XXXI.

't Hijsch-toestel.

Het gele mannetje had zijn woord gestand gedaan: het was niet een

eenvoudig hijsch-toestel wat hij boven den open kuil had opgericht,

om 't ontzaggelijke gevaarte van graniet neer te laten; 't was niet

de drievoet, die Ñor Juan verlangd had, om er bovenaan een katrol

aan op te hangen. 't Was iets meer, 't was behalve een massief,

ook een mooi stuk werk, een grootsch en indrukwekkend stuk werk.

Ongeveer acht meter hoog verhief zich het verwarde zeer samengestelde

getimmerte: vier dikke in den grond begraven planken dienden

als onderstel. Onderling waren deze verbonden door ontzaggelijke

diagonaalsgewijze gekruiste balken, aan elkaar vastgemaakt met

groote spijkers, die men, met het oog op het tijdelijk karakter van

't getimmerte, slechts halverwege ingeslagen had. Geweldige kabels,

aan alle kanten neerhangend, gaven aan 't geheel een aanzien van

stevigheid en grootschheid. Bontkleurige vlaggen, wapperende wimpels

en kunstig ineen gevlochten bloem- en bladslingers van reusachtige

afmetingen vormden de bekroning.

Daar boven, in de schaduw der balken, guirlandes en vlaggen, hing

bevestigd door touwen en ijzeren haken een reusachtig katrol over

welks glanzende zijkant drie kabels liepen, die nog geweldiger waren

dan de andere. Daaraan hing de ontzaggelijke gehouwen steen, in

't midden van een uitholling voorzien, zoodat de uitholling in den

steen in den kuil er volkomen op moest passen. In deze kleine holte

zouden de dokumenten, dagbladen en penningen komen te liggen, die de

geschiedenis van de stichting voor 't nageslacht moesten bewaren. De

drie kabels liepen van boven naar beneden, door een niet minder groot

katrol aan den voet van het toestel bevestigd, en waren geslingerd om

den cylinder van een draaispil, die door middel van dikke planken op

den grond gehouden werd. Deze draaispil kon door twee handvatten in

beweging gebracht worden. Door een stel tandraderen verhonderdvoudigde

deze draaispil de kracht van een man.

"Kijk", zeide 't gele mannetje, terwijl hij een handvat liet draaien,

"kijk, _Ñor Juan_, hoe ik heel alleen die ontzaggelijke steenmassa op-

en neerhaal... 't Ding zit zoo mooi in elkaar, dat ik naar willekeur,

duim voor duim, 't op- en neergaan kan regelen. Zoo kan dus een man

heel op zijn gemak beneden in den kuil de steenen op elkaar passen,

terwijl ik hier boven sta te draaien."

_Ñor Juan_ kon niet nalaten, den man te bewonderen, die op zoo'n

bijzondere manier glimlachte. De toeschouwers maakten hem op- en

aanmerkingen, en prezen den gelen man.

"Van wien heeft u de behandeling van machines geleerd?" vroeg Ñor

Juan hem.

"Van mijn vader, mijn overleden vader!" antwoordde hij met zijn

eigenaardig lachje.

"En uw vader?..."

"Van Don Saturnino, den grootvader van Don Crisóstomo."

"Ik wist niet dat Don Saturnino..."

"O, die wist een heele boel! Hij ranselde niet alleen goed, en

zette niet alleen zijn werkvolk voor straf in de zon, hij kon ook de

slapenden wakker maken en die wakker waren laten slapen. U zal wel

's zien wat mijn vader me geleerd heeft, u zult 't wel 's zien!"

En 't gele mannetje lachte weer met zijn zonderlingen glimlach.

Op een tafel, die gedekt was met een perzisch kleed, lagen de looden

cylinder en de voorwerpen, die men in de holte der grondsteenen zou

neerleggen: een glazen kistje met dikke wanden zou ze bevatten.

In de feesttenten, waar den vorigen dag de onderwijzer en zijn

leerlingen zoo druk bezig waren geweest, werd nu het weelderige en

overvloedige feestmaal aangericht.

Doch op de tafel voor de schooljeugd bestemd, stond geen enkele flesch

wijn; de hoeveelheid fruit was er des te grooter. In 't priëel stonden

de stoelen voor de muzikanten en een tafel vol gebakjes, suikergoed,

konfituren en met bladeren en bloemen bekranste karaffen water voor

't dorstige publiek.

De schoolmeester had klimmasten opgericht en slagboomen aangebracht,

en had koekepannen en kookpotten opgehangen voor vroolijke volksspelen.

Do menigte, pronkende in levendig bonte kleederdrachten, verzamelde

zich in de schaduw der boomen of onder het loverdak, dat men opgericht

had. De staatjongens klommen in de boomen of op hooge steenen, om

de plechtigheid beter te kunnen zien. Met afgunst keken ze naar de

schoolkinderen, die goed gewasschen en netjes gekleed allen op de

voor hen bestemde plaatsen zaten. De ouders dezer laatsten waren in

de wolken: zij, arme menschen van buiten, zouden nu hun kinderen

zien eten aan een wit tafellaken, bijna net als de pastoor en de

_alcalde_. De gedachte alleen was genoeg, om geen honger te hebben,

en zoo'n gebeurtenis zou steeds, van vader op zoon, in de herinnering

gehouden worden.

Weldra hoorde men de verre tonen der muziek. Vooraf kwam een bonte

wemeling van menschen, van alle leeftijden en gedost in kleederen van

allerlei kleuren. Het gele mannetje werd ongerust en keek met een blik

nog eens zijn heele toestel na. Een landman onder de toeschouwers

volgde dien blik en sloeg al zijn bewegingen gade. 't Was Elias

die ook de plechtigheid was komen bijwonen: door zijn _salakot_

en zijn overige kleedij was hij schier onherkenbaar. Hij had zich

't beste plaatsje weten te verschaffen bijna vlak naast de draaispil,

aan de rand van de uitgraving.

Tegelijk met de muziek kwamen de _alcalde_, de leden van 't

gemeentebestuur, de monniken behalve Padre Dámaso, en de Spaansche

beambten. Ibarra was in gesprek met eerstgenoemde, met wien hij

zeer bevriend was, sinds dat hij hem een paar fijne complimenten had

gemaakt over zijn decoraties en zijn riddersjerpen. Dit was nu eenmaal

't zwakke punt bij Zijne Exellentie.

Capitán Tiago, de _alférez_ en nog eenige andere notabelen liepen

omstuwd door den stoet jonge meisjes, die allen hun mooie zijden

zonneschermen droegen. Padre Salvi volgde, stil en somber als altijd.

"U kan altijd op mij staat maken wanneer 't een goed werk betreft,"

zei de _alcalde_ tot Ibarra. "U heeft mijn steun, en ik zal u alles

verschaffen wat u maar noodig heeft, of anders zal ik maken, dat

anderen het u verschaffen."

Naarmate men naderbij kwam, voelde de jongeman zijn hart

popelen. Instinktmatig richtte hij een blik naar 't vreemdsoortig

getimmerte, dat daar opgericht was. Hij zag dat het gele mannetje

hem eerbiedig groette, en een oogenblik strak naar hem keek. Met

verwondering bespeurde hij Elias. Deze bracht hem met een beteekenisvol

knipoogje in herinnering wat hij hem in de kerk gezegd had.

De pastoor deed zijn priestergewaad aan en opende de plechtigheid. De

eenoogige hoofdkoster hield het boek in zijn handen, en een koorknaap

de kwast en 't wijwater vast. De omstanders, met ontbloot hoofd om

hen heen staande, bewaarden zulk een diep stilzwijgen, dat, ofschoon

hij met zachte stem las, men duidelijk kon hooren dat de stem van

Padre Salvi beefde.

Onderwijl had men in 't kristallen kistje alles neergelegd wat erin

moest--handschriften, kranten, gedenkpenningen enz.--en 't geheel

binnen in den looden koker gedaan, die daarna hermetisch werd

toegesoldeerd.

"Meneer Ibarra, wilt u 't kistje op zijn plaats neerzetten? De pastoor

wacht op u!" zeide de _alcalde_ 't jongemensch zacht in 't oor.

"Ik zou 't gaarne doen", gaf hij even zacht terug, "maar ik vrees dat

ik deze eervolle plicht wederrechtelijk aan den notaris zou onthouden:

meneer de notaris moet immers officiëel het feit staven!"

De notaris nam het kistje plechtstatig op, liep de bekleede trap

af, die naar den bodem van den kuil leidde en zette het met gepaste

waardigheid in de holte van den steen. Daarop greep de pastoor de

wijwaterkwast en besprenkelde daarmee de steenen.

't Oogenblik was gekomen, dat ieder zijn schep mortelkalk boven op

den grondsteen zou strijken, zoodat de andere er goed vastgemetseld

op zou komen te liggen.

Ibarra bood den _alcalde_ een troffel aan, op welk breed zilveren

blad de dagteekening gegraveerd stond. Doch Zijne Excellentie hield

nog eerst een toespraak in 't Spaansch.

"Burgers van San Diego!" zeide hij op deftigen toon, "wij

hebben de eer voor te gaan bij een plechtigheid, waarvan gij

het hooge belang zult begrijpen, zonder dat wij 't u zeggen. Er

wordt een school gesticht. De school is het boek waarin de

toekomst der volkeren staat geschreven! Wijst ons de school van

een volk, en wij zullen u zeggen, wat voor een volk het is."

En zoo ging hij voort, wijzende op de zegeningen door geestelijkheid en

bestuur op de Filippijnen uitgestort. In naam van den Spaanschen koning

en 't doorluchtig bestuur werd zoo de eerste steenlegging ingehuldigd.

Met een "leve de Koning en leve Spanje, leve de geestelijkheid en

leve de katholieke godsdienst!" werd de toespraak besloten.

"Leve! Leve!" antwoordden veel stemmen. "Leve onze _Alcalde_!"

Daarna daalde deze statig in den kuil, bij 't inzetten der muziek. Hij

legde eenige scheppen mortel op den steen, en herrees met dezelfde

statigheid naar den beganen grond.

De beambten klapten in de handen.

Ibarra bood wederom een zilveren troffel, ditmaal aan den pastoor, die

na hem even te hebben aangekeken, langzaam naar beneden ging. Midden

op de trap gekomen, sloeg hij de oogen op om naar den steen te kijken,

die aan de geweldige kabels hing, doch het was slechts een seconde,

onmiddellijk daalde hij verder neder. Hij deed evenals de _alcalde_,

doch ditmaal hoorde men meer toejuichingen: bij de beambten hadden

zich eenige monniken en Capitán Tiago gevoegd.

't Scheen dat Padre Salvi iemand zocht, aan wien hij den troffel zou

overgeven. Hij keek weifelend naar Maria Clara, doch, zich bedenkend,

bood hij de troffel aan den notaris. Deze trad hoffelijk op Maria Clara

toe, maar deze weigerde met een lachje. De monniken, de beambten en

de _alférez_ gingen allen een voor een, den kuil in. Capitán Tiago

werd niet vergeten.

Bleef nog Ibarra, en reeds zou 't bevel aan den gelen man gegeven

worden om den hangenden steen te laten zakken, toen de pastoor aan den

jongeman dacht, en op schertsenden toon, met gedwongen gemeenzaamheid,

zeide:

"Zult u ook niet een schepje leggen, meneer Ibarra?"

"Dat zou wat moois wezen! Ik maak de podding: zou ik ze dan ook

eten?" antwoordde de toegesprokene op denzelfden toon.

"Kom, kom!" zei de _alcalde_ en gaf hem een zacht duwtje. "Als u 't

niet doet, geef ik order dat de steen in 't geheel niet neergelaten

wordt, en dan blijven we hier tot het Laatste gericht!"

Op zulk een dreigement moest Ibarra wel zwichten. Hij verwisselde

den kleinen zilveren troffel voor een groote van ijzer, wat enkelen

deed glimlachen, en trad bedaard naar voren. Elias keek hem met een

onbeschrijflijke uitdrukking aan: men zou gezegd hebben dat zijn

heele ziel in zijn oogen was gegaan. De gele man keek naar de gapende

opening aan zijn voeten.

Na een snellen blik op den steen boven zijn hoofd, en toen naar

Elias en den gelen man, zeide Ibarra met iet of wat beverige stem

tot Ñor Juan:

"Geef me even den emmer, en haal een anderen troffel boven!"

De jongeman bleef alleen. Elias keek niet naar hem. Zijn oogen waren

strak gevestigd op de hand van den gelen man die, over den kuil

gebogen, Ibarra's bewegingen angstvallig volgde.

Men hoorde het geluid van den schepper, waarmee de massa zand en

kalk werd omgeroerd, door 't zachte geruisch der gelukwenschen heen,

die de beambten voor zijn rede tot den _alcalde_ richtten.

Plotseling klinkt een vreeselijk gekraak: de katrol die onder aan

't toestel vastzat, springt los, en daarmee de draaispil, die als

een stormram tegen 't getimmerte aan beukt. De balken wankelen, de

bindsels vliegen los, en alles stort in een seconde en met schrikkelijk

gedruisch in elkaar. Een stofwolk stijgt op. Een kreet van ontzetting

uit duizenden kelen vervult de lucht. Bijna al de omstanders vluchten

in alle richtingen, slechts enkelen ijlen naar den kuil. Alleen Maria

Clara en Padre Salvi blijven roerloos, bleek, sprakeloos op hun plaats.

Toen de stofwolk eeniger mate was weggetrokken, zag men Ibarra staan,

te midden van balken, bamboe staken, kabels, tusschen de draaispil

en 't steengevaarte dat in zijn val alles had neergestoten en

verpletterd! De jongeman had de troffel nog in zijn hand en keek met

een ontzettenden blik naar 't lijk van een man, dat aan zijn voeten

lag, half begraven onder de balken.

"Bent u niet dood?--Leeft u nog?--Om Gods wil, spreek toch!" zeiden

eenige beambten vol ontzetting en deelname.

"Een wonder! Een wonder!" riepen er eenigen.

"Laten er menschen hier komen om 't lijk van den stakkerd weg te

halen!" zei Ibarra als uit een droom ontwakend.

Zijn stem hoorende, voelde Maria Clara dat de krachten haar begaven,

en viel zij halfbezwijmd in de armen harer vriendinnen.

Er heerschte een groote verwarring: iedereen sprak, gestikuleerde,

liep van den eenen kant naar den andere, daalde af in den kuil of

ging eruit, iedereen was verbijsterd en van streek.

"Wie is er dood? Of leeft hij nog?" vroeg de _alférez_.

Men herkende in 't lijk den gelen man, die naast de draaispil

gestaan had.

"Er moet een aanklacht ingediend worden tegen den baas van 't

werk!" was 't eerste dat de _alcalde_ kon uitbrengen.

Men onderzocht het lijk, legde de hand op zijn borst, maar 't hart

klopte niet meer. De slag had hem aan 't hoofd getroffen, en 't

bloed kwam hem uit neus, mond en ooren. Aan den hals waren een paar

vreemdsoortige sporen te zien: vier diepe indeukingen aan een kant en

een aan den tegenovergestelde, ofschoon iets grooter; ze zoo ziende,

zou men zeggen dat een stalen hand hem als een tang had vastgegrepen.

De geestelijken wenschten den jongeman hartelijk geluk en drukten

hem de hand. De Franciskaner met het nederige voorkomen, die Padre

Dámaso als voorzegger had gediend, zeide met huilerige oogen:

"God is rechtvaardig, God is goed!"

"Als ik er toch aan denk, dat ik eenige oogenblikken te voren daar

gestaan heb!" zeide een der beambten tot Ibarra, "verbeeldt u dat ik

de laatste geweest was! Jezus!"

"De haren rijzen me te berge!" zeide er een, die half kaal was.

"'t Is maar goed dat _u_ zoo iets overkomen is, en niet mij", mompelde

een oud kereltje, dat nog beefde.

"Don Pascual!" riepen eenige Spanjaarden.

"Wel, heeren, ik zeg dat omdat meneer toch niet doodgegaan is: als _ik_

niet verpletterd was geworden, zou ik toch stellig daarna doodgegaan

zijn, alleen door er aan te denken."

Doch Ibarra was al weg, om zich op de hoogte te stellen van Maria

Clara's toestand.

"Laat dit toch geen beletsel zijn om het feest voort te zetten,

meneer Ibarra!" zeide de _alcalde_.

"God zij geloofd! De doode is geen geestelijke en geen Spanjaard. We

moeten uw behoud vieren. Och, och, als u toch 's die steen op u

gekregen had!"

"Ik had er een voorgevoel van! Een voorgevoel!" riep de notaris

uit. "Ik heb 't wel gezegd: meneer Ibarra ging tegen zijn zin naar

beneden. Ik heb 't wel gezien!"

"De doode is maar een inlander!"

"Laat 't feest doorgaan! Kom, muziek! We krijgen den doode niet weer

levend met treuren. _Capitán_, hier moeten de noodige maatregelen

genomen worden... Laat de baas hier komen!... De baas van 't werk

moet in hechtenis genomen worden!"

"Ja, in 't blok!"

"In 't blok! Hei, muziek, muziek! De baas in 't blok zetten!"

"Meneer de _alcalde_," zeide Ibarra op ernstigen toon:

"Als we door treuren de doode niet weer kunnen opwekken, krijgen

we dat zeker nog minder gedaan door iemand gevangen te laten nemen,

van wien we in 't geheel niet weten, of hij schuldig is. Ik sta borg

voor zijn persoon, en verzoek hem in vrijheid te laten, voor de eerste

dagen ten minste."

"Goed! Goed! Maar laat 't hem niet weer gebeuren!"

Er deden allerlei praatjes de ronde. Dat er een wonder gebeurd was,

stond reeds vast. Fray Salvi scheen niettemin maar weinig ingenomen

met het wonder, dat men aan een heilige van zijn corporatie en van

zijn parochie toeschreef.

Natuurlijk was er ook iemand, die wist te vertellen dat hij duidelijk,

op 't oogenblik dat alles in elkaar stortte een gestalte in den kuil

had zien afdalen, die gekleed was in een donker kleed als dat der

Franciskanen. Er was geen twijfel aan: dat moest de heilige Diego

zelf geweest zijn. Men vernam ook dat Ibarra de mis bijgewoond had,

en de gele man niet: 't was dus klaar als de dag.

"Zie je? Jij woû niet naar de mis," zeide een moeder tot haar zoon,

"als ik je niet een pak gegeven had om je te dwingen, dan ging je nu

ook naar 't raadhuis, in een kar, net als die daar!"

Inderdaad werd de gele man, of liever zijn lijk, in een mat gewikkeld,

naar 't raadhuis vervoerd.

Ibarra ijlde naar zijn huis, om zich te gaan verkleeden.

"Een leelijk begin, hm!" zei de oude Tasio en verwijderde zich.

Noli me tangere: Filippijnsche roman · 第 35 / 70 题