(Pyramus en Thisbe af.)
MUUR. "Zoo heb ik, Muur, nu braaf mijn plicht gedaan,
En, afgedaan, mag muur nu henen gaan."
(Muur af.)
THESEUS. Nu is de muur tusschen de twee buren ingestort.
DEMETRIUS. Dat mag ook wel, Heer, als muren het durven wagen zonder
waarschuwen alles af te luisteren.
HIPPOLYTA. Dit is wel het onzinnigste ding, dat ik ooit gehoord heb.
THESEUS. De beste van deze soort zijn slechts schimmen, en de slechtste
zijn niet slechter, wanneer de verbeeldingskracht haar te hulp komt.
HIPPOLYTA. Ja, maar dan uw verbeeldingskracht en niet de hunne.
THESEUS. Nu, als onze verbeelding niet slechter van hen denkt, dan
zij van zichzelf, dan kunnen ze voor uitstekende lui doorgaan. Daar
komen twee edele gedierten op, een Maan en een Leeuw.
(Leeuw en Maneschijn komen op.)
LEEUW (Schaaf). "Jonkvrouwen, gij, wier teeder hart vervaart,
Als 't kleinste monstermuisje piept, gewis,
Gij beeft en siddert, als gij thans ontwaart
't Gebrul des felsten leeuws, die woedend is.
Maar weet, ik Schaaf de kastenmaker bin,
Geen felle leeuw, nog minder een leeuwin;
Want kwam ik als een echte leeuw alhier
En snoof naar buit, wis, uit was mijn pleizier."
THESEUS. Een allerliefst beest en zeer gemoedelijk.
DEMETRIUS. Het beste, mijn vorst, wat ik nog ooit van beesten
gezien heb.
LYSANDER. Die leeuw is een echte vos, wat zijn moed betreft.
THESEUS. Juist, en een gans, wat zijn verstand betreft.
DEMETRIUS. Toch niet, heer, want zijn dapperheid kan zijn verstand
niet meesleepen, zooals de vos het de gans doet.
THESEUS. En ik ben overtuigd, dat zijn verstand zijn dapperheid niet
meesleept, want de gans loopt niet met den vos weg. Maar komaan;
wij zullen dat maar aan zijn verstand te raden geven, en nu naar de
maan luisteren.