II.

Crisóstomo Ibarra.

't Waren geen mooie, keurig gekleede jonge meisjes, die op eens

aller aandacht bij 't binnenkomen trokken, zelfs die van Fray Sibyla;

't was ook niet Zijne Excellentie de gouverneur met zijn adjudanten,

die den luitenant uit zijn eenzelvigheid wegrukten, en Fray Dámaso

als versteend deden staan: 't waren eenvoudig het origineel van het

portret in rok en iemand, dien hij bij de hand leidde: een jongmensch,

dat streng in de rouw gekleed was.

"Goeden avond, dames en heeren! Goeden avond, pater!" was het eerste

wat Capitán Tiago uitbracht, terwijl hij de geestelijken de hand kuste,

waarop deze vergaten hem den zegen te geven. De dominikaan had zijn

bril afgezet om den binnentredenden jongen man aan te kijken en Fray

Dámaso staarde bleek en met wijdgeopende oogen naar hem.

"Ik heb de eer u Don Crisóstomo Ibarra voor te stellen, de zoon van

mijn overleden vriend!" ging Capitán Tiago voort. "Deze heer is pas

uit Europa aangekomen en ik ben hem gaan afhalen."

Bij 't klinken van dezen naam hoorde men eenige uitroepen; de luitenant

vergat den heer des huizes te begroeten. Hij trad op den jongeman

toe en nam hem van 't hoofd tot de voeten op. Deze wisselde toen de

gebruikelijke beleefdheidsfrazen met het heele gezelschap en scheen

niets bijzonders in zijn verschijning te hebben dan zijn zwarte

kleedij te midden van die zaal vol menschen. Zijn knappe gestalte,

zijn gelaatstrekken, zijn bewegingen ademden evenwel dien geur

van gezonde jeugd, waar zoowel het lichaam als de ziel behoorlijk

ontwikkeld waren. Men zag in zijn vrijmoedig vroolijk gelaat eenige

lichte sporen van het Spaansche bloed door een schoone bruine tint

heen, iets rooskleurigs op de wangen, wellicht de uitwerking van een

verblijf in de koude landen.

"Wel!" riep hij met blijde verrassing uit, "de pastoor van mijn

dorp! Pater Dámaso, de intieme vriend van mijn vader!"

Aller blikken wendden zich naar den Franciskaan; deze verroerde

zich niet.

"Neem me niet kwalijk, ik heb me zeker vergist!" hervatte Ibarra

eenigszins verlegen.

"Je hebt je niet vergist!" kon ten slotte de ander met veranderde stem

antwoorden. "Maar je vader is nooit een intieme vriend van me geweest."

Ibarra trok langzaam de hand terug die hij hem toegestoken had,

keek hem vol verwondering aan, wendde zich om en bevond zich zoo

tegenover de strenge figuur van den luitenant, die voortging met hem

gade te slaan.

"Jongmensch, bent u de zoon van Don Rafael Ibarra?"

De jongeman boog.

Fray Dámaso richtte zich in zijn stoel op en keek den luitenant recht

in de oogen.

"Welkom in uw land en moge u er gelukkiger wezen dan uw vader!" riep

de krijgsman met beverige stem uit.

"Ik heb hem gekend en heb veel met hem omgegaan. Ik kan zeggen

dat het een van de waardigste en rechtschapenste menschen op de

Filippijnen was."

"Mijnheer!" antwoordde Ibarra ontroerd, "de lof die u over mijn vader

uitspreekt, verdrijft den twijfel over zijn lot, dat ik, zijn zoon,

nog niet ken."

De oogen van den ouden man vulden zich met tranen, hij wendde zich

half om en verwijderde zich snel.

De jongeman zag zich alleen in 't midden van de zaal; de heer des

huizes was verdwenen en hij vond niemand die hem aan de jonge dames

kon voorstellen. Velen daarvan keken belangstellend naar hem. Na

eenige oogenblikken weifelens richtte hij zich met een eenvoudige en

natuurlijke gratie tot het groepje:

"Mag ik zoo vrij zijn", zei hij, "maar over de voorschriften van

een strenge etikette heen te stappen? Ik ben zeven jaar uit mijn

land weg geweest en nu ik er terug ben kan ik mijn bewondering niet

weerhouden, en niet nalaten zijn kostelijkste sieraad te begroeten,

'zijn vrouwen.'"

Daar niemand het waagde een enkel woord terug te zeggen zag hij

zich verplicht heen te gaan. Hij trad op een groepje heeren toe die,

toen ze hem aan zagen komen, een halven cirkel vormden.

"Heeren!" zeide hij, "ik zal maar de Duitsche gewoonte volgen en mezelf

voorstellen: dat doet men daar als er niemand anders voorstelt. Ik

heb zooeven den hemel en de vrouwen van mijn land begroet: nu wil ik

de burgers, mijn landgenooten, begroeten. Heeren, mijn naam is Juan

Crisóstomo Ibarra y Magsalin!"

Men noemde namen. Een jongmensch werd als dichter begroet. Men vroeg

hem waarom hij niet meer schreef, en hij vertelde van iemand, die een

onnoozelheid in een gedicht had gezet en er bijna om verbannen was:

_hij_ zou zoo gek niet wezen! En hij verwijderde zich uit de groep.

Een man met vroolijk lachend uiterlijk kwam aangedraafd. Hij gaf

Ibarra de hand. Hij was gekleed als een inlander, met briljanten

knoopen aan zijn hemd.

"Meneer Ibarra, ik wou 's graag met u kennis maken. Kaptein Tiago is

een groot vriend van me en ik heb uw vader gekend. Ik heet Capitán

Tinong. Ik woon in Tondo, waar u welkom in in mijn huis is: ik hoop,

dat u me de eer 's zal aandoen. Kom morgen bij ons eten."

Ibarra toonde zich verrukt over zooveel vriendelijkheid. Capitán

Tinong glimlachte en wreef zich in de handen.

Ibarra verontschuldigde zich: hij moest den volgenden dag naar San

Diego....

Een knecht van 't café "la Campana" kwam zeggen dat het eten klaar

was. De menschen defileerden naar binnen, waarbij de dames, vooral

de Filippijnschen, zich herhaaldelijk lieten bidden.

Noli me tangere: Filippijnsche roman · 第 3 / 70 题