Het dorp.
Bijna aan den oever van het meer ligt het dorp _San Diego_ te midden
van bouwlanden en sawah's. Het voert suiker, rijst, koffie en vruchten
uit of verkoopt ze op onvoordeelige wijze aan den Chinees, die den
eenvoud en de ondeugden van den inlander weet te benutten.
Van boven uit de kerktoren heeft men een prachtig panorama. Te midden
van die opeenhooping van daken van _nipah_, pannen, zink en "cabonegro"
(_idjoek_), [11] gescheiden door moes- en bloemtuinen, onderscheidt
een ieder van die hoogte zijn huisje. Alles dient er tot kenmerk: een
boom--de fijnbebladerde asem--, de met vruchten beladen klapperboom,
een buigzaam riet, een pinang-palm, een kruis. Daar ginds is de rivier,
een reusachtige kristallen slang, slapend in het groene kleed. Van
afstand tot afstand breidelen rotsblokken, in 't zandig bed verspreid
haar loop; verderop vernauwt ze zich tusschen twee hooge oeverkanten,
waaraan boomen met ontbloote wortels zich stuipend vastklampen. Hier
weer vormt zich een zachte glooiing, en de rivier wordt breeder en
verlangzaamt haar stroom. Ginds, iets verder staat op den hoogen
oever een huisje gelijk een ontzaggelijke steltlooper op dunne
pooten boven den afgrond, als spiedend, om zijn prooi in het water te
bespringen. Palmstammen of boomen met den bast er nog aan, wiebelend
onvast, verbinden de beide oevers. En zijn 't ook slechte bruggen,
't zijn daarentegen prachtige gymnastiek-toestellen, om 't evenwicht
op te houden. En dat is ook niet te versmaden: de jongens die in de
rivier baden, vermaken zich daar met de angst-bewegingen der vrouw,
die er over gaat met een mand op het hoofd, of met den ouden man,
die bevend voortstapt en zijn stok in 't water laat vallen.
Doch wat altijd de aandacht trekt, dat is een soort beboscht
schier-eilandje in die zee van bouwland. Daar staan eeuwen-ouden
boomen, met holle stammen, die eerst dan sterven, wanneer eens
een bliksemstraal de trotsche kruin treft en verteert. Men zegt,
dat het vuur dan bij den boom blijft en daar uitgaat. Men vindt daar
ontzaglijke rotsen, door tijd en natuur met fluweelig mos bekleed. Het
stof hoopt zich laag op laag in de holten op, de regen legt het vast
en de vogels zaaien er zaadkorrels in. De tropische plantengroei
ontwikkelt er zich in volle vrijheid: kreupelhout en struikgewas,
gordijnen van ineengestrengelde slingerplanten gaande van boom tot
boom, hangend aan de takken, zich klemmend aan de wortels, kruipend
over den grond, en, als ware Flora nog niet bevredigd, zet plant
zich op plant; mos en paddestoelen leven op de spletige stammen,
en luchtige sierlijke hangplanten verwarren hun omhelzingen door het
loof van de gastvrije boomen.
Dat bosch werd geëerbiedigd: vreemde overleveringen deden er de ronde
over, maar 't waarschijnlijkste en daarom juist het minst geloofde
en bekende, schijnt het volgende te wezen:
Toen het dorp nog een ellendige hoop hutten was, en daartusschen nog
weelderig het gras opschoot, in de tijden dat er 's nachts herten en
wilde zwijnen kwamen, verscheen daar op een dag een oude Spanjaard met
holle oogen, die vrij goed Tagaalsch sprak. Nadat hij het terrein in
verschillende richtingen had nagegaan en doorkruist, vroeg hij naar de
eigenaars van het bosch waar warme bronnen voortkwamen. Een paar lieden
deden zich op, en beweerden het te zijn, en de oude man kreeg het
eigendomsrecht erover in ruil voor wat kleeren, kleinoodiën en eenig
geld. Daarna, men wist niet hoe, verdween hij. De menschen hielden hem
reeds voor "betooverd," toen een walgelijke lucht, die zich uit het
naburige bosch verspreidde, de aandacht van een paar veehoeders trok;
ze gingen erop af en vonden den ouden man reeds in staat van ontbinding
aan den tak van een _baliti_-boom hangen. In levenden lijve boezemde
hij al schrik in door zijn diepe, holle stem, door zijn ingezonken
oogen en zijn klanklooze lach; doch nu hij zelfmoord gepleegd had,
verstoorde hij de slaap der vrouwen. Sommigen van dezen wierpen de
verkregen sieraden in de rivier en verbrandden de kleedingstukken. En
sinds het lijk begraven werd aan den voet zelf van de _baliti_ was
er geen sterveling meer, die zich daar dorst te wagen. Een herder,
die naar zijn beesten zocht, vertelde dat hij lichtjes had gezien; de
jongelieden liepen weg en hoorden toen weeklachten. Een ongelukkige
verliefde jongeling, die om zijn ongenaakbare liefste te vermurwen,
beloofde den nacht onder den boom door te brengen en er een lange rotan
omheen te winden, stierf aan een felle koorts, die hem overviel den
dag volgende op den nacht van zijn weddenschap. Er waren over deze
plek veel andere verhalen en overleveringen in omloop.
Er verliepen verscheidene maanden, en er kwam een jongeling, naar
't scheen een Spaansche kleurling. Deze beweerde de zoon te wezen
van den overledene, en zette zich in dat oord neer, om er zich
aan den landbouw te wijden, vooral de indigo-teelt. Don Saturnio
was een in-zich-zelf-gekeerd jongmensch, van een heftige en soms
wreede inborst, maar hij was zeer werkzaam en bedrijvig: hij omringde
het graf van zijn vader met een muur, en ging er zoo nu en dan naar
kijken. Toen hij al vrij oud was, huwde hij met een meisje uit Manila,
bij wie hij een zoon, Rafael, kreeg. Deze was de vader van Crisóstomo.
Don Rafael wist zich van jongs af bemind te maken bij de landlieden:
de akkerbouw, begonnen en behartigd door zijn vader, ontwikkelde zich
snel. Er kwamen nieuwe bewoners toestroomen, ook veel Chineezen. Het
gehucht werd spoedig een dorp en kreeg een inlandschen pastoor. Daarna
werd het een aanzienlijk vlek, de pastoor overleed, en Fray Dámaso
kwam in zijn plaats. Maar het graf en het aangrenzend terrein werden
in eere gehouden. De Chineezen waagden het soms, gewapend met stokken
en steenen, in den omtrek rond te dwalen, om djamboe's, papaja's,
djamblang's enz. te plukken, en het gebeurde, dat midden in hun
bezigheid of wanneer ze zwijgend staarden naar het touw dat nog altijd
van een der takken hing, er een of twee steenen neervielen, zonder dat
men wist waar ze vandaan kwamen. Dan gilden ze "de ouwe! de ouwe!",
smeten vruchten en stokken weg, sprongen uit de boomen, liepen door
rotsen en struikgewas, en stonden niet stil voordat ze uit het bosch
waren--sommigen bleek en hijgend, anderen schreiend en maar heel
enkelen lachend.