Marholm haalde zijn tabakspijp uit zijn zak en begon die met fijne
Virginia-tabak te stoppen, terwijl Baxter nerveus zijn duimen om elkaar
heen draaide.
De Vloo streek een lucifer aan langs de zool van zijn laars, wachtte
tot de zwaveldamp was vervlogen en genoot met de kalmte van een
fijnproever van zijn tabak.
Nadat hij Baxter eenige rookwolken in het gezicht had geblazen, sprak
hij:
„Nu, inspecteur, wat zal ik met den weesvader doen? Wilt gij den man
niet een verhoor afnemen? Wij mogen blij zijn, dat Raffles ons een
dergelijk walgelijk individu stuurt, om, naar hij ons schrijft, onze
verzameling te completeeren.”
Baxter riep op woedenden toon:
„Ik heb niets tegen de arrestatie van dezen schurk en ben er blij om,
dat deze booswicht eindelijk zijn welverdiende straf krijgt. Maar”—hij
zweeg, klemde zijn lippen vast op elkaar en rolde woest met zijn
oogen—„het eigenlijke van de zaak is, dat Raffles mij weer tegenover de
wereld heeft geblameerd.
„Het mocht, wat mij betreft, een duizendmaal erger misdadiger zijn dan
deze weesvader, als Raffles hem mij zendt, had ik liever dat hij in
vrijheid was gebleven!”
„Een mooie opvatting!” antwoordde de Vloo. „Vat gij op die manier ons
beroep van detective op? Op die manier zou ik liever misdadiger dan
beambte van politie zijn!”
De oogen van inspecteur Baxter rolden nog woester in hun kassen heen en
weer.
„Houd je geestigheden voor je, Marholm. Ik zeg je dat voor den
honderdsten keer! Je groote mond zal je nog eens je betrekking kosten!”
De Vloo zuchtte met een lachend gezicht en antwoordde:
„Groote Hemel! Ik wou, dat mijn groote mond eindelijk eens zoo
onuitstaanbaar voor u was, dat gij genoeg van mij kreegt. Want het is
heusch geen genot om bij u, inspecteur, voor secretaris te moeten
spelen!”
„Zoo?” vroeg Baxter. „Nu, dit verzeker ik je, Marholm, dat ik, als ik
morgen mijn einde voelde naderen, je bij mijn opvolger zou aanbevelen
als den besten en bekwaamsten van al mijn beambten en het meest
geschikt voor het baantje van secretaris. En dit alleen om je een
genoegen te doen! En nu verzoek ik je om voortaan wat meer eerbied voor
mijn persoon aan den dag te leggen”.
„Dat kan ik u niet beloven”, lachte de Vloo, „de eerbied, dien ik voor
u moest hebben, inspecteur, voel ik alleen voor John Raffles!”
„Zwijg toch eindelijk van Raffles. Ik wil van dien man niets meer
hooren!”
„Ja!” lachte de Vloo, „dat zoudt gij wel willen, niets meer te hooren
van John Raffles! Maar maak u daarover niet ongerust, hij zorgt er zelf
wel voor, dat er voortdurend over hem wordt gesproken”.
De laatste woorden had hij onduidelijk gemompeld, zoodat Baxter ze niet
had verstaan en op diens vraag:
„Wat zeg je, Marholm?” antwoordde deze:
„Niets, niets, inspecteur, ik dacht alleen maar!”
„Hier wordt niet gedacht!”
„Ik zal er mijn best voor doen”, antwoordde de Vloo.
„Mooi! En doe nu eindelijk eens, wat ik je als chef beveel. Laat ons nu
de noodige maatregelen nemen wat betreft den weesvader, opdat ik
eindelijk weer wat nachtrust kan nemen”.
„En ik weer kan genieten van mijn verhaal”, sprak de Vloo. „Ik lees
daar juist een geschiedenis van Sherlock Holmes en ben nieuwsgierig, op
welke wijze hij dezen keer de schurken naar den duivel jaagt. Men
geniet ervan als men leest, hoe zoo’n gemeene misdadiger, niet een man
van eer, zooals Raffles, gepakt wordt!”
„Ik zal morgen”, stoof de inspecteur op, „een bevel uitvaardigen,
waarin mijn beambten het lezen verboden wordt!”
„Ha, ha!” lachte de Vloo, „een dergelijke dwingelandij bestaat niet in
ons vrije Engeland! En het zou heel goed voor u zijn, als gij eens een
blik wierpt in die boeken, want daardoor leert men de schurken kennen
en verachten!
„Bovendien wordt men er vijftig procent verstandiger van, wat wij
beiden bijzonder goed kunnen gebruiken.
„Ik moet u eerlijk bekennen, dat ik er u tot dusverre sterk van
verdacht, thuis dezelfde boeken te lezen, want, behalve waar het
Raffles betreft, zijt gij een uitstekend beambte”.
„Wie vertelt u dat?” beet de inspecteur hem toe. „In elk geval, hoe het
dan ook zij, lees ik niet gedurende mijn diensturen, dan heeft men wel
wat anders te doen!”
„Zeker”, sprak de Vloo op luiden toon en zacht liet hij er op volgen:
„Dan slaapt men!”
„Als men met u redeneert”, merkte Baxter op, „komt men tot geen
resultaat. Ik geloof, Marholm, dat je de beste vischvrouw van geheel
Londen omverpraat...
„En nu zal ik mij eindelijk met den weesvader bezig houden”.
Hij opende de deur van het kleine vertrek naast zijn bureau en ging
daar binnen. In deze kamer wachtte de weesvader, onder bewaking van
twee politie-agenten, op zijn verhoor.
Met een gewichtige uitdrukking op zijn gelaat keek de inspecteur den
arrestant vol minachting aan en sprak:
„Gij zijt een nette kerel! Wij mogen van geluk spreken, dat wij u
eindelijk gevangen hebben genomen”.
De Vloo, die op den achtergrond stond, lachte inwendig.
„Reeds sinds langen tijd heb ik u in stilte laten gadeslaan”, vervolgde
Baxter.
„Het zal er nog mee eindigen”, mompelde Marholm, „dat hij hem zelf in
hechtenis heeft genomen.”
„Wat hebt gij te antwoorden op de beschuldigingen?”
Met gebogen hoofd en neergeslagen oogen antwoordde de gevangene
haperend en op huilenden toon:
„Ik heb alles bekend en verzoek dringend om een milde straf”.
„Doe niet alsof gij een oud wijf waart, door op zoo’n huiltoon te
spreken!” schreeuwde Baxter.
„Dat hadt gij vroeger moeten doen! Nu is het te laat! Maar zoo zijt
gij, schurken, allemaal! Eerst voert gij allerlei slechtheden uit en
later hebt gij er spijt van!
„Gij huilt echter niet om uw slachtoffers, maar alleen omdat gij zoo
dom zijt geweest, u te laten gevangen nemen!
„Maar......”, de inspecteur zette vol trots een hooge borst op, „gij
vergeet maar al te vaak, dat gij te doen hebt met mij,
politie-inspecteur Baxter van Scotland Yard! Gij vergeet, dat ik met
Argusoogen over Londen waak en u, schurken, allemaal breng waar gij
behoort!
„Gij denkt er niet aan, dat tot dusverre nog geen enkele misdadiger het
tegen mij heeft uitgehouden!”
„Behalve Raffles!” merkte Marholm op, zoodat Baxter het hoorde.
De woedende blik, dien hij op de Vloo wierp, maakte dezen in het geheel
niet bang, maar amuseerde hem zoodanig, dat hij zijn mond vertrok tot
een breeden grijnslach, zoodat de inspecteur de zwarte, door tabaksrook
gekleurde tanden kon zien.
„Ga zitten”, snauwde Baxter hem toe. „Schrijf! Of denkt ge, dat ge hier
zijt om in een hoek te staan grijnslachen? Gij werkt in den laatsten
tijd zeer slecht en als dat zoo door blijft gaan— —”
Hij zweeg en de Vloo vulde aan:
„Dan ontslaat gij mij!”
„Schrijf!” beval Baxter nogmaals en Marholm ging gehoorzaam zitten, op
zijn gemak verder rookend en maakte zich met de kalmte van iemand, die
tijd in overvloed heeft, gereed om te gaan schrijven.
„De weesvader van— — —”
„Pardon, inspecteur, ik ben nog niet zoo ver!”
„Voor den duivel, mijnheer, wanneer kunt gij dan beginnen?”
Met onverstoorbare kalmte antwoordde de Vloo:
„Zoodra ik mijn tabakspijpje heb weggelegd en een goede pen zal hebben
gevonden. Want— —”
Hij zweeg eenige oogenblikken en bekeek zijn pennehouder.
„...... In den laatsten tijd zijn de stalen pennen, die gij mij
verstrekt, van zulk een ellendige qualiteit, dat ik er niet mee kan
schrijven. Deze bijvoorbeeld heeft de eigenaardigheid, te veel inkt op
te zuigen.”
Inspecteur Baxter stiet een meterlangen, Engelschen vloek uit en
terwijl de beide politie-agenten met moeite hun lachen bedwongen,
schreeuwde hij tot Marholm:
„Wilt gij nu schrijven of niet? Beklaag u over de pennen bij den
leverancier. Ik maak ze niet!”
„Dat is gelukkig”, sprak de Vloo, „anders zouden ze zeker totaal
onbruikbaar zijn!—Gij kunt wel beginnen, inspecteur!”
Zonder zijn secretaris met een blik te verwaardigen, begon Baxter nu
het bericht omtrent de gevangenname van den weesvader te dicteeren.
Marholm had slechts één bezwaar tegen het protocol en wel dit, dat de
inspecteur van politie in het bericht verzweeg, dat Raffles eigenlijk
de handelende persoon in deze zaak was geweest en niet Baxter.
Daarop werd de weesvader naar een cel gebracht.