I.

Een avond-partijtje.

In de laatste dagen van October gaf Don Santiago de los Santos,

meer bekend onder den naam "Capitán Tiago" een avond-partijtje, dat

hoewel tegen zijn gewoonte eerst in den namiddag aangekondigd, reeds

het onderwerp van alle gesprekken in Binondo uitmaakte, evenals in

andere buitenwijken en zelfs te Intramuros. Capitán Tiago ging toen

door voor den gulsten man die er liep, en men wist dat zijn huis,

evenals zijn land, zijn deuren niet gesloten hield, tenzij voor den

handel of ieder nieuw of gewaagd denkbeeld.

Gelijk een electrische schok liep het nieuws door de wereld der

klaploopers, tafelschuimers en doodvreters, die God in zijn oneindige

goedheid zoo liefdevol in Manila doet tieren. Sommigen zorgden voor

schoensmeer; anderen keken om naar knoopen en dassen, maar allen

waren vervuld van de gedachte hoe ze wel den heer des huizes op de

gemeenzaamste wijze begroeten zouden, om te doen gelooven aan oude

vriendschapsbanden, of zich te verontschuldigen, voor 't geval dit

beter te pas kwam, dat ze niet vroeger hadden kunnen verschijnen.

Deze feestmaaltijd werd gegeven in een huis van de _Calle de

Anloague_, en daar we ons het nummer niet herinneren, zullen we

't zoo beschrijven, dat men het nog zou kunnen herkennen, indien ten

minste de aardbevingen het nog niet vernield hebben. We gelooven niet,

dat zijn eigenaar het zal laten slopen, want met dit werk belast zich

daar God of "de Natuur" gewoonlijk; want deze laatste heeft daar ook

van ons gouvernement veel werken aangenomen.

Het is een vrij groot gebouw, in den stijl van de meeste daar

te lande, gelegen met het front naar een arm der Pasig-rivier,

door sommigen "ria de Binondo" genoemd, welk water, evenals alle

rivieren van Manila, de veelzijdige rol vervult van badplaats, riool,

wasch- en vischgelegenheid, vervoer- en verkeersmiddel, ja, zelfs van

waterleiding voor de dorstigen, ingeval de Chineesche waterdrager zulks

oorbaar acht. Het is vermeldenswaard dat deze machtige slagader der

voorstad, waar het verkeer het drukst is en de beweging het levendigst,

over een afstand van bijna een kilometer nauwelijks één houten brug

telt, welke gedurende zes maanden aan één kant stuk en aan den andere

voor 't overige deel des jaars onbegaanbaar is.

Zoo komt het, dat in het heete jaargetijde de paarden van deze

gestadige "status quo" profiteeren, om daar in 't water te springen,

tot groote verrassing des afgetrokken stervelings, die binnen in

't rijtuig ligt te dommelen of te filosofeeren over de vooruitgang

dezer eeuw.

Het huis, dat wij bedoelen, is wat laag en heeft niet zeer

onberispelijke lijnen: of de bouwmeester niet best zien kon, of

dat het een gevolg was van de aardbevingen en orkanen, kon niemand

met zekerheid zeggen. Een breede trap met groene leuningen en hier

en daar belegd met een kleedje, leidt van de "zagnan" of voorhal,

bevloerd met tegeltjes, naar de hoofd-verdieping tussen bloempotten

en -vazen op voetstukken van Chineesch aardewerk met bonte kleuren

en fantastische teekeningen.

Aangezien er geen portiers noch lakeien zijn, die u om of naar een

uitnoodigings-kaart vragen, zullen we maar naar boven gaan, o gij die

me leest vriend of vijand! Zoo u althans de tonen van het orkest,

het licht of 't veel beteekenend gerinkel van vaatwerk aantrekt,

en gij zien wilt, hoe de avondpartijen daar ginds in de Parel van

het Oosten toegaan. Met genoegen en voor mijn gemak zou ik u gaarne

de beschrijving van het huis besparen, doch deze is zeer belangrijk;

want wij stervelingen in 't algemeen zijn als de schildpadden: we

worden geprijsd en gesorteerd naar onze schilden; om deze en andere

eigenschappen zijn ook de stervelingen van de Filippijnen gelijk aan

de schildpadden.

Wanneer we naar boven gaan, komen we dadelijk in een ruim vertrek,

dat men daar "caïda" noemt, ik weet niet waarom, want op dezen avond

dient het als eetzaal en tevens als muzieksalon. In 't midden schijnt

een lange tafel, overvloedig en weelderig versierd, den tafelschuimer

toe te lonken met zoete beloften, en dat schuchtere jonge meisje,

de eenvoudige "dalaga" te bedreigen met twee doodvervelende uren

in gezelschap van vreemde mannen, wier taal en gesprek een zeer

bizonder karakter plegen te hebben. In tegenspraak met deze aardsche

toebereidselen zijn de bonte schilderijen aan de wanden, voorstellende

godsdienstige onderwerpen als "het Vagevuur" of "de Hel", "het

Laatste Oordeel," "de Dood der Rechtvaardigen", die "des Zondaars",

en op den achtergrond, gevangen in een prachtige en smaakvolle

renaissance-lijst, die wel door een Arévolo kon gesneden zijn, een

merkwaardig doek van groote afmetingen waarop men twee oude vrouwen

ziet... Het onderschrift luidt: "Onze Lieve vrouw van Vrede en goede

reis, die men in Antipolo vereert, in de gedaante van een bedelares,

bezocht de vrome en beroemde _Capitana_ Inés gedurende haar ziekte"

[1]. De voorstelling, zoo ze al niet veel smaak en kunst verraadt,

bezit daarentegen een overmaat van natuurlijkheid: de zieke lijkt

wel een lijk in ontbinding door de gele en blauwe tinten van haar

gelaat; de glazen en overige voorwerpen ter geleide der langdurige

ziekten, zijn zoo nauwkeurig weergegeven, dat men zelfs zien kan wat

erin zit. Bij 't aanschouwen van deze schilderijen, die de eetlust

opwekken en landelijke denkbeelden doen rijzen, denkt wellicht deze

of gene, dat de leepe heer des huizes heel goed den aard kende van

het meerendeel van hen, die aan zijn tafel moesten aanzitten, en om

zijn gedachte een weinig te omsluieren heeft hij aan de zoldering

kostbare Chineesche lampen laten hangen, kooien zonder vogels, roode,

groene en blauwe bollen van gefoelied glas, gedroogde hangplanten,

opgeblazen opgezette visschen, die men "botete's" noemt, en meer

zoo, terwijl alles aan de rivierzijde afgesloten was door grillige

houten bogen, half Chineesch half Europeesch waar doorheen men het

uitzicht had op een plat dak met klimplantleidingen en prieeltjes,

schaars verlicht door papieren lantarentjes van allerlei kleuren.

Daar in de zaal bevinden zich de gasten tusschen ontzaggelijke

spiegels en schitterende kroonlampen: daar staat op een houten

onderstel de prachtige vleugelpiano, die een ongehoorde som gekost

heeft, en die op bedoelden avond nog kostbaarder was, omdat niemand

haar bespeelde. Daar vindt men Ook een groot olieverfportret van een

mooie man, in rok, stijf, rechtop, symmetrisch als de stok met kwast,

die hij tusschen zijn strakke met ringen bedekte vingers draagt. Het

portret schijnt zoo te zeggen:

"H'm, h'm! kijk ereis aan wat ik aan mijn lijf heb, en hoe deftig

ik ben!"

De meubels zijn smaakvol, wellicht ongeriefelijk en ongezond: de

heer des huizes denkt niet aan de gezondheid van zijn gasten, maar

aan zijn eigen weelde. De dysenterie is wel iets vreeselijks, maar

u zit op Europeesche leuningstoelen, en die heeft u niet altijd! zou

hij hun zeggen.

De zaal is bijna vol met menschen: de mannen gescheiden van de

vrouwen, evenals in de katholieke kerken en in de synagogen. De

dames bestaan uit een klein aantal jonge meisjes, half Spaansche,

half Filippijnsche: ze doen den mond open om te geeuwen, maar weten

dat met hun waaiers te bedekken; ze murmelen te nauwernood eenige

woorden; ieder gesprek, dat men waagt te doen, sterft weg in enkele

lettergrepen, als geruchten die men 's nachts in een huis hoort,

gedruisch van ratten of hagedissen. Zijn het wellicht de beeltenissen

der verschillende vrouwen, die aan de wand hangen, welke ze nopen

het stilzwijgen te bewaren en godvruchtige ernst te betrachten? Of

maken de vrouwen hierop juist een uitzondering?

De eenige, die de dames ontving, was de oude nicht van Capitán Tiago,

een vrouw met goedige gelaatstrekken en die vrij slecht Spaansch

sprak. Al haar beleefdheid en hoffelijkheid bestond daarin, dat ze

aan de Spanjaarden een blaadje met sigaretten en "boejo" (sirih)

aanbood, en zich precies als de monniken door de Filippijners de

hand liet kussen. De arme oude begon zich ten slotte te vervelen,

en gebruik makende van het gedruisch van een bord dat brak, ging ze

ijlings heen, onder het mompelen van:

"Jezus! wacht maar, rakkers!"

En ze verscheen niet meer.

Wat de mannen aangaat, die maakten wel meer leven.

Eenige adelborsten waren in een der hoeken druk aan 't praten, maar

op gedempten toon, terwijl ze van tijd tot tijd opkeken en soms

met den vinger wezen naar verschillende personen in de zaal; en ze

lachten onder elkaar op meer of min bedekte wijze. Twee vreemdelingen

daarentegen, beiden in 't wit, liepen met de armen op den rug en

zonder een woord te spreken, met groote stappen van 't eene uiteinde

der zaal naar 't andere, zooals passagiers die zich vervelen, op het

dek van een schip doen. Al de belangstelling en de grootste drukte

gingen uit van een groepje, gevormd door twee monniken, twee burgers

en een militair rondom een tafeltje, waarop men flesschen wijn en

Engelsche biscuits zag staan.

De militair was een oude luitenant, lang en met een streng voorkomen:

hij leek wel een hertog van Alva, die wat achtergebleven was op de

ranglijst der Guardia Civil. Hij sprak weinig, maar bars en kort. Een

der "frailes", een jonge dominikaan, mooi, netjes en keurig als zijn

bril met goud-montuur, had een vroegtijdige ernst over zich: het was de

pastoor van Binondo, en in vroeger jaren was hij professor geweest aan

San Juan de Setrán. Hij had de roep van een volleerd spreker, en wel

zoo zeer, dat in de tijden, waarin de zonen van Guzmàn [2] het waagden

in spitsvondigheden den strijd aan te binden met de wereldlijken, de

bekwame woordvechter B. de Luna hem nooit van zijn stuk had kunnen

brengen of vastzetten: de fijne bewijsvoering van Fray Sibyla liet

hem een figuur slaan als de visscher, die alen met strikken wilde

vangen. De dominikaan sprak weinig, en scheen zijn woorden te wegen.

De ander daarentegen, die Franciskaner was, sprak druk en gesticuleerde

nog meer. Ten spijt van zijn haren, die reeds grijs begonnen te worden,

scheen zijn stevig gestel zich goed te houden. Zijn regelmatige

trekken, zijn weinig geruststellende blik, zijn breede kaken en

herkulische vormen gaven hem het aanzien van een vermomd Romeinsch

patriciër en onwillekeurig herinnerde hij u aan een van de drie

monniken, waarover Heine spreekt in zijn "Goden in ballingschap",

die op de September-nachtevening, ginds in Tyrol, te middernacht

in een bootje een meer over voeren, en telkens in de handen van

den armen veerman een zilveren munt achterlieten, koud als ijs,

hetwelk hem met ontzetting vervulde. Evenwel was Fray Dámaso niet

geheimzinnig zooals zij: hij was vroolijk, en hoewel zijn stem bruusk

klonk, als van een man, die nog nooit verlegen gestaan heeft, die

al wat hij zegt voor heilig en onverbeterlijk houdt, zijn opgewekte

en vrijmoedige lach wischte dezen onaangenamen indruk dadelijk uit,

en zelfs zag men zich gedwongen hem te vergeven, dat hij daar in

de zaal een paar voeten zonder sokken en behaarde beenen vertoonde,

die stellig een fortuintje zouden opgebracht hebben aan een Mendieta

op de kermissen van Quiapo. [3]

Een der burgers, een klein manneke, met een zwarte baard, had

als eenige merkwaardigheid zijn neus, die naar zijn afmetingen te

oordeelen, niet van hem kon wezen; de ander, een blond jongmensch

scheen kortelings in 't land aangekomen te zijn; met deze voerde de

Franciskaan een levendige woordenwisseling.

"U zult 't zelf wel zien", zeide de monnik, "wanneer u maar eens

een paar maanden langer in 't land bent, zult u 't wel met mij eens

zijn, dat het heel wat anders is in Madrid te regeeren, of hier in

de Filippijnen te wezen."

"Maar..."

"Ik bijvoorbeeld," ging Fray Dámaso voort, de stem verheffende, om

den ander niet aan 't woord te laten, "ik die al drie-en-twintig jaren

pisang en rijst eet, ik kan er met gezag over meepraten. Kom me niet

voor den dag met theorieën en beweringen. Ik ken de inlanders. Ga nu

's na. Nauwelijks was ik hier in 't land, of ik werd geplaatst op een

dorp, wel klein, maar zeer werkzaam voor zijn landbouw. Ik kende toen

nog niet goed Tagaalsch, maar ik nam de vrouwen al de biecht af, en

we verstonden elkaar, en ze hielden ten slotte zooveel van me, dat,

drie jaar later, toen ik naar een grooter dorp werd overgeplaatst,

dat vacant was gekomen door den dood van den inlandschen pastoor,

al die vrouwen begonnen te schreien, me met geschenkjes overlaadden,

en met muziek uitgeleide deden..."

"Maar dat bewijst toch alleen..."

"Wacht u toch even! Niet zoo haastig oordeelen! Hij die me opvolgde,

bleef korter, en toen die heenging kreeg hij nog meer uitgeleide,

meer tranen en meer muziek, en dat terwijl hij meer ranselde, en de

parochie-gelden opgeslagen had tot het dubbele van vroeger."

"Maar u zult mij veroorloven..."

"Ik zal u meer zeggen: in 't dorp San Diego ben ik twintig jaren

geweest en ik ben er eerst enkele maanden... uit" (hier scheen hij te

ontstemmen). "Twintig jaren--dat zal niemand me tegenspreken--zijn

meer dan genoeg om de menschen op een dorp te leeren kennen. San

Diego had zes duizend zielen, en ik kende iederen bewoner, alsof ik

hem gebaard en gezoogd had: ik wist aan welken voet deze mank ging,

waar een ander de schoen wrong, wie 't hof maakte aan dit of dat

meisje, welke mistappen dit gedaan had en met wie, wie de ware vader

van 't kind was enz.; ik nam immers ieder levende ziel de biecht af,

en ze wachtten zich wel, om hun plicht te verzuimen. Laat Santiago,

onze gastheer 't maar zeggen, of ik lieg. Hij heeft daar veel land

en daar hebben wij vriendschap gesloten. Nu goed, hoor nu 's, hoe die

inlanders zijn: toen ik heenging deden me te nauwernood een paar oude

vrouwtjes en eenige geestelijke broeders uitgeleide. En dat terwijl

ik er twintig jaren geweest was!"

"Maar ik zie niet in wat dit te maken zou hebben met de vrijmaking van

't tabaks-monopolie," antwoordde de blonde jongeman, gebruik makende

van een pauze, gedurende welke de Franciskaan zich een glaasje sherry

inschonk.

Fray Dámaso liet vol verbazing bijna zijn glas vallen. Hij bleef een

oogenblik het jong mensch van 't hoofd tot de voeten opnemen.

"Hoe zoo? Hoe is dat nu?" riep hij daarna met de grootste verwondering,

"is 't mogelijk, dat u dat niet inziet: 't is zoo klaar als de

dag? Ziet u dan niet, m'n waarde heer, dat dit alles tastbaar bewijst,

dat de nieuwigheden van de ministers onzinnig zijn?"

Ditmaal was 't de blonde die verlegen stond. De luitenant fronste

de wenkbrauwen nog meer. Het kleine ventje schudde het hoofd, alsof

hij Fray Dámaso in 't gelijk stelde of 't niet met hem eens was. De

dominikaan vergenoegde zich met iedereen bijna den rug toe te keeren.

"Meent u?" kon ten slotte de jongeman heel ernstig vragen, terwijl

hij den pater vol nieuwsgierigheid aankeek.

"Of ik dat meen? Ik geloof eraan als aan 't Evangelie! De inlander

is zoo lui!"

"Och, neem me niet kwalijk, dat ik u in de rede val," zeide het

jongmensch, zachter sprekende en zijn stoel naderbij brengend,

"u heeft daar een woord uitgesproken, dat mijn belangstelling

bijzonder gaande maakt. Bestaat werkelijk die luiheid bij de

inlanders, als iets ingeborens, of is 't eigenlijk zoo, dat--zooals een

buitenlandsch reiziger opmerkte--wij met die luiheid onze eigen luiheid

verontschuldigen, onze achterlijkheid en ons koloniaal beleid? Hij

sprak van andere koloniën, waar de bewoners van 't zelfde ras zijn...."

"Och kom! Jaloezie! Vraag 't maar 's aan meneer Laruja, die 't land

ook kent. Vraag hem maar 's of de domheid en luiheid van de inlanders

ergens haar wedergade vinden!"

"Werkelijk," antwoordde het kleine kereltje, dat bedoeld was: "nergens

ter wereld ziet u luier individuen dan de inlanders hier. Nergens

ter wereld!"

"Geen verdorvener en geen ondankbaarder wezens!"

"Geen onbeschofter ook!"

De blonde jonge man begon met ongerustheid overal heen te kijken.

"Heeren," zeide hij zacht, "ik geloof dat wij aan huis zijn bij een

inlander. De jonge dames..."

"Loop heen! Maak u zich niets ongerust, hoor! Santiago houdt

zichzelf niet voor een inlander, en bovendien is hij er niet bij. En

dan... al was hij erbij? Die beweringen zijn maar dwaasheden van

nieuwelingen. Laten er maar een paar maanden voorbijgaan: u zult

wel van meening veranderen wanneer u veel inlandsche feesten en

danspartijen bijgewoond heeft, op de inlandsche bedden geslapen en veel

'tinola' gegeten heeft."

"Is dat wat u 'tinola' noemt niet een vrucht, een lotus-soort, die

de menschen... zoo iets van... zoo vergeetachtig maakt?"

"Och wat lotus of loterij!" antwoordde Fray Dámaso lachend, "u slaat

de plank mis. _Tinola_ is een _goelái_ van kip en kalebas. Hoe lang

bent u hier?"

"Vier dagen," bracht de jonge man eenigszins geraakt uit.

"Komt u als ambtenaar?"

"Nee, meneer: ik kom voor eigen rekening, om het land te leeren

kennen."

"M'n lieve man, wat bent u een witte raaf!" riep Fray Dámaso uit,

terwijl hij hem nieuwsgierig opnam. "Voor eigen rekening gekomen en

dan voor zulke dwaasheden!

"Wat 'n fenomeen! Terwijl er zooveel boeken zijn ... och, als je

maar wat hersens in je kop hebt ... kun je immers een heel dik boek

schrijven: er zijn er zoo ettelijken! Als je maar wat hersens in je

kop hebt ..."

"U zei zoo, eerwaarde heer pater Dámaso," viel plotseling de dominikaan

in, "dat u twintig jaren in het dorp San Diego geweest is, en het

toen verlaten heeft ... Was u niet ingenomen met de plaats?"

Fray Dámaso verloor op deze vraag, die op zoo natuurlijken en bijna

onverschilligen toon gedaan was, opeens zijn vroolijkheid en hield

op met lachen.

"Nee!" gromde hij droogjes en liet zich met geweld tegen den rug van

zijn stoel vallen.

De dominikaan ging nog onverschilliger voort:

"'t Moet droevig wezen een plaatsje te verlaten waar men twintig

jaren geweest is en dat men kent als de jas die men aan heeft.

"Ik ten minste vond het onplezierig Camiling te verlaten en daar was

ik nog maar enkele maanden geweest... maar de superieuren deden het

voor 't heil van de gemeente... voor mijn eigen heil."

Fray Dámaso scheen dien avond voor de eerste maal zeer afgetrokken. Op

eens gaf hij een vuistslag op de leuning van zijn stoel, en zwaar

ademend riep hij uit:

"Er is godsdienst of die is er niet, dat wil zeggen: òf de pastoors

zijn vrij òf ze zijn 't niet! Het land gaat te gronde, 't is naar

de maan!"

En weer sloeg hij met zijn vuist.

De heele zaal wendde zich verrast naar het groepje; de dominikaan

hief het hoofd op om onder zijn bril door naar hem te kijken. De twee

vreemdelingen, die heen-en-weer wandelden, stonden even stil, keken

elkaar aan, toonden elkaar even hun snijtanden en zetten onmiddellijk

hun wandeling weer voort.

"Hij is uit zijn hum, omdat u hem geen 'reverencia' genoemd

heeft!" mompelde meneer Laruja in 't oor van 't blonde jongmensch.

"Wat wil uwe reverentie toch zeggen? Wat scheelt u?" vroegen de

dominikaan en de luitenant elk op zijn eigen toon.

"Daardoor krijgen we al die rampen! Het bestuur steunt de ketters

tegen de bedienaren van 't heilige woord!" ging de Franciskaner voort

en balde zijn stoere knuisten.

"Wat bedoelt u toch?" vroeg de wenkbrauw-fronsende luitenant nogmaals,

terwijl hij zich half oprichtte.

"Wat ik bedoel?" herhaalde Fray Dámaso, zijn stem nog verheffend en de

luitenant recht in de oogen ziende: "Ik bedoel al wat ik wil! Ik, ik

wil zeggen, dat wanneer een pastoor het lijk van een ketter uit zijn

kerkhof wegdoet niemand, zelfs de koning niet, het recht heeft zich

ermee te bemoeien en nog veel minder er straf voor op te leggen. Dus

een generaaltje, zoo'n generaaltje van niks..."

"Pater, Zijn Excellentie is hier plaatsvervanger van den Koning als

beschermer van de Kerk!" riep de krijgsman opstaande.

"Och wat Excellentie of plaatsvervanger!" antwoordde de Franciskaner,

die ook opstond. "In vroeger tijd zouden ze 'm wel eruit gezet hebben,

zooals dat gebeurd is met dien goddeloozen gouverneur Bustamante. Dat

waren nog 's tijden van goed geloof!"

"Ik moet u zeggen, dat ik niet kan toestaan... Zijn Excellentie

vertegenwoordigt hier Zijne Majesteit!"

"Och wat Majesteit... larie! Voor ons is er geen anderen koning dan

de wettige...."

"Halt!" riep de luitenant dreigend en alsof hij zich tot zijn soldaten

richtte, "u trekt alles in wat u gezegd heeft, of ik geef er morgen

kennis van aan den gouverneur..."

"Ga nu op 't oogenblik maar dadelijk!" antwoordde Fray Dámaso

sarkastisch, met gebalde vuisten op hem toetredend. "Meent u soms

dat ik, omdat ik geestelijke kleeding draag, geen man ben...? Zal ik

u soms mijn rijtuig leenen?!"

De oneenigheid kreeg een grappige wending, doch gelukkig kwam de

dominikaan tusschenbeide.

"Heeren!" zeide hij op een toon van gezag en met die neusstem,

welke zoo fraai klinkt bij monniken: "we moeten hier de dingen niet

verwarren en ook geen beleedigingen zoeken, waar er geen zijn. We

moeten bij Fray Dámaso de woorden van den man wel onderscheiden van

die van den priester. Deze laatste als zoodanig--per se--kunnen nooit

kwetsen, want ze komen voort uit de volstrekte waarheid. In die van

den mensch moeten we nóg een onderscheid maken: de woorden die hij

zegt _ab irato_, die hij zegt _ex ore_, maar niet _in corde_, en die

hij zegt _in corde_. Deze laatste zijn de eenige die kwetsen kunnen en

dan nog naar gelang of ze om de een of andere beweegreden reeds van

te voren in den geest bestonden--_in mente_--of dat ze alleen maar

_per accidens_, in 't vuur van 't gesprek geuit worden, of dat er..."

"Nu dan, ik weet 'per accidens' en uit mezelf, hoe de zaak in elkaar

zit, pater Sibyla!" viel de militair in, die in de war raakte van al

die onderscheidingen en bang begon te worden, dat hij ten slotte de

schuldige zou blijken. "Ik weet hoe 't gegaan is en nu mag u straks

weer distincties maken. Gedurende de afwezigheid van Fray Dámaso in

San Diego, liet de coadjutor het lijk begraven van een heel waardig

man... ja, meneer, een heel waardig man. Ik ben verscheidene malen

met hem in aanraking geweest en heb ook wel bij hem gelogeerd. Dat

hij nooit gebiecht heeft!... nu wat zou dat? Ik ga ook niet naar de

biecht. Maar te zeggen dat hij zich van kant gemaakt heeft is een

leugen, pure laster. Een man als hij, die een zoon heeft, waar hij

zijn heele liefde en hoop op heeft, een man die op God vertrouwt,

die zijn plichten kent tegenover de maatschappij, een rechtschapen en

eerlijk man, die maakt zich niet van kant. Dat zeg ik en wat ik verder

denk verzwijg ik, maar daar mag uwe reverentie me dankbaar voor wezen."

En den Franciskaan zijn rug toedraaiend, vervolgde hij: "Nu goed, deze

pastoor heeft toen bij in 't dorp terugkwam eerst den armen coadjutor

mishandeld, en toen het lijk laten opgraven om het uit het kerkhof weg

te laten brengen ergens anders heen, weet ik waar. Het dorp San Diego

is zoo laf geweest om er heelemaal niet tegenop te komen. 't Is waar,

dat maar heel weinigen ervan hoorden: de overledene had geen enkel

familielid en zijn eenige zoon is in Europa. Maar de gouverneur is er

achter gekomen en, omdat die een man is van een edel hart, heeft hij

om straf voor hem gevraagd..... en pater Dámaso kreeg overplaatsing

naar een beter dorp. Dat is de heele zaak. Uwe reverentie kan nu weer

distincties maken."

En dit gezegd hebbende, verwijderde hij zich van 't groepje. Fray

Sibyla verontschuldigde zich dadelijk dat hij zulk een teer punt

had aangeroerd.

Allengs keerde de bedaardheid in 't gezelschap weder. Men praatte

opgewekt, ook over den afwezigen gastheer, over wien aardigheden ten

beste werden gegeven, iets waar uit zeker weinig waardeering voor

dezen sprak.

Noli me tangere: Filippijnsche roman · 第 2 / 70 题