TWEEDE TOONEEL.

Een ander gedeelte van het woud.

Titania komt op met haar Gevolg van Elfen.

TITANIA. Komt, nu een ronddans en een elfenzang;

Dan weg voor 't derde deel van een minuut;

Gij, doodt den worm in knoppen van de roos;

Gij, rooft het vleugelvlies der vledermuis,

Tot rokjes voor mijn elfjes; gij, verdrijft

Den uil, die krijschend zijn verbazing uit,

Als hij ons doen bespiedt. Zingt nu me in slaap;

Gaat dan uw diensten doen en laat me in rust.

(Elfenzang.)

EERSTE ELF.

Booze slangen, schuifelt niet!

Weg, gij egels, scherp van pin!

Hagedissen, padden, vliedt!

Wijkt van de Elfenkoningin!

KOOR.

Nachtegaal, stem met ons in,

Zing hier: suja, slaap nu in!

Suja, suja, slaap nu in; suja, suja, koningin!

Booze macht,

Noch tooverkracht

Naadre de Elfenkoningin!

Suja, suja, slaap nu in!

TWEEDE ELF.

Langgebeende spinnen, vlucht!

Hommels, motten, muggen, voort!

Zwarte torren, geen gerucht!

Worm en slak, haar niet gestoord!

KOOR.

Nachtegaal, stem met ons in,

Zing hier: suja, slaap nu in!

Suja, suja, slaap nu in; suja, suja, koningin!

Booze macht,

Noch tooverkracht

Naadre de Elfenkoningin!

Suja, suja, slaap nu in!

EERSTE ELF.

Nu van hier; 't is goed gedaan;

Ééne blijve op schildwacht staan.

(De Elfen verdwijnen. Titania is in slaap.)

(Oberon komt op en drukt het bloemsap op Titania's oogleden.)

OBERON.

Wat gij ziet, als gij ontwaakt,

Zij hiermeê uw lief gemaakt,

't Liefje, waar uw ziel om blaakt;

Zij het panter, beer of rat,

Borstlige ever, aap of kat,

Wat het eerst voor 't oog u trad

Bij 't ontwaken, worde uw schat!

Zij 't afzichtlijk als een pad!

(Oberon af.)

(Lysander en Hermia komen op.)

LYSANDER. Mijn lief, dit dwalen heeft u afgemat;

En ik erken, ik ben den weg hier kwijt;

Vindt gij het goed, dan rusten wij, mijn schat,

En wachten tot de daagraad ons verblijdt.

HERMIA. Goed; zoek, Lysander, u een rustplaats uit,

En laat deez' heuvel over aan uw bruid.

LYSANDER. Één zode steune 't hoofd van man en vrouw;

Één hart, één bed, twee boezems en één trouw!

HERMIA. Neen, mijn Lysander, doe zooals ik zeg;

Neen, neen, niet hier bij mij; lig verder weg.

LYSANDER. Ik zei 't in onschuld, lieve, neem dit aan;

Wat liefde spreekt, moet liefde goed verstaan.

Zóó boeide uw hart het mijn, dat, naar ik meen,

Het mijne met het uwe telt voor één;

Een eed heeft onze boezems saamgesmeed

Twee boezems en één trouw, ziedaar onze eed.

Vertrouwt ge uzelf, duld, dat ik me aan uw zij,--

Want mij kunt gij vertrouwen,--nedervlij.

HERMIA. Gij haalt er dat "vertrouwen" aardig bij;--

Geloof toch, 't was geen wantrouwen of vrees,

Dat ik u maar wat verder ginds verwees.

Maar hoor, mijn beste vriend, ronduit gezeid:

Lig verder weg uit liefde en voegzaamheid,

Zóó ver, dat op dien afstand van een man

Een eerbre maagd zich passend vlijen kan;

Goê nacht! ik slaap met dit gebed steeds in:

Standvastig zij tot 's levens end uw min!

LYSANDER. Ik zeg er "amen" op; ja, wat verkeer',

Mijn liefde blijft dezelfde.--'k Vlij mij neêr;

Dat alle rust des slaaps nu bij u woon'!

HERMIA. Dat half die wensch uw schoonen wensch beloon'!

(Zij slapen in, op eenigen afstand van elkander.)

(Puck komt op.)

PUCK.

Door het woud ben ik gegaan,

Geen Athener trof ik aan,

Door wiens oog mij worde ontdekt,

Hoe dit bloempje liefde wekt.--

Wie ligt daar? O, stille nacht!

't Is de Atheensche kleederdracht.

Meester, ja, dit is de maat,

Die de Atheensche maagd versmaadt;

En ook 't meisje slaapt gezond

Op den vochten, killen grond.

't Lieve kind, zelfs in den slaap

Vliedt zij de' ongelikten knaap.

Op uw oogen, barre beer,

Stroom' dit krachtig bloemsap neer;

(Hij drukt het sap op Lysanders oogen.)

Als ge ontwaakt, de liefde moog'

Sluimring weren van uw oog.

Wordt nu wakker, 'k laat u vrij;

Oberon verlangt naar mij.

(Puck af.)

(Demetrius en Helena, in snellen loop, komen op.)

HELENA. Toef, toef, Demetrius, dood mij veeleer.

DEMETRIUS. Ga, zeg ik u, en kwel mij zoo niet meer.

HELENA. Laat gij me in 't duister hier? o, ga niet heen!

DEMETRIUS. 't Is u geraden, blijf! ik ga alleen.

(Demetrius af.)

HELENA. O ademloos maakt mij deze ijdle jacht!

Hoe meer ik smeek, hoe meer hij mij veracht,

't Geluk is een trawant van Hermia,

Haar oog trekt aan, waar ze ook haar blik op sla.

Hoe kreeg haar oog dien glans? Door tranen niet,

Daar ik er eindloos meer dan zij vergiet.

Neen, neen, afzichtlijk ben ik als een beer;

Wat dier me ook zag, 't vlood angstig iedren keer;

Geen wonder, dat Demetrius mij ducht,

En mij, of ik een monster ware, ontvlucht.

Wat leugenspiegel blies mij in, dat ik

Mij meten kon met haren fonkelblik?--

Maar wie is daar?--Lysander! op den grond!

Dood, of in slaap?--Ik zie noch bloed, noch wond.--

Lysander, vriend! ontwaak, indien gij leeft.

LYSANDER (ontwakend). En 'k loop door vuur, als dit u vreugde geeft.

O Helena, doorluchtig wonderwezen!

'k Zou door uw borst in 't hart u kunnen lezen!

Waar is Demetrius? o, dubbel waard

Om zijn verraad te sneven door mijn zwaard!

HELENA. O spreek zoo niet, Lysander! spreek zoo niet;

Schoon hij aan Hermia zijn liefde bied',

't Is niets, want zìj mint ù. Wees dus tevreên.

LYSANDER. Tevreên met Hermia? Neen, ik beween

Elk uur, met haar verspild; ik min alleen

U, Helena, en Hermia verdwijnt.

Wie kiest een kraai, als hem een duif verschijnt?

De rede sture steeds den wil des mans;

De rede zegt mij: u behoort de krans.

Wat groeit, bereikt zijn rijpheid schreê voor schrede,

Mijn jeugd eerst nù de rijpheid van de rede;

En heb ik 't oordeel nu van onderscheid,

Dan zij 't de rede, die mijn keus geleid';

Die laat mij nu der liefde doen en wezen

In gouden lett'ren uit uw oogen lezen.

HELENA. Waarom verdiende ik zulk een hoon van 't lot,

Wanneer van u, Lysander, zulk een spot?

Is 't niet genoeg, is 't niet genoeg, jong man,

Dat ik noch nu, noch ooit verwerven kan,

Dat hij, dien 'k min, een zoeten blik mij schenkt?

Is 't recht, dat ge om die onmacht zoo mij krenkt?

Voorwaar, 't is onrecht, ja, 't is godgeklaagd,

Dat gij, vol bittren spot, me om liefde vraagt!

En nu vaarwel, maar dit zij u gemeld,

Ik had bij u meer adel ondersteld.

O, dat een vrouw, door éénen man versmaad,

Dies van een andren krenking ondergaat!

(Helena af.)

LYSANDER. Haar blik viel niet op Hermia.--Slaap gij,

En kom Lysander nimmermeer nabij!

Want evenals een overmaat van zoet

Steeds weerzin wekt, ja meer, zelfs walgen doet,

En hij een ketterij op 't felste haat,

Die haar bedrog erkent en haar verlaat;

Zoo gij, mijn overmaat, mijn ketterij,

Wek ieders haat, maar allermeest van mij!

Mijn hulde zij, met jonglingsvuur en kracht,

Voortaan alleen aan Helena gebracht!

(Lysander af.)

HERMIA (ontwakend). O help, Lysander, help toch! mij is bang!

Een beest kruipt op mijn boezem; 't is een slang!

Wee mij! erbarm u!--Welk een droom was dat?

O zie, ik bibber nog van vrees, mijn schat!

Ik droomde, een booze slang knaagde aan mijn hart,

En gij keekt lachend naar mijn wreede smart!--

Lysander!--Wat!--Lysander!--Ongehoord!

Waar zijt ge? Weg? ver weg? geen enkel woord?--

Helaas! waar zijt ge? spreek! ik roep u, ik!

Bij al wat heilig is, ik zwijm van schrik.

Nog niets? waar zijt ge?--wee, dat gij ontvloodt!

Geen andre keus: u vind ik of den dood!

(Hermia af.)

Een Midzomernachtdroom · 第 10 / 37 题