DEMETRIUS. Hij moest de horens op het hoofd dragen.
THESEUS. Hij is een volle maan, zijn horens zitten onzichtbaar in
de schijf.
Maan. "Ziet, deez' lantaarn is de gehoornde maan; Ikzelf stel voor
het mannetje in de maan;"--
THESEUS. Dat is de grootste flater van alle; die man moest in de
lantaarn zitten; hoe kan hij anders het mannetje in de maan zijn.
DEMETRIUS. Hij gaat er niet in, uit bangigheid, want er is een dief
aan de kaars.
HIPPOLYTA. Die maan verveelt mij; ik wenschte, dat hij maar veranderde.
THESEUS. Naar het weinigje licht van zijn verstand te oordeelen,
is hij aan het afnemen; maar wij moeten uit beleefdheid zoo redelijk
zijn en eens afwachten.
LYSANDER. Ga voort, Maan.
Maan. "Al wat ik te zeggen heb, is u te vertellen, dat de lantaren de
maan is; ik het mannetje in de maan; deze takkenbos mijn takkenbos;
en deze hond mijn hond".
DEMETRIUS. Wel, die dingen moesten alle in de lantaren wezen, want
zij zijn in de maan. Maar stil, daar komt Thisbe.
(Thisbe komt op.)