Lord Cramesford.”
Daaronder was een kruis geteekend en door Lord Lister erbij geschreven:
„Gevallen in den slag bij Ladysmith”.
Charly Brand had dit alles nauwelijks gelezen, toen John Raffles hem
een tweede photographie en wel die uit het pakket van het dienstmeisje
overhandigde.
Vol verbazing riep Charly uit.
„Dat is hetzelfde portret!”
Dezelfde fotograaf had ze gemaakt en van dezelfde hand als zooeven,
stond hierop:
„Aan mijn lieve, dierbare Anny,
van haar trouwen
Lord Robert Cramesford”.
„Dat is meer dan merkwaardig!” sprak Charly Brand na eenig stilzwijgen.
„Charly”, zei Raffles, „meermalen heb ik de gewaarwording, alsof ik het
werktuig ben van afgestorvenen om hun onvervulde wenschen ten uitvoer
te brengen. Ik kan geen andere verklaring geven omtrent zooveel vreemde
dingen, waartoe ik gebracht word.
„Kijk eens, daar rust onder mijn dak, door mij ontvoerd, om haar uit de
slavernij van schurken te redden, de dochter van den liefsten vriend
uit mijn jeugd.
„Zijde aan zijde hebben wij in den Boerenoorlog gestreden en het
dikwijls verwenscht, dat wij in Engelschen dienst een dergelijken
smadelijken veldtocht mee moesten maken.
„Toenmaals, bij het legervuur zittende, geen oogenblik zeker zijnde
voor de kogels der Boeren, beloofden wij elkaar plechtig, dat, ingeval
een van ons beiden op het slagveld mocht blijven, de ander diens zaken
zou ordenen.
„Zooals je hebt gelezen, is mijn vriend gesneuveld.
„Toen ik naar Londen terugkwam, zocht ik zijn familie op, die bestond
uit den ouden Lord, zijn vader en een jongeren broer, die nu de
universeele erfgenaam is geworden.
„Er viel dus niets te regelen, alles was volmaakt in orde.
„Tevergeefs trachtte ik, den geheimzinnigen wensch van mijn vriend, die
blijkbaar doelde op een hartsgeheim, te vervullen.
„Zijn vader noch zijn broer konden mij ook slechts de geringste
inlichting verstrekken. Het leven van mijn vriend scheen tot aan zijn
dood zonder menschelijke dwalingen of verwikkelingen te zijn
voorbijgegaan.
„Hij zelf was echter gevallen, zonder zich tegenover mij te hebben
uitgesproken. Ik wist dus niet, wat ik nog had moeten doen en ik zou
misschien nooit meer aan die gelofte hebben gedacht, als het huidige
geval er mij niet levendig aan had herinnerd.”
„Een wonderbaarlijke schikking van het noodlot!” sprak Charly Brand.
„Ik zou werkelijk ook gaan gelooven, dat bovenaardsche machten je
leiden. Als de tanden van een raderwerk passen de gevolgen van onze
wandeling van gisteren in elkaar: De kapitein moest door jou gestraft
worden, de dokter moest gehaald worden om het gelaat te genezen en het
arme dienstmeisje moest het recept bezorgen. Jij moest het verwisselen
met een ander en het plan opvatten om het arme kind te ontvoeren!
Eigenlijk is— — —”
John Raffles luisterde niet meer, maar had op den stoel voor zijn
schrijftafel plaats genomen en begon de brieven van zijn overleden
vriend te lezen, die deze aan zijn beminde, de moeder van het door
Raffles ontvoerde dienstmeisje, had geschreven.
De reeds geel geworden brieven spraken van groote teederheid en nog in
den laatsten brief, die een dag voor den dood van den afzender was
geschreven, hoopte deze op een spoedig wederzien en op een gelukkig
huwelijk.
Hij had zelfs het plan, naar den inhoud van dezen brief te oordeelen,
om afstand te doen van erfrechten als Lord Cramesford, ten einde het
geliefde meisje te kunnen huwen.
Elk der brieven was vergezeld geweest door een aanzienlijke geldsom en
uit allen sprak zooveel liefdevolle bezorgdheid, zooveel groeten,
kussen en vragen naar het welzijn van de kleine Anna Marie, dat men uit
elken regel las, hoe diep de liefde zich had genesteld in het hart van
den jongen edelman.