak, dat men opgericht
had. De staatjongens klommen in de boomen of op hooge steenen, om
de plechtigheid beter te kunnen zien. Met afgunst keken ze naar de
schoolkinderen, die goed gewasschen en netjes gekleed allen op de
voor hen bestemde plaatsen zaten. De ouders dezer laatsten waren in
de wolken: zij, arme menschen van buiten, zouden nu hun kinderen
zien eten aan een wit tafellaken, bijna net als de pastoor en de
_alcalde_. De gedachte alleen was genoeg, om geen honger te hebben,
en zoo'n gebeurtenis zou steeds, van vader op zoon, in de herinnering
gehouden worden.
Weldra hoorde men de verre tonen der muziek. Vooraf kwam een bonte
wemeling van menschen, van alle leeftijden en gedost in kleederen van
allerlei kleuren. Het gele mannetje werd ongerust en keek met een blik
nog eens zijn heele toestel na. Een landman onder de toeschouwers
volgde dien blik en sloeg al zijn bewegingen gade. 't Was Elias
die ook de plechtigheid was komen bijwonen: door zijn _salakot_
en zijn overige kleedij was hij schier onherkenbaar. Hij had zich
't beste plaatsje weten te verschaffen bijna vlak naast de draaispil,
aan de rand van de uitgraving.
Tegelijk met de muziek kwamen de _alcalde_, de leden van 't
gemeentebestuur, de monniken behalve Padre Dámaso, en de Spaansche
beambten. Ibarra was in gesprek met eerstgenoemde, met wien hij
zeer bevriend was, sinds dat hij hem een paar fijne complimenten had
gemaakt over zijn decoraties en zijn riddersjerpen. Dit was nu eenmaal
't zwakke punt bij Zijne Exellentie.
Capitán Tiago, de _alférez_ en nog eenige andere notabelen liepen
omstuwd door den stoet jonge meisjes, die allen hun mooie zijden
zonneschermen droegen. Padre Salvi volgde, stil en somber als altijd.
"U kan altijd op mij staat maken wanneer 't een goed werk betreft,"
zei de _alcalde_ tot Ibarra. "U heeft mijn steun, en ik zal u alles
verschaffen wat u maar noodig heeft, of anders zal ik maken, dat
anderen het u verschaffen."
Naarmate men naderbij kwam, voelde de jongeman zijn hart
popelen. Instinktmatig richtte hij een blik naar 't vreemdsoortig
getimmerte, dat daar opgericht was. Hij zag dat het gele mannetje
hem eerbiedig groette, en een oogenblik strak naar hem keek. Met
verwondering bespeurde hij Elias. Deze bracht hem met een beteekenisvol
knipoogje in herinnering wat hij hem in de kerk gezegd had.
De pastoor deed zijn priestergewaad aan en opende de plechtigheid. De
eenoogige hoofdkoster hield het boek in zijn handen, en een koorknaap
de kwast en 't wijwater vast. De omstanders, met ontbloot hoofd om
hen heen staande, bewaarden zulk een diep stilzwijgen, dat, ofschoon
hij met zachte stem las, men duidelijk kon hooren dat de stem van
Padre Salvi beefde.
Onderwijl had men in 't kristallen kistje alles neergelegd wat erin
moest--handschriften, kranten, gedenkpenningen enz.--en 't geheel
binnen in den looden koker gedaan, die daarna hermetisch werd
toegesoldeerd.
"Meneer Ibarra, wilt u 't kistje op zijn plaats neerzetten? De pastoor
wacht op u!" zeide de _alcalde_ 't jongemensch zacht in 't oor.
"Ik zou 't gaarne doen", gaf hij even zacht terug, "maar ik vrees dat
ik deze eervolle plicht wederrechtelijk aan den notaris zou onthouden:
meneer de notaris moet immers officiëel het feit staven!"
De notaris nam het kistje plechtstatig op, liep de bekleede trap
af, die naar den bodem van den kuil leidde en zette het met gepaste
waardigheid in de holte van den steen. Daarop greep de pastoor de
wijwaterkwast en besprenkelde daarmee de steenen.
't Oogenblik was gekomen, dat ieder zijn schep mortelkalk boven op
den grondsteen zou strijken, zoodat de andere er goed vastgemetseld
op zou komen te liggen.
Ibarra bood den _alcalde_ een troffel aan, op welk breed zilveren
blad de dagteekening gegraveerd stond. Doch Zijne Excellentie hield
nog eerst een toespraak in 't Spaansch.
"Burgers van San Diego!" zeide hij op deftigen toon, "wij
hebben de eer voor te gaan bij een plechtigheid, waarvan gij
het hooge belang zult begrijpen, zonder dat wij 't u zeggen. Er
wordt een school gesticht. De school is het boek waarin de
toekomst der volkeren staat geschreven! Wijst ons de school van
een volk, en wij zullen u zeggen, wat voor een volk het is."
En zoo ging hij voort, wijzende op de zegeningen door geestelijkheid en
bestuur op de Filippijnen uitgestort. In naam van den Spaanschen koning
en 't doorluchtig bestuur werd zoo de eerste steenlegging ingehuldigd.
Met een "leve de Koning en leve Spanje, leve de geestelijkheid en
leve de katholieke godsdienst!" werd de toespraak besloten.
"Leve! Leve!" antwoordden veel stemmen. "Leve onze _Alcalde_!"
Daarna daalde deze statig in den kuil, bij 't inzetten der muziek. Hij
legde eenige scheppen mortel op den steen, en herrees met dezelfde
statigheid naar den beganen grond.
De beambten klapten in de handen.
Ibarra bood wederom een zilveren troffel, ditmaal aan den pastoor, die
na hem even te hebben aangekeken, langzaam naar beneden ging. Midden
op de trap gekomen, sloeg hij de oogen op om naar den steen te kijken,
die aan de geweldige kabels hing, doch het was slechts een seconde,
onmiddellijk daalde hij verder neder. Hij deed evenals de _alcalde_,
doch ditmaal hoorde men meer toejuichingen: bij de beambten hadden
zich eenige monniken en Capitán Tiago gevoegd.
't Scheen dat Padre Salvi iemand zocht, aan wien hij den troffel zou
overgeven. Hij keek weifelend naar Maria Clara, doch, zich bedenkend,
bood hij de troffel aan den notaris. Deze trad hoffelijk op Maria Clara
toe, maar deze weigerde met een lachje. De monniken, de beambten en
de _alférez_ gingen allen een voor een, den kuil in. Capitán Tiago
werd niet vergeten.
Bleef nog Ibarra, en reeds zou 't bevel aan den gelen man gegeven
worden om den hangenden steen te laten zakken, toen de pastoor aan den
jongeman dacht, en op schertsenden toon, met gedwongen gemeenzaamheid,
zeide:
"Zult u ook niet een schepje leggen, meneer Ibarra?"
"Dat zou wat moois wezen! Ik maak de podding: zou ik ze dan ook
eten?" antwoordde de toegesprokene op denzelfden toon.
"Kom, kom!" zei de _alcalde_ en gaf hem een zacht duwtje. "Als u 't
niet doet, geef ik order dat de steen in 't geheel niet neergelaten
wordt, en dan blijven we hier tot het Laatste gericht!"
Op zulk een dreigement moest Ibarra wel zwichten. Hij verwisselde
den kleinen zilveren troffel voor een groote van ijzer, wat enkelen
deed glimlachen, en trad bedaard naar voren. Elias keek hem met een
onbeschrijflijke uitdrukking aan: men zou gezegd hebben dat zijn
heele ziel in zijn oogen was gegaan. De gele man keek naar de gapende
opening aan zijn voeten.
Na een snellen blik op den steen boven zijn hoofd, en toen naar
Elias en den gelen man, zeide Ibarra met iet of wat beverige stem
tot Ñor Juan:
"Geef me even den emmer, en haal een anderen troffel boven!"
De jongeman bleef alleen. Elias keek niet naar hem. Zijn oogen waren
strak gevestigd op de hand van den gelen man die, over den kuil
gebogen, Ibarra's bewegingen angstvallig volgde.
Men hoorde het geluid van den schepper, waarmee de massa zand en
kalk werd omgeroerd, door 't zachte geruisch der gelukwenschen heen,
die de beambten voor zijn rede tot den _alcalde_ richtten.
Plotseling klinkt een vreeselijk gekraak: de katrol die onder aan
't toestel vastzat, springt los, en daarmee de draaispil, die als
een stormram tegen 't getimmerte aan beukt. De balken wankelen, de
bindsels vliegen los, en alles stort in een seconde en met schrikkelijk
gedruisch in elkaar. Een stofwolk stijgt op. Een kreet van ontzetting
uit duizenden kelen vervult de lucht. Bijna al de omstanders vluchten
in alle richtingen, slechts enkelen ijlen naar den kuil. Alleen Maria
Clara en Padre Salvi blijven roerloos, bleek, sprakeloos op hun plaats.
Toen de stofwolk eeniger mate was weggetrokken, zag men Ibarra staan,
te midden van balken, bamboe staken, kabels, tusschen de draaispil
en 't steengevaarte dat in zijn val alles had neergestoten en
verpletterd! De jongeman had de troffel nog in zijn hand en keek met
een ontzettenden blik naar 't lijk van een man, dat aan zijn voeten
lag, half begraven onder de balken.
"Bent u niet dood?--Leeft u nog?--Om Gods wil, spreek toch!" zeiden
eenige beambten vol ontzetting en deelname.
"Een wonder! Een wonder!" riepen er eenigen.
"Laten er menschen hier komen om 't lijk van den stakkerd weg te
halen!" zei Ibarra als uit een droom ontwakend.
Zijn stem hoorende, voelde Maria Clara dat de krachten haar begaven,
en viel zij halfbezwijmd in de armen harer vriendinnen.
Er heerschte een groote verwarring: iedereen sprak, gestikuleerde,
liep van den eenen kant naar den andere, daalde af in den kuil of
ging eruit, iedereen was verbijsterd en van streek.
"Wie is er dood? Of leeft hij nog?" vroeg de _alférez_.
Men herkende in 't lijk den gelen man, die naast de draaispil
gestaan had.
"Er moet een aanklacht ingediend worden tegen den baas van 't
werk!" was 't eerste dat de _alcalde_ kon uitbrengen.
Men onderzocht het lijk, legde de hand op zijn borst, maar 't hart
klopte niet meer. De slag had hem aan 't hoofd getroffen, en 't
bloed kwam hem uit neus, mond en ooren. Aan den hals waren een paar
vreemdsoortige sporen te zien: vier diepe indeukingen aan een kant en
een aan den tegenovergestelde, ofschoon iets grooter; ze zoo ziende,
zou men zeggen dat een stalen hand hem als een tang had vastgegrepen.
De geestelijken wenschten den jongeman hartelijk geluk en drukten
hem de hand. De Franciskaner met het nederige voorkomen, die Padre
Dámaso als voorzegger had gediend, zeide met huilerige oogen:
"God is rechtvaardig, God is goed!"
"Als ik er toch aan denk, dat ik eenige oogenblikken te voren daar
gestaan heb!" zeide een der beambten tot Ibarra, "verbeeldt u dat ik
de laatste geweest was! Jezus!"
"De haren rijzen me te berge!" zeide er een, die half kaal was.
"'t Is maar goed dat _u_ zoo iets overkomen is, en niet mij", mompelde
een oud kereltje, dat nog beefde.
"Don Pascual!" riepen eenige Spanjaarden.
"Wel, heeren, ik zeg dat omdat meneer toch niet doodgegaan is: als _ik_
niet verpletterd was geworden, zou ik toch stellig daarna doodgegaan
zijn, alleen door er aan te denken."
Doch Ibarra was al weg, om zich op de hoogte te stellen van Maria
Clara's toestand.
"Laat dit toch geen beletsel zijn om het feest voort te zetten,
meneer Ibarra!" zeide de _alcalde_.
"God zij geloofd! De doode is geen geestelijke en geen Spanjaard. We
moeten uw behoud vieren. Och, och, als u toch 's die steen op u
gekregen had!"
"Ik had er een voorgevoel van! Een voorgevoel!" riep de notaris
uit. "Ik heb 't wel gezegd: meneer Ibarra ging tegen zijn zin naar
beneden. Ik heb 't wel gezien!"
"De doode is maar een inlander!"
"Laat 't feest doorgaan! Kom, muziek! We krijgen den doode niet weer
levend met treuren. _Capitán_, hier moeten de noodige maatregelen
genomen worden... Laat de baas hier komen!... De baas van 't werk
moet in hechtenis genomen worden!"
"Ja, in 't blok!"
"In 't blok! Hei, muziek, muziek! De baas in 't blok zetten!"
"Meneer de _alcalde_," zeide Ibarra op ernstigen toon:
"Als we door treuren de doode niet weer kunnen opwekken, krijgen
we dat zeker nog minder gedaan door iemand gevangen te laten nemen,
van wien we in 't geheel niet weten, of hij schuldig is. Ik sta borg
voor zijn persoon, en verzoek hem in vrijheid te laten, voor de eerste
dagen ten minste."
"Goed! Goed! Maar laat 't hem niet weer gebeuren!"
Er deden allerlei praatjes de ronde. Dat er een wonder gebeurd was,
stond reeds vast. Fray Salvi scheen niettemin maar weinig ingenomen
met het wonder, dat men aan een heilige van zijn corporatie en van
zijn parochie toeschreef.
Natuurlijk was er ook iemand, die wist te vertellen dat hij duidelijk,
op 't oogenblik dat alles in elkaar stortte een gestalte in den kuil
had zien afdalen, die gekleed was in een donker kleed als dat der
Franciskanen. Er was geen twijfel aan: dat moest de heilige Diego
zelf geweest zijn. Men vernam ook dat Ibarra de mis bijgewoond had,
en de gele man niet: 't was dus klaar als de dag.
"Zie je? Jij woû niet naar de mis," zeide een moeder tot haar zoon,
"als ik je niet een pak gegeven had om je te dwingen, dan ging je nu
ook naar 't raadhuis, in een kar, net als die daar!"
Inderdaad werd de gele man, of liever zijn lijk, in een mat gewikkeld,
naar 't raadhuis vervoerd.
Ibarra ijlde naar zijn huis, om zich te gaan verkleeden.
"Een leelijk begin, hm!" zei de oude Tasio en verwijderde zich.