De grootmachtigen.
Wie waren de overheids-personen van 't dorp?
Don Rafael was het niet, toen die nog leefde, al was hij er ook de
rijkste, eigenaar van de meeste gronden, en al had ook bijna iedereen
verplichting aan hem. Daar hij bescheiden was en de waarde van al
wat hij deed trachtte te verbloemen, kreeg hij in 't dorp nooit zijn
partij, en we hebben reeds gezien, hoe men tegen hem optrad toen
men hem zag wankelen.--Zou 't dan Capitán Tiago wezen? Wanneer die
er aankwam, werd hij inderdaad door zijn schuldenaars met muziek
ontvangen; ze richtten feestmalen voor hem aan en overlaadden hem
met geschenken. De beste vruchten sierden zijn tafel. Als er gejaagd
werd op hert of wild zwijn kreeg hij een kwart. Vond hij het paard
van een van zijn schuldenaars mooi, dan zag hij 't een half uur later
in zijn stal. Dat is alles waar, maar ze lachten om hem, en noemden
hem achter zijn rug "Koster" Tiago.
Dan misschien het dorps-hoofd?
Dit was een stumper, die niets te bevelen had, maar gehoorzaamde. Hij
beknorde niemand: hij werd beknord. Hij beschikte niet: men
beschikte over hem. Daarentegen was hij verantwoordelijk tegenover
den Alcalde Mayor voor al wat men bevolen, verordend of beschikt had,
alsof alles uit zijn brein was gekomen. Doch, dit te zijner eere,
hij had de waardigheid noch gestolen noch zich aangematigd: ze had
hem vijf duizend peso's gekost en heel wat vernederingen. En naar ze
hem opbracht, vond hij dat erg goedkoop.
Wie dan?
Wel, San Diego was een soort pauselijk Rome. De pastoor was er de
Paus en het Vatikaan; de onderluitenant--_alférez_--van de _guardia
civil_ de Koning van Italië en het Quirinaal. En hier zoowel als in
't andere Rome kwam uit deze verhouding oneindig geharrewar voort,
want elk van hen wou de baas wezen, en vond den ander overbodig.
Fray Bernardo Salvi was de stille, jonge Franciskaan, waarover we
gesproken hebben. Door zijn gewoonten en manieren onderscheidde
hij zich zeer van zijn broeders en nog meer van zijn voorganger,
den heftigen Padre Dámaso. Hij was tenger, zwak van gezondheid,
bijna altijd in gepeinzen, strikt in de vervulling zijner
godsdienstplichten en vol bezorgdheid voor zijn goeden naam. Een
maand na zijn aankomst traden bijna allen op de plaats toe tot
de broederschap van V. O. F. (venerable orden de San Francisco),
tot groote droefenis van haar mededingster, de broederschap van den
Allerheiligsten Rozenkrans. Het was om te dansen van pret wanneer men
aan ieders hals vier of vijf "scapalieren" en om ieders middel een
koord met knoopen zag, en dan die processies van lijken of spoken met
ruige pijen om! De opper-koster maakte een heel kapitaaltje door het
verkoopen--door het als aalmoezen wegschenken, wil ik zeggen--van al
de voorwerpen, die men zoo noodig heeft, om de ziel te redden en den
duivel te keeren.
Zooals we zeiden, was Padre Salvi zeer nauwgezet in de vervulling
van zijn plichten: volgens den _alférez_ al te nauwgezet. Wanneer
hij aan 't preeken was--daar hield hij veel van--werden de deuren
der kerk gesloten. Iederen misslag van zijn ondergeschikten placht
hij te straffen met boeten; want ranselen deed hij maar heel zelden,
in welk opzicht hij ook verschilde van Padre Dámaso: die regelde
alles met vuist- en stokslagen, die hij lachend en uiterst welgemoed
uitdeelde. Het vasten en de onthouding verarmden zijn bloed, prikkelden
zijn zenuwen, en, zooals de lieden zeiden, steeg de wind hem naar zijn
hoofd. Zoo kwam het, dat de ruggen der kosters niet goed onderscheiden
konden, wanneer een pastoor veel vastte of veel at.
De eenige vijand dezer geestelijke macht met neiging tot wereldlijke
tevens, was, zooals we gezegd hebben, de _alférez_. De eenige, want de
vrouwen vertelden, dat de duivel hem ontliep. Eens op een dag toch,
toen die 't gewaagd had hem te verzoeken, werd hij gegrepen, aan een
poot van zijn krib gebonden, met het koord afgeranseld, en eerst weer
na negen dagen in vrijheid gesteld.
Hieruit volgt, dat iemand die na zoo iets zich zulk een man tot
vijand maakte, ten slotte in nog kwader reuk moest staan dan de arme
onvoorzichtige duivels, en de _alférez_ verdiende zijn lot. Zijn vrouw,
een oude Filippijnsche, die zich geweldig poeierde en verfde, heette
Doña Consolación; haar man en anderen noemden haar anders. De _alférez_
wreekte zijn echtelijke ellende op zijn eigen persoon door zich te
bedrinken als een karbouw, door zijn soldaten te laten exerceeren
in de zon, terwijl hij in de schaduw bleef, of nog vaker door zijn
vrouw af te rammelen.
Hij en zij sloegen--alsof 't maar een grapje was--elkaar bont en blauw,
en schonken de buren gratis-voorstellingen.
Telkenmale dat deze schandalen ter oore kwamen van Padre Salvi,
lachte deze even en sloeg een kruis, waarna hij een Onze Vader bad. Ze
scholden hem voor huichelaar, oproerling, vrek, en Padre Salvi lachte
dan weer witjes en bad nog meer.
Om hem te "pesten" verbood de krijgsman, opgezet door zijn vrouw,
het wandelen na negen uur in den avond. Doña Consolación beweerde de
pastoor eens verkleed te hebben gezien in een inlandsch pina-hemd en
een _slakot_--toedoeng--van _nipah_ op het hoofd, rondkuierend in de
late nachtelijke uren. Fray Salvi wreekte zich heiliglijk: wanneer hij
zag, dat de _alférez_ de kerk binnenkwam, liet hij stilletjes de koster
al de deuren sluiten. Dan besteeg hij de preekstoel en begon te preeken
tot de heiligen de oogen sloten en de houten duif boven zijn hoofd,
het beeld van den Heilige Geest "Och, toe, schei uit!" mompelde. De
_alférez_ was, als alle onboetvaardigen, onverbeterlijk: hij ging
vloekend de kerk uit en zoodra hij een koster of een bediende van den
pastoor te pakken kon krijgen, ranselde hij hem af en liet hem den
vloer van de kazerne en die van zijn eigen huis boenen zoodat dit er
daarna fatsoenlijk uitzag. Als dan de koster de boete kwam betalen,
die de pastoor hem wegens afwezigheid opgelegd had, verklaarde hij
't geval. Padre Salvi hoorde hem zwijgend aan, hield het geld, en
liet dadelijk zijn geiten en lammetjes los, om ze te laten weiden in
den tuin van den _alférez_, terwijl hij een onderwerp overpeinsde
voor een nieuwe preek, die nog veel langer en stichtelijker was
dan te voren. Doch deze kleinigheden waren volstrekt geen bezwaar
om elkaar de hand te drukken en beleefd toe te spreken, wanneer ze
elkaar daarna tegenkwamen.
Wanneer haar man zijn roes uitsliep of zijn middagdutje deed, en Doña
Consolación geen ruzie met hem maken kon, zette zij zich op haar gemak
aan 't venster, met een sigaar in haar mond en een blauwflanellen jak
aan. Zij, die een hekel had aan de jeugd, bepijlde van daar met haar
oogen de jonge meisjes en zond haar kwinkslagen op hun af. Ze waren
bang voor haar, gingen bedremmeld voorbij, zonder de oogen op te slaan,
de stap versnellend en haar adem inhoudend. Doña Consolación had een
groote deugd: ze scheen nooit in een spiegel gekeken te hebben.
Dit zijn de grootmachtigen van 't dorp San Diego.