DE WEESVADER IN VERHOOR.

Op denzelfden tijd, waarin Raffles deze ontdekking deed, lag inspecteur

van politie Baxter te slapen op zijn leeren sofa in het bureau van

Scotland Yard.

Hij had nachtdienst en bracht den tijd zoo nuttig en aangenaam mogelijk

door op deze wijze.

Plotseling wekte de Vloo hem op onzachte wijze uit zijn slaap.

Hij wist eerst niet waar hij was, daar hij juist van de „Lustige Witwe”

had gedroomd en persoonlijk op het tooneel als Danilo een liefdesscène

speelde met de schoone weduwe.

Sergeant Marholm gaf hem een paar flinke porren en riep:

„Opstaan, inspecteur! Het politiebureau uit Essex-street levert daar

juist den weesvader van de stad Londen als gevangene af.”

Met groote, verbaasde oogen, nog half slaapdronken, staarde Baxter de

Vloo aan en antwoordde:

„Ben je dronken, Marholm? Wat moet de weesvader van Londen als

gevangene in Scotland Yard?”

„Aha!” lachte Marholm, „die man zal wel niet veel beter zijn dan

sommige van zijn collega’s op het vasteland!”

Inspecteur Baxter was opgestaan en viel Marholm in de rede met de

woorden:

„Ben je klaar met je preek?”

„Ja,” antwoordde de Vloo, „maar het vervolg komt, namelijk de weesvader

zelf, die hiernaast in de kamer is.

„Het is merkwaardig! Ik heb hem reeds gevraagd of hij wel eens

prikkellectuur leest. Maar de man weet niet eens, wie Sherlock Holmes

is. Zoo ziet men alweer, dat dergelijke boeken geen misdadigers maken!”

„Houd nu eindelijk eens op met je voordracht en vertel mij, wat dat is

met dien weesvader.”

„Vraag hem dat zelf, beste inspecteur,” sprak Marholm. „Hij heeft reeds

een bekentenis afgelegd, het protocol ligt op uw schrijftafel!”

„Wie heeft hem gevangen genomen?”

„Ach ja!” lachte de Vloo. „Ik zou het bijna vergeten! De detective, die

hem op het bureau in Essex-street bracht, zendt u een brief. Hier is

hij!”

Hij overhandigde Baxter het couvert.

Haastig scheurde deze het open en nam het visitekaartje eruit.

Maar nauwelijks had hij een blik geworpen op de eerste regels, of hij

uitte een vloek en ging hijgend op de sofa zitten, een onmacht nabij.

„Wat is er, inspecteur?” vroeg Marholm, bezorgd nadertredend.

Baxter haalde met moeite adem, als een visch op het droge.

Met sidderende vingers hield hij Marholm het visitekaartje voor en

kermde:

„Raffles!—Raffles!”

„Raffles?” vroeg de Vloo, terwijl hij het visitekaartje aannam. Snel

las hij het en riep toen luidkeels lachend uit:

„Schitterend, inspecteur! Gij moet bij den koning een decoratie

aanvragen voor John Raffles.

„Ik zal het verzoek mee onderteekenen en ik geloof, dat alle beambten

van Scotland Yard zich dolgraag bij ons zullen aansluiten. Hebt gij

gelezen, wat Raffles schrijft?”

„Neen, neen,” zuchtte Baxter.

„Luister dan. Hij schrijft:

„Mijn lieve inspecteur van politie! Hierbij zend ik u een volbloed

exemplaar der menschelijke boosdoeners, zooals de phantasie van een

schrijver er nauwelijks een zou kunnen uitvinden. Hij is weesvader

van de stad Londen, eigenaar van de voornaamste orden en daarbij

een gemeene misdadiger op het gebied der zedelijkheid!

Terwijl ik u feliciteer met deze nieuwe aanwinst voor de

strafgevangenissen, blijf ik met voortdurende hoogachting voor u en

uw werk,

Lord Lister No. 0045: Het gestolen dienstmeisje · 第 14 / 21 题