Een woud bij Athene.
Elfe en Puck komen op, van verschillenden kant.
PUCK. Zeg, geest, waarheen? waar zwerft gij heen?
ELF.
Over berg en vallei,
Over heg, over muur,
Door het park, door de wei,
Door rivier en door vuur,
Zwerf ik rond met elfenspoed,
Vlugger dan de maanbol doet,
Dien mijn koningin, en houd
Frisch haar plekjes in het woud;
Primula's, haar eerewacht,
Zijn op 't gouden kleed bevracht
Met robijnen, elvengaven,
Die de lucht met geuren laven;
Ik moet om druppels dauw dit veld hier door,
Hang elke bloem een paarl in ieder oor.
Vaarwel, gij plompe geest, want ik moet gaan,
Dra komt mijn koningin met de elfen aan.
PUCK. De koning viert een feest hier deze nacht;
Hij moet de koningin niet zien; geef acht!
Want Oberon is zeer gekrenkt en boos,
Wijl zij een lieflijk kind als dienaar koos,
In Indië geroofd, een koningszoon;
Nooit had ze in haar gevolg een knaap, zoo schoon;
Naijvrig vorderde Oberon dit kind,
Opdat het hem door 't woud de paden vind';
Zij weigert hem het lieve wicht en vlecht
Er kransen voor, is teêr er aan gehecht;
En waar hij nu bij 't sterrenlicht haar ziet,
In veld of bosch, of aan een heldren vliet,
Daar volgt een twist, die heel hun elfenstoet
Verschrikt in eikelnapjes schuilen doet.
ELF. Erken ik wèl uw wijs van doen, uw leest,
Dan zijt ge wis die sluwe, plaagsche geest,
't Kaboutertje, dat boerenmeisjes kwelt,
Haar melk ontroomt en deerlijk haar ontstelt,
De boerenvrouw soms plaagt en boot'ren laat,
En buiten adem karnen, zonder baat;
Nù 't bier niet gisten laat, dàn in de nacht
Den zwerver dolen doet, zijn leed belacht?
Maar die u vleiend noemen "lieve Puck",
Die helpt ge in 't werk en brengt hun steeds geluk;
Die zijt ge, naar ik denk?
PUCK. Ja, juist gedacht;
Ik ben die snaaksche zwerver van de nacht,
Die Oberon vaak lustig lachen doet,
Als ik een hengst, van boonen wel doorvoed,
Bedrieglijk toebriesch als een merriepaard;
Of op een oudevrijsters-krans, bedaard,
In 't glas mij houd als een morel, maar nauw
Brengt één mij aan den mond, of ik bedauw
Al spartlend de' ouden boezem met het nat.
Soms kraamt een oude moei een grooten schat
Van wijsheid uit, houdt voor een driestal mij,
En wil gaan zitten, maar ik spring op zij,
En, plomp! daar ligt ze, hoest, roept moord en brand,
En heel de kring, die eerst nog in de hand
Wou proesten, giert van 't lachen, en roept uit:
"Dat was daar van de preek een mooi besluit!"--
Maar, elfje, daar komt Oberon! Op zij!
ELF. En hier mijn meesteres!--O waar' 't voorbij!
(Van de eene zijde komt Oberon met zijn Gevolg, van de andere Titania
met haar Gevolg op.)
OBERON. Geen vriendlijk maanlicht, trotsche koningin!
TITANIA. Wat, ijverzuchtige Oberon!--Wij gaan;
Komt, elfen, vlug; ik zwoer zijn omgang af.
OBERON. Toef, kreegle vrouw! Ben ik niet uw gemaal?
TITANIA. Ja, dan ben ik uw vrouw toch!--Maar ik weet,
Hoe gij eens wegsloopt uit het elfenland,
En dagen lang, als Corydon vermomd,
Voor Phyllida, dat minziek kind, op 't riet
Uw minnewijsjes speeldet. Waarom ijlt
Gij van 't gebergt van Indië hierheen,
Zoo niet, omdat die klossende Amazoon,
Uw hooggelaarsde schoone, uw strijdbaar lief,
Met Theseus in den echt treedt, en gij thans
Hun sponde heil en voorspoed schenken wilt?
OBERON. Hoe kunt gij zonder blos, Titania,
Mij heeklen met Hippolyta, bewust,
Dat ik wel weet, hoezeer gij Theseus mint?
Waart gij zijn gids niet, toen hij in de nacht
Van de eerst geschaakte Periguna vlood?
Om wien verbrak hij de' eed van trouw aan Aegle,
Aan Ariadne en Antiopa?
TITANIA. Dat zijn verdichtsels van uw ijverzucht;
Reeds sinds verleden zomer troft ge mij
Nooit meer op berg, in dal, in weide of bosch,
Aan 't kiezlig beekje of aan 't rietrijk meer,
Of aan het strand der zee meer aan, als wij
Een reidans hielden bij het windgefluit,
Of uw getwist heeft ons genot verstoord.
Dies zoog de wind, die nutloos voor ons floot,
Al waar' 't uit wraaklust, uit de zee een heer
Van booze dampen, dat, op 't land verbreid,
Elk nietig stroompje zwellen deed van trots,
Zoodat het bruisend uit zijn bedding brak;
Dies droeg ook de os zijn juk nu te vergeefs,
De ploeger zwoegde om niet, en 't groene graan
Verrotte, aleer zijn jeugd een baard bekwam;
Leêg staat de schaapskooi op 't verdronken land,
En kraaien smullen aan 't bezweken vee;
De kegelbaan is opgevuld met slijk;
De kronkelpaadjes zijn in 't weeldrig groen
Onkenbaar, omdat niemand ze betreedt;
Dies derft het menschdom thans des winters lust,
En maken lied noch koorzang de' avond kort;
Dies heeft de maan, die 't waatrenrijk gebiedt,
Van toren bleek, de lucht van damp vervuld,
Zoodat de kilheid tal van ziekten kweekt;--
Ziet, ons verstoord zijn heeft den loop verstoord
Der jaargetijden; wit berijpte vorst
Valt in den schoot der teedre lenteroos;
Den ouden winter wordt op 't gladde hoofd
Als waar' 't voor spot, een geur'ge krans gedrukt
Van frissche zomerknoppen; lente, zomer,
De gulle herfst, de stuursche winter ruilden
Van kleed; de wereld, gansch verbijsterd, kent
Hen, zelfs aan bloem en vrucht, niet uit elkaâr;
En heel die sleep van plagen komt alleen
Van onze oneenigheid, van onzen twist;
Wij hebben dien verwekt, dien voortgebracht.
OBERON. Breng gij dan hulp; het ligt aan u; waarom
Weerstreeft Titania haar Oberon?
Ik vraag alleen een kind, dat gij bezit,
Mij tot een edelknaap.
TITANIA. Vermoei u niet,
Heel 't elfenland koopt dat kind mij niet af.
Zijn moeder had zich aan mijn dienst gewijd,
En zat in Indië's zoet doorgeurde lucht
Vaak gansche nachten keuvlend aan mijn zij
Op 't blanke strand der zee; wij sloegen dan
De handelsschepen, die er zeilden, gâ;
Hoe lachten wij, bij 't bollen van het zeil
En 't spannen van den schoot door dartlen wind,
Als zij dan aardig met haar dobbergang,--
Zij droeg mijn kleinen knaap toen in den schoot,--
Een schip geleek, dat voortzeilde op het land,
Mij snuisterijen haalde en, rijk belaân,
Als van een zeereis, tot mij wederkwam.
Zij was een stervling; 't jongske was haar dood;
Om harentwil breng ik haar jongske groot;
Om harentwille scheide ik niet van hem.
OBERON. Hoe lang vertoeft gij denklijk in dit woud?
TITANIA. Waarschijnlijk, totdat Theseus is getrouwd.--
Neemt gij weer rustig deel aan onzen dans,
En ziet ge ons maanlichtfeest weer aan, zoo kom;
Zoo niet, mijd mij, en ik mijd uw verblijf.
OBERON. Geef mij dien knaap en 'k ben niet meer verstoord.
TITANIA. Zelfs niet voor heel uw rijk. Komt, elfen, voort!
Dit wierd een twist, vertoefde ik in dit oord.
(Titania en haar Gevolg af.)
OBERON. Nu ga, maar 'k laat u uit dit bosch niet vrij,
Voor ik u boeten deed voor uw vergrijp.--
Mijn waarde Puck, kom hier; gij weet nog wel,
Dat ik eens op een voorgebergte zat,
En een meermin er zag op een dolfijn,
Die zulke schoone melodieën zong,
Dat haar gezang de woeste zee bedwong,
En meen'ge ster wild uit haar baan verschoot,
Om 't lied der maagd te hooren.
PUCK. Ja, ik weet het.
OBERON. Terzelfder tijd zag ik,--gij kondt het niet,--
Cupido vliegen tusschen aarde en maan,
Met pijl en boog; hij mikte, scherp en lang,
Op een Vestale, tronend in het west,
En dreef zijn liefdeschicht met zooveel klem,
Alsof 't wel honderdduizend harten gold;
Maar 'k zag de vuur'ge schicht des jongen gods
In 't kuische licht der vochte maan gebluscht;
De hooge priesteresse ging haar weg,
In maagdlijke overdenking, ongedeerd.
Ik speurde, waar Cupido's pijlschot viel,
De schicht viel op een kleine bloem van 't west,
Voorheen melkwit, nu purper door zijn schot,
Door meisjes "Liefde uit oogelust" genoemd.
Haal mij die bloem; ik wees u eens het kruid;
Haar sap, gedrukt op oogleên in den slaap,
Maakt man of vrouw, ja ieder, dol verzot
Op 't eerste levend wezen, dat hij ziet.
Haal mij dat kruid; maar wees terug, aleer
Een mijl de Leviathan zwemmen kan.
PUCK. Een veertigtal minuten, en ik ben
Den aardbol driemaal om.
(Puck af.)
OBERON. Heb ik dit sap,
Dan let ik op Titania, en drup,
Zoodra zij slaapt, het vocht haar in het oog;
En 't eerste, wat zij bij 't ontwaken ziet,--
Het zij een leeuw, een beer, een wolf of stier,
Een valsche baviaan of drollige aap,--
Dat hang' zij aan met alle kracht der min.
En eer haar oog door mij onttooverd word',--
Ik kàn 't onttoovren door een ander kruid,--
Staat ze op mijn eisch haar edelknaap mij af.--
Doch wie komt daar? Ik wil onzichtbaar zijn,
En luister eens wat hier verhandeld wordt.
(Demetrius komt op en Helena volgt hem.)
DEMETRIUS. Ik min u niet, vervolg mij dus niet meer,
Maar wijs Lysander mij en Hermia.
Ik vel den een, en de andere velt mij neer.
Gij hebt gezegd, zij vluchtten naar dit woud,
En nu zwerf ik verwoed hier om in 't woud,
Omdat ik Hermia vergeefs er zoek.
Van hier, ga heen, en volg mij verder niet.
HELENA. Gij trekt mij aan, gij zeilsteen, hard van hart;
Niet ijzer trekt gij aan: voorwaar, mijn hart
Is deugdlijk staal; leg af de kracht, die trekt;
Dan is de kracht, waarmeê ik volg, voorbij.
DEMETRIUS. Lok ik u uit? en maak ik u het hof?
En zeg ik niet veeleer in ronde taal,
Dat ik u niet bemin, noch minnen kan?
HELENA. En juist daarom bemin ik u te meer.
Ik ben uw hondje; ja, Demetrius,
Kastijdt ge mij, te slaafscher vlei ik u;
Behandel me als uw hond; sla, stoot mij weg,
Verwaarloos mij, vergeet mij,--maar vergun,
Dat ik, al ben ik dit niet waard, u volg'.
Wat minder plaats kan 'k beedlen in uw hart,--
En toch een plaats door mij zoo hooggeschat,--
Dan dat ge mij behandelt als uw hond?
DEMETRIUS. Wek niet te zeer den afschuw mijner ziel,
Want zie ik u slechts aan, dan ben ik ziek.
HELENA. En ik ben ziek, als ik u niet mag zien.
DEMETRIUS. Gij zet te zeer uw goeden naam op 't spel,
Als gij de stad verlaat en aan een man,
Die u niet lijden mag, u toevertrouwt,
Aan de verleiding van de donkre nacht,
De influistring van een afgelegen plaats,
Uw kostlijke eerbaarheid te hoeden geeft.
HELENA. Wat dat betreft, is mij uw eer een borg;
Het is geen nacht, als ik uw aanschijn zie,
En daarom denk ik, 't is ook nu geen nacht;
Een wereld menschen is met mij in 't woud,
Want gij zijt heel de wereld in mijn oog;
Wie kan dan zeggen, dat ik eenzaam ben,
Waar heel de wereld is en mij aanschouwt?
DEMETRIUS. Ik vlied van u en schuil in 't kreupelbosch,
En 't wild gedierte moge u goedig zijn.
HELENA. Het wildste dier heeft zachter hart dan gij;
Vlied, als ge wilt, en zie een ommekeer:
Apollo vlucht en Daphne jaagt hem na;
De duif vervolgt den valk; de zachte hinde
IJlt op den tijger los; o ijdle ren,
Als lafheid jaagt en moed de hielen toont!
DEMETRIUS. Ik wil niets verder hooren; laat mij gaan,
Of loopt gij nog mij na, geloof dan vrij,
Dat u in 't bosch nog leed van mij weervaart.
HELENA. Steeds, in den tempel, in de stad, in 't veld,
Doet gij mij leed aan. Foei, Demetrius!
Uw smaadlijk doen werpt op mijn kunne een smet;
De man voer' strijd om liefde, niet de maagd;
Die verg' geen min, om min zij haar gevraagd.
Toch volg ik, en tot hemel wordt mijn hel,
Mag 't zijn, dat uw geliefde hand mij vell'!
(Demetrius en Helena af.)
OBERON. Wees, nimf, gerust; eer hij dit woud verlaat,
Zoekt hij uw min en wordt door u versmaad.
(Puck komt weder op.)
Hebt gij de bloem daar? Welkom vleugelvoet!
PUCK. Daar is zij, Heer.
OBERON. Geef hier dan; zoo is 't goed.
Ik weet een plekje, waar de thym nu bloeit,
De sleutelbloem en 't zacht viooltje groeit,
Waar 't roosje met jasmijn zijn geur verbreidt,
Door zoete kamperfoelie overspreid;
Daar zoekt des nachts Titania soms rust,
In 't groen door dans en zang in slaap gesust;
Daar werpt de slang vaak af haar glinsterhuid,
Dat kleed, dat nog met ruimte een elf omsluit;
Ik raak haar de oogen met dit bloemsap aan,
En vul haar 't brein met ijd'len, dollen waan.
Neem gij er ook iets van en zoek hier rond;
Een lieve Atheensche is dwars door 't hart gewond
En wordt versmaad door wien zij mint. Bestrijk
Zijn oogen, maar draag zorg, dat te gelijk,
Als hij ze ontsluit, de jonkvrouw voor hem staat;
Gij kent den man aan zijn Atheensch gewaad.
Volbreng dit wel; hij blake in fellen gloed,
Voor haar, veel meer dan zij voor hem nu doet;
En wees terug voor 't eerste morgenlicht!
PUCK. Gerust, mijn vorst; uw dienaar kent zijn plicht.
(Beiden af.)