JOHN C. RAFFLES.”

Marholm haalde zijn tabakspijp uit zijn zak en begon die met fijne

Virginia-tabak te stoppen, terwijl Baxter nerveus zijn duimen om elkaar

heen draaide.

De Vloo streek een lucifer aan langs de zool van zijn laars, wachtte

tot de zwaveldamp was vervlogen en genoot met de kalmte van een

fijnproever van zijn tabak.

Nadat hij Baxter eenige rookwolken in het gezicht had geblazen, sprak

hij:

„Nu, inspecteur, wat zal ik met den weesvader doen? Wilt gij den man

niet een verhoor afnemen? Wij mogen blij zijn, dat Raffles ons een

dergelijk walgelijk individu stuurt, om, naar hij ons schrijft, onze

verzameling te completeeren.”

Baxter riep op woedenden toon:

„Ik heb niets tegen de arrestatie van dezen schurk en ben er blij om,

dat deze booswicht eindelijk zijn welverdiende straf krijgt. Maar”—hij

zweeg, klemde zijn lippen vast op elkaar en rolde woest met zijn

oogen—„het eigenlijke van de zaak is, dat Raffles mij weer tegenover de

wereld heeft geblameerd.

„Het mocht, wat mij betreft, een duizendmaal erger misdadiger zijn dan

deze weesvader, als Raffles hem mij zendt, had ik liever dat hij in

vrijheid was gebleven!”

„Een mooie opvatting!” antwoordde de Vloo. „Vat gij op die manier ons

beroep van detective op? Op die manier zou ik liever misdadiger dan

beambte van politie zijn!”

De oogen van inspecteur Baxter rolden nog woester in hun kassen heen en

weer.

„Houd je geestigheden voor je, Marholm. Ik zeg je dat voor den

honderdsten keer! Je groote mond zal je nog eens je betrekking kosten!”

De Vloo zuchtte met een lachend gezicht en antwoordde:

„Groote Hemel! Ik wou, dat mijn groote mond eindelijk eens zoo

onuitstaanbaar voor u was, dat gij genoeg van mij kreegt. Want het is

heusch geen genot om bij u, inspecteur, voor secretaris te moeten

spelen!”

„Zoo?” vroeg Baxter. „Nu, dit verzeker ik je, Marholm, dat ik, als ik

morgen mijn einde voelde naderen, je bij mijn opvolger zou aanbevelen

als den besten en bekwaamsten van al mijn beambten en het meest

geschikt voor het baantje van secretaris. En dit alleen om je een

genoegen te doen! En nu verzoek ik je om voortaan wat meer eerbied voor

mijn persoon aan den dag te leggen”.

„Dat kan ik u niet beloven”, lachte de Vloo, „de eerbied, dien ik voor

u moest hebben, inspecteur, voel ik alleen voor John Raffles!”

„Zwijg toch eindelijk van Raffles. Ik wil van dien man niets meer

hooren!”

„Ja!” lachte de Vloo, „dat zoudt gij wel willen, niets meer te hooren

van John Raffles! Maar maak u daarover niet ongerust, hij zorgt er zelf

wel voor, dat er voortdurend over hem wordt gesproken”.

De laatste woorden had hij onduidelijk gemompeld, zoodat Baxter ze niet

had verstaan en op diens vraag:

„Wat zeg je, Marholm?” antwoordde deze:

„Niets, niets, inspecteur, ik dacht alleen maar!”

„Hier wordt niet gedacht!”

„Ik zal er mijn best voor doen”, antwoordde de Vloo.

„Mooi! En doe nu eindelijk eens, wat ik je als chef beveel. Laat ons nu

de noodige maatregelen nemen wat betreft den weesvader, opdat ik

eindelijk weer wat nachtrust kan nemen”.

„En ik weer kan genieten van mijn verhaal”, sprak de Vloo. „Ik lees

daar juist een geschiedenis van Sherlock Holmes en ben nieuwsgierig, op

welke wijze hij dezen keer de schurken naar den duivel jaagt. Men

geniet ervan als men leest, hoe zoo’n gemeene misdadiger, niet een man

van eer, zooals Raffles, gepakt wordt!”

„Ik zal morgen”, stoof de inspecteur op, „een bevel uitvaardigen,

waarin mijn beambten het lezen verboden wordt!”

„Ha, ha!” lachte de Vloo, „een dergelijke dwingelandij bestaat niet in

ons vrije Engeland! En het zou heel goed voor u zijn, als gij eens een

blik wierpt in die boeken, want daardoor leert men de schurken kennen

en verachten!

„Bovendien wordt men er vijftig procent verstandiger van, wat wij

beiden bijzonder goed kunnen gebruiken.

„Ik moet u eerlijk bekennen, dat ik er u tot dusverre sterk van

verdacht, thuis dezelfde boeken te lezen, want, behalve waar het

Raffles betreft, zijt gij een uitstekend beambte”.

„Wie vertelt u dat?” beet de inspecteur hem toe. „In elk geval, hoe het

dan ook zij, lees ik niet gedurende mijn diensturen, dan heeft men wel

wat anders te doen!”

„Zeker”, sprak de Vloo op luiden toon en zacht liet hij er op volgen:

„Dan slaapt men!”

„Als men met u redeneert”, merkte Baxter op, „komt men tot geen

resultaat. Ik geloof, Marholm, dat je de beste vischvrouw van geheel

Londen omverpraat...

„En nu zal ik mij eindelijk met den weesvader bezig houden”.

Hij opende de deur van het kleine vertrek naast zijn bureau en ging

daar binnen. In deze kamer wachtte de weesvader, onder bewaking van

twee politie-agenten, op zijn verhoor.

Met een gewichtige uitdrukking op zijn gelaat keek de inspecteur den

arrestant vol minachting aan en sprak:

„Gij zijt een nette kerel! Wij mogen van geluk spreken, dat wij u

eindelijk gevangen hebben genomen”.

De Vloo, die op den achtergrond stond, lachte inwendig.

„Reeds sinds langen tijd heb ik u in stilte laten gadeslaan”, vervolgde

Baxter.

„Het zal er nog mee eindigen”, mompelde Marholm, „dat hij hem zelf in

hechtenis heeft genomen.”

„Wat hebt gij te antwoorden op de beschuldigingen?”

Met gebogen hoofd en neergeslagen oogen antwoordde de gevangene

haperend en op huilenden toon:

„Ik heb alles bekend en verzoek dringend om een milde straf”.

„Doe niet alsof gij een oud wijf waart, door op zoo’n huiltoon te

spreken!” schreeuwde Baxter.

„Dat hadt gij vroeger moeten doen! Nu is het te laat! Maar zoo zijt

gij, schurken, allemaal! Eerst voert gij allerlei slechtheden uit en

later hebt gij er spijt van!

„Gij huilt echter niet om uw slachtoffers, maar alleen omdat gij zoo

dom zijt geweest, u te laten gevangen nemen!

„Maar......”, de inspecteur zette vol trots een hooge borst op, „gij

vergeet maar al te vaak, dat gij te doen hebt met mij,

politie-inspecteur Baxter van Scotland Yard! Gij vergeet, dat ik met

Argusoogen over Londen waak en u, schurken, allemaal breng waar gij

behoort!

„Gij denkt er niet aan, dat tot dusverre nog geen enkele misdadiger het

tegen mij heeft uitgehouden!”

„Behalve Raffles!” merkte Marholm op, zoodat Baxter het hoorde.

De woedende blik, dien hij op de Vloo wierp, maakte dezen in het geheel

niet bang, maar amuseerde hem zoodanig, dat hij zijn mond vertrok tot

een breeden grijnslach, zoodat de inspecteur de zwarte, door tabaksrook

gekleurde tanden kon zien.

„Ga zitten”, snauwde Baxter hem toe. „Schrijf! Of denkt ge, dat ge hier

zijt om in een hoek te staan grijnslachen? Gij werkt in den laatsten

tijd zeer slecht en als dat zoo door blijft gaan— —”

Hij zweeg en de Vloo vulde aan:

„Dan ontslaat gij mij!”

„Schrijf!” beval Baxter nogmaals en Marholm ging gehoorzaam zitten, op

zijn gemak verder rookend en maakte zich met de kalmte van iemand, die

tijd in overvloed heeft, gereed om te gaan schrijven.

„De weesvader van— — —”

„Pardon, inspecteur, ik ben nog niet zoo ver!”

„Voor den duivel, mijnheer, wanneer kunt gij dan beginnen?”

Met onverstoorbare kalmte antwoordde de Vloo:

„Zoodra ik mijn tabakspijpje heb weggelegd en een goede pen zal hebben

gevonden. Want— —”

Hij zweeg eenige oogenblikken en bekeek zijn pennehouder.

„...... In den laatsten tijd zijn de stalen pennen, die gij mij

verstrekt, van zulk een ellendige qualiteit, dat ik er niet mee kan

schrijven. Deze bijvoorbeeld heeft de eigenaardigheid, te veel inkt op

te zuigen.”

Inspecteur Baxter stiet een meterlangen, Engelschen vloek uit en

terwijl de beide politie-agenten met moeite hun lachen bedwongen,

schreeuwde hij tot Marholm:

„Wilt gij nu schrijven of niet? Beklaag u over de pennen bij den

leverancier. Ik maak ze niet!”

„Dat is gelukkig”, sprak de Vloo, „anders zouden ze zeker totaal

onbruikbaar zijn!—Gij kunt wel beginnen, inspecteur!”

Zonder zijn secretaris met een blik te verwaardigen, begon Baxter nu

het bericht omtrent de gevangenname van den weesvader te dicteeren.

Marholm had slechts één bezwaar tegen het protocol en wel dit, dat de

inspecteur van politie in het bericht verzweeg, dat Raffles eigenlijk

de handelende persoon in deze zaak was geweest en niet Baxter.

Daarop werd de weesvader naar een cel gebracht.

Lord Lister No. 0045: Het gestolen dienstmeisje · 第 15 / 21 题