Eindelijk stond Raffles op en sprak:
„Roep mijn beschermelinge eens hier. Ik wil het meisje meenemen en haar
voorstellen aan haar grootvader, Lord Cramesford.”
Charly Brand verliet de kamer en keerde weldra met Anna Marie terug.
De vrouw van den kamerdienaar Joe, die reeds jarenlang bij Raffles in
betrekking was en die zijn huishouding bestuurde, had haar een
eenvoudige, maar keurige japon gekocht, zoodat Lord Lister verbaasd
opkeek toen hij bemerkte, welk een gunstigen indruk het meisje nu
maakte.
Vriendelijk ging hij haar tegemoet, reikte haar zijn hand en sprak:
„Nu, mijn kind, ik hoop, dat je goed geslapen hebt in mijn huis en dat
je je beter voelt dan gisteren. Over een paar weken zal je wel weer op
krachten zijn gekomen. Heb je nog iets op je hart?”
„Ik dank uw Lordschap”, antwoordde het meisje met zachte stem.
„Ik geloof toch, dat er iets is, wat je graag zoudt willen.”
Het meisje keek hem met haar groote blauwe oogen aan en antwoordde:
„Ik weet niet, wat u bedoelt.”
„Zou je de portretten van je vader niet graag willen hebben?”
Een blos van vreugde kleurde de bleeke wangen der arme wees en met
trillende lippen sprak zij:
„O ja, mijnheer! Als ik die terug kon krijgen...”
„Kom eens hier”, sprak Raffles, naar zijn schrijftafel gaande, waarop
de photographie lag, die zijn gestorven vriend hem in Ladysmith had
gegeven.
Nauwelijks had het jonge meisje een blik op het portret geworpen, of
zij uitte een blijden kreet, nam het portret op en drukte het aan haar
lippen.
Tranen stroomden uit haar oogen en met bevende stem riep zij uit:
„Mijn vader, mijn lieve, goede vader! Eindelijk heb ik u terug!”
John Raffles keek vol stille vreugde naar het meisje. Daarop sprak hij
tot haar:
„Verbaast het je niet, dat ik dit portret heb?”
„Daaraan dacht ik nog niet eens, mijnheer!”
„Lees eens, wat op het portret staat!”
Met hapende stem las het jonge meisje de opdracht en daarop de door
Raffles gemaakte aanteekening omtrent het overlijden.
Met den uitroep: „Mijn arme, lieve vader!” zonk zij op een stoel neer,
terwijl zij krampachtig snikte.
John Raffles kwam zachtjes naast haar staan en sprak met gedempte stem:
„Je bent in goede handen, mijn kind. Een paar uur voor zijn dood
beloofde ik je vader plechtig, voor jou, van wier bestaan ik toen geen
flauw vermoeden had, op dezelfde wijze te zorgen als hijzelf.
„Misschien stelt het je gerust, dat ik de beste vriend van je vader ben
geweest en dat ik de laatste mensch was, dien hij op aarde zag!”
Het meisje keek met vochtige oogen naar hem op, en, plotseling voor hem
neerknielende, greep zij zijn beide handen en bedekte ze met kussen.
John Raffles trok zijn handen dezen keer niet terug.
Hij voelde, dat het meisje in hem geen vreemdeling meer zag.
Behoedzaam, alsof zij een klein kind was, tilde hij haar op, zette haar
in een fauteuil en streelde naar aschblonde lokken.
Na een lange pauze vervolgde Lord Lister:
„Heb je gelezen, wie je vader was? Je hebt mij gisteren verteld, dat je
zijn naam nooit had gehoord.”
„Neen”, antwoordde zij op zachten toon, „in mijn vreugde het portret te
zien, lette ik niet op den inhoud van het geschrevene.”
„Luister dan. Je vader was een officier en diende met mij in hetzelfde
regiment.
„Hij was heel dapper en nu nog, na lange jaren, is zijn naam een der
meest geachte.”
John Raffles zweeg.
In gedachten zag hij zijn gesneuvelden vriend weer terug, een
beeldschoone, eenigszins lichtzinnige jonge man, die echter een hart
van goud had gehad en geen vlieg ooit kwaad had gedaan.
„O, vertel toch verder! Ik zou zoo graag nog veel meer van mijn vader
hooren!” smeekte Anna Marie.
„Je vader was een Lord,” vervolgde John Raffles, „en zijn familie
behoort nu nog tot de meest gegoede van Engeland.
„Je grootvader, de oude Lord Cramesford, woont hier in Londen en is
kamerheer van den koning. Ik ben van plan, hem nu met jou te gaan
opzoeken en hoop, dat de oude heer jou, het eenige kind van zijn
jonggestorven zoon, vol liefde aan het hart zal drukken en tot zich
nemen.”
Het gelaat van het jonge meisje werd plotseling bleek.
John Raffles zag dit en vroeg:
„Waarover maak je je ongerust?”
„O, mijnheer,” sprak de wees, „ik ben bang. Breng mij niet naar den
ouden Lord. Laat mij hier bij u blijven! Ik wil voor u werken.
„De goede vrouw, die voor u kookt en de wasch in orde maakt, heeft
tegen mij gezegd, toen ik haar bij het ontbijt hielp, dat ik vlijtig en
handig ben!”
„Zoo, zoo!” lachte Raffles, „dus heb ik aan jouw vlijtige handjes het
uitstekende ontbijt te danken! Als je niet een Lady was en de erfgename
van een Lord, zou ik je voorstel dadelijk aannemen!”
„Verstoot mij niet uit uw huis!” smeekte het jonge meisje opnieuw. „Gij
hebt mijn vader immers beloofd, voor mij te zullen zorgen? Ik ben geen
Lady, ik ben maar een dienstmeisje. Ik vind het heerlijk, om in de
keuken bezig te zijn.”
„Je bent een lief kind,” sprak de Groote Onbekende, „maar ik kan je
wensch niet vervullen. Zelfs al zou de oude Lord je niet willen
erkennen, dan nog moest ik je tot een Lady laten opvoeden en evengoed
voor je zorgen als je vader dat gedaan zou hebben. Of zou je willen
hebben, dat ik mijn belofte, die ik hem deed, zou verbreken?”
Met een ontkennend hoofdschudden fluisterde het jonge meisje:
„Neen, neen, een belofte moet men houden!”
„En nu je alles weet,” vervolgde Lord Lister, haar hand in de zijne
nemende, „moet je mij ook voor je laten handelen. Je vader, een
voornaam Engelsch officier, zou van zijn dochter nooit een dienstmeisje
hebben gemaakt. Maar kleed je nu en ga met mij mee.”
Charly Brand had met levendige belangstelling dit tooneeltje
gadegeslagen.
De bewondering voor zijn vriend bereikte haar toppunt en voordat
Raffles de kamer verliet, trad Charly Brand naar hem toe en sprak vol
ontroering:
„Edward, jij—jij bent de beste kerel, dien ik ooit heb ontmoet!—”
Lord Lister keek hem ernstig aan en antwoordde:
„Mijn beste Charly, ik handel altijd naar dat ééne woord uit den
Bijbel, dat luidt: „Bemin je naasten als jezelf!”
„Het zou veel beter zijn in de wereld, als alle menschen daarnaar
handelden, maar—helaas—”
En Charly Brand keek peinzend voor zich uit, ging naar de tafel terug,
nam de kranten op, om gedurende de afwezigheid van zijn vriend den tijd
met lezen te verdrijven, en zuchtte:
„Helaas!”