Raffles had intusschen met Charly Brand en het dienstmeisje een cab
genomen en was naar zijn villa in het Hydepark gereden.
Het arme kind zat in elkaar gedoken naast den Grooten Onbekende en kon
van angst en verbazing over het gebeurde niet antwoorden op de vragen,
welke Lord Lister tot haar richtte.
Hij besloot daarom het meisje eerst thuis uit te vragen.
Met verbaasde oogen keek het „gestolen meisje” naar de kostbare
inrichting van het huis en waagde het niet plaats te nemen op den met
rood damast bekleeden stoel, dien John Raffles haar aanbood.
„Wees maar niet bang,” moedigde de Groote Onbekende haar aan, „ik
herhaal je, dat ik alleen het beste voor jou wil en dat je
morgenochtend reeds verzorgd zult worden door een familie buiten de
stad, die ik zeer goed ken; dan zal je eindelijk betere menschen leeren
kennen dan tot dusverre.
„Hoe ben je eigenlijk in het huis van den kapitein gekomen?”
„Ik ben een wees,” antwoordde het meisje, „en sinds mijn elfde jaar,
toen mijn moeder stierf, grootgebracht in het Londensche weeshuis.
„Een half jaar geleden, nadat ik was aangenomen, werd mij door het
bestuur van het weeshuis de dienst bij den kapitein aangewezen.
„O, ik heb elken avond gebeden, dat ik door een wonder uit mijn harden
dienst verlost zou worden.
„Dikwijls kreeg ik dagen achtereen niets te eten en moest toch het
zwaarste werk verrichten!”
„Het is een schandaal!” sprak Raffles, „dat men zulk een tenger
schepseltje als jij bent, als dienstmeisje haar brood laat verdienen.
Waarom heeft het bestuur van het weeshuis je niet een vak laten leeren?
Heb je soms slecht geleerd op school?”
„Neen, mijnheer! Dat niet, maar de weesvader was mij niet welgezind.
Hij haatte mij!”
„Dat is eigenaardig,” mompelde de Groote Onbekende, „hoe komt de man
daartoe?”
Bij deze vraag bloosde het meisje, zij liet het hoofd hangen en keek
bedeesd voor zich.
Onmiddellijk begreep Lord Lister, dat er iets niet in den haak was met
den weesvader.
Hij trad naar het meisje toe, legde vaderlijk zijn hand op haar
schouder en vroeg:
„Nietwaar, arm kind, de weesvader wilde slechte dingen van je?”
„Ja, mijnheer,” fluisterde het meisje.
„Een nette kerel!” lachte Charly Brand.
„Wat deed hij dan?” vroeg Raffles.
„De meeste van ons lieten het zich welgevallen en hij maakte met hen
altijd gekheid. Mijn vriendin vertelde mij dingen, die—die—”
Zij zweeg en haar fijn gezichtje werd weer door een donkeren blos
bedekt.
„Ik begrijp je,” sprak John Raffles, „je wilt de vreeselijke dingen,
die men je heeft verteld, liever niet uitspreken! Het is schande, dat
zulk een sujet weesvader mag zijn! Waarom heb je je niet beklaagd?”
„O mijnheer, geen van ons zou het gewaagd hebben, zich over den
weesvader te beklagen. Wij zouden verschrikkelijk geslagen en
opgesloten zijn!”
„Hm,” kuchte Lord Lister, „en waarom haatte de weesvader je?”
Zij verborg het gelaat in de handen en begon zacht te snikken.
„Je kunt mij gerust alles vertellen,” sprak de Groote Onbekende
vriendelijk en hij streelde zacht het blonde haar van het meisje.
Vol vertrouwen, met tranen in de oogen, keek zij naar hem op en
antwoordde:
„Kort voor mijn aanneming liet hij mij in zijn kamer komen en toen—”
„Nu, en toen?”
„Toen wilde hij mij kussen, en ik—ik duwde hem terug. Toen begon hij
vreeselijk op mij te schelden en zei, dat hij zijn maatregelen zou
nemen. Ik zou nog wel eens aan hem denken! Ik was een domme gans, hij
had het zoo goed met mij gemeend!
„Een paar weken later kwam ik in dien vreeselijken dienst!”
Vol medelijden keek Raffles naar het weenende meisje en vroeg:
„Heb je geen familie in Londen?”
„Niemand, sir!”
„En hoe heette je vader?”
„Dien heb ik nooit gekend”, snikte het meisje.
„En je moeder?”
„Zij heette Thomson en was linnennaaister voor een groote zaak in de
City.”
„Sprak zij nooit over je vader?”
„O ja, dikwijls haalde zij een photographie uit een kast en liet mij
die zien. Mijn vader droeg uniform en moeder zei, dat hij van heel
voorname familie was.”
John Raffles floot zachtjes.
Het besluit stond bij hem vast, deze zaak nader te onderzoeken.
„Waar zijn die portretten gebleven?”
„In het weeshuis.”
„Weet je dat zeker?”
„Ja, het portret en de brieven van mijn vader bevinden zich in een
klein verzegeld pakket en zijn in het weeshuis afgegeven, toen de
politie er mij bracht.
„De weesvader zei, dat ik dat alles eerst terugkreeg, als ik achttien
jaar zou zijn. Ik moet er dus nog twee jaar op wachten!”
„En heeft je moeder je nooit den naam van je vader genoemd?”
„Nooit!” antwoordde het meisje. „Mijn moeder vond het beter, dat ik den
naam niet wist; het zou mij niet gelukkiger maken, dien te kennen.”
„Ik dank je,” sprak Raffles, na eenig nadenken, „en nu zal je wel moe
zijn en zal ik de vrouw van mijn bediende laten komen. Je zult den
nacht bij die menschen doorbrengen.
„Morgen zal ik zien, wat ik verder voor je kan doen.”
Hij belde zijn ouden kamerdienaar en droeg hem, na hem eenige
inlichtingen te hebben gegeven, de zorg voor het meisje op.
Zoodra zijn beschermelinge de kamer had verlaten, stak Lord Lister een
nieuwe sigaret aan en liep peinzend eenige keeren op en neer.
„Ben je zenuwachtig?” vroeg Charly Brand, die naar het onrustige heen
en weer loopen van zijn vriend keek.
„Het heeft er veel van,” antwoordde Raffles. „Ik denk eraan, hoe
ontzettend veel ellende de menschen elkaar aandoen. Men staat er bij en
weet niet, op welke wijze men de zwakken zal helpen.
„Men zou een millioen armen en handen moeten hebben om de ellende te
keeren, die elk oogenblik door de menschen wordt veroorzaakt.
„Nu heb ik pas een menschenbeul gestraft of reeds ontdek ik een nieuwen
schurk, die nog veel meer stokslagen en Spaansche pleisters verdient
dan die Iersche kapitein.
„Ik zou zin hebben, dien weesvader dadelijk een bezoek te gaan brengen.
Heb je lust, met mij mee te gaan?”
„Het zou beter zijn, als je ging rusten. Het tooneel in de woning van
den kapitein en je val hebben je krachten uitgeput.”
„Welneen,” lachte Raffles, „ik voel mij zoo frisch, alsof ik pas een
bad had genomen.”
Londen lag in diepe rust, toen Raffles en Charly Brand het weeshuis,
dat midden in de City lag, naderden.
„Ik begrijp niet,” sprak de secretaris, „wat je midden in den nacht in
het gebouw wilt doen.”
„Laat dat maar aan mij over”, antwoordde de Groote Onbekende, terwijl
hij aan de bel trok om den portier te wekken.
Er verliep een geruimen tijd, voordat er iemand kwam en een
onvriendelijke stem riep:
„Wie is daar?”
„Open onmiddellijk de deur”, sprak Raffles, „ik moet den weesvader
dadelijk spreken voor een dringende aangelegenheid!”
Er werd een sleutel in het slot gestoken, de deur werd geopend en een
oude man met grijs haar in een Turkschen chambercloack stond voor hen.
Hij hield een lantaarn in de hand.
„Breng mij dadelijk naar den weesvader”, beval Raffles, terwijl hij den
portier eenige shillingstukken in de hand drukte.
De Groote Onbekende wist welke de uitwerking was van een fooi. Het
gelaat van den ouden man werd vriendelijk en met een beleefden glimlach
sprak hij:
„Wilt u mij de gang door volgen? Ik kan u echter niet zeggen of het ons
zal gelukken, den weesvader wakker te krijgen”.
En op vertrouwelijken toon fluisterde hij:
„Hij is namelijk een paar uur geleden van een club-diner thuis gekomen
en schijnt de flesch tamelijk aangesproken te hebben!”
Daarop ging de portier hun voor en geleidde de bezoekers door de lange,
met tegels geplaveide gang naar de woning van den weesvader.
De portier opende een glazen deur en liet Raffles en Charly Brand in
een net ingerichte vestibule.
Hij draaide het electrische licht op en verzocht den heeren, plaats te
nemen.
Daarop ging hij naar een deur aan zijn linkerhand en klopte zacht aan.
Raffles en zijn vriend vernamen duidelijk de snurkende ademhaling van
een man, die zich in de aangrenzende kamer moest bevinden.
Toen de portier voor de tweede maal klopte en geen antwoord kreeg, kwam
Lord Lister naast hem staan en sloeg hard met zijn stok tegen de deur.
Dit scheen te helpen.
Een slaapdronken stem in de kamer vroeg:
„Wat is er?”
„Mijnheer”, sprak de portier, „twee heeren wenschen u te spreken!”
„Wat?” riep deze en hij scheen volkomen wakker te zijn geworden.
„Nu, midden in den nacht? Wat zijn dat voor menschen?”
Voordat de portier kon antwoorden, riep Raffles op barschen toon:
„Doe onmiddellijk de deur open, wij zijn van politie!”
Deze woorden misten hun uitwerking niet. Duidelijk hoorde men, hoe
iemand zijn bed uitsprong en een lucifer afstreek om licht te maken.
Er verliepen eenige seconden, toen werd de deur geopend en de weesvader
stond met lijkbleek gelaat op den drempel.
„Wat wenscht gij van mij?” vroeg hij met trillende lippen.
Uit zijn houding zag men duidelijk, dat hij een slecht geweten had.
„Wij moeten onmiddellijk inlichtingen van u hebben”, sprak Raffles,
„het handelt hier om het dienstmeisje Anna Marie Thomson, die van u in
dienst is gekomen bij kapitein McGovern”.
„Wat is er met het meisje?”
Een zucht van verlichting ontsnapte aan de lippen van den weesvader,
toen hij hoorde, dat het niet om hem te doen was.
„Wij hebben het meisje een paar uur geleden moeten gevangen nemen en
hebben, om haar identiteit vast te stellen, de zich bij u bevindende
akten noodig”.
„En komt gij daarvoor nu, midden in den nacht?”
„Ja”, antwoordde Raffles, „maar wij komen niet alleen ter wille van die
documenten, wij zullen ook zoo vrij zijn, u mee te nemen”.
De weesvader ging een stap achteruit.
„Mij?” riep hij uit, „mij? Wat wenscht men van mij?”
„Dat zult gij in Scotland Yard vernemen, breng ons nu naar uw kantoor,
nadat gij u hebt gekleed en stel ons de stukken ter hand, welke
toebehooren aan Anna Marie Thomson”.
Angstig vroeg de weesvader:
„Moet ik als getuige opkomen, of heeft men mij aangeklaagd?”
Raffles haalde de schouders op.
Inplaats van te antwoorden, sprak hij op scherpen toon:
„Maak voort, wij hebben weinig tijd te verliezen!”
Toen de weesvader zijn boord en das niet dadelijk kon vinden, snauwde
de Groote Onbekende hem toe:
„Dat ziet niemand in donker! Kom mee zonder boord!”
De weesvader, die tijd wilde winnen, antwoordde:
„Maar ik bid u! Als weesvader van de stad Londen kan ik toch zoo niet
uitgaan!”
„Jawel”, antwoordde Lord Lister, „want voorloopig zijt gij hier niet
meer weesvader, gij zijt mijn gevangene!”
De knieën van den man knikten. Hij wankelde, zoodat Charly Brand en
Raffles hem moesten steunen, toen zij naar het kantoor gingen om daar
uit een kast de akten en het door Raffles gewenschte, verzegelde pakket
met de brieven en portretten te halen.
Zorgvuldig stak de Groote Onbekende het pakket in zijn borstzak,
terwijl hij Charly Brand de documenten gaf.
Daarop sprak hij tot den weesvader:
„Vooruit! Er is haast bij!”
„Mag ik mijn hoed niet even opzetten?” vroeg de gevangene bescheiden.
„Dat behoeft niet in den nacht.”
„Maar dan toch mijn laarzen, ik heb alleen pantoffels aan, niet eens
kousen.”
„Die hebt gij als gevangene ook niet noodig”, klonk het antwoord; „en
opdat gij geen poging zult wagen om te vluchten, zal ik u uw bretels
maar afnemen.”
Voordat de beambte een afwerende beweging kon maken, had Raffles zijn
bretels losgeknoopt en de weesvader moest met beide handen zijn
afzakkende pantalon vasthouden.
Daar de weesvader vrij corpulent was, was dit een komiek gezicht.
Hij deed nog een laatste poging, voordat ze op straat waren gekomen,
door te vragen:
„Mag ik den heeren misschien een glaasje brandewijn aanbieden?”
„De duivel moge je halen”, vloekte Raffles, „wij bedanken voor je
brandewijn. En nu vooruit! Kom mee!”
Hij pakte den weesvader bij den kraag, gaf den portier bevel, de
huisdeur open te sluiten en nam den arrestant mee naar buiten.
Daar deze tengevolge van zijn zwaarlijvigheid niet zoo vlug kon loopen
als John Raffles en Charly Brand, gaf de Groote Onbekende hem af en toe
een flinken slag met de bretels en sprak op aanmoedigenden toon:
„Vooruit, oude schurk, nu is het uit met je weesvaderschap! Loop een
beetje flink, anders zal ik je een handje helpen!”
Den weesvader stond het zweet in dikke druppels op het vette gelaat en
hij zuchtte:
„Wat heb ik dan misdaan, dat men mij als een moordenaar door de straten
sleept midden in den nacht!”
Lord Lister gaf hem opnieuw een slag op den vetten rug en riep:
„Dat zullen de kleine meisjes uit het weeshuis je wel vertellen! Ik
geef je alleen maar een goeden raad, beken openhartig, opdat je een
geringere straf krijgt, anders verzeker ik je, dat je tot levenslange
tuchthuisstraf wordt veroordeeld!
„En nu voorwaarts marsch het plein over! Daar aan de overzijde is het
politiebureau!”
De officier van politie, die nachtdienst had, keek zeer verbaasd, toen
de arrestant werd binnengebracht.
Lord Lister groette kortaf.
Daar de officier van politie zijn penning niet vroeg te zien, geloofde
hij onmiddellijk de woorden van Lord Lister, die zich voorstelde als:
detective Johnson van Scotland Yard.
De gevangen genomen weesvader was den politiebeambte een voldoende
bewijs voor de identiteit van den detective, voor handigheid en
bekwaamheid.
„Ik heb dezen persoon in hechtenis genomen en verzoek u, onmiddellijk
protocol op te maken van het verhoor.”
„Waarom brengt gij den man niet, zooals dat de gewoonte is, naar
Scotland Yard?” vroeg de officier van politie.
„Daarvoor moet gij hier zorgen”, klonk het antwoord, „ik moet nog een
tweede arrestatie uitvoeren en wel den inspecteur van het weeshuis.
„Hij kon mij anders wel eens ontsnappen. Wees dus zoo goed, de
bekentenis van den weesvader, die hij hier zal uitspreken, dadelijk op
papier te brengen!”
„Allright” knikte de officier en hij riep zijn wachtmeester en zijn
secretaris binnen.
„Vertel nu de waarheid!” beval Raffles den arrestant op scherpen toon,
terwijl hij hem met doordringenden blik aankeek, „en denk aan den
goeden raad, dien ik u heb gegeven. Als gij nu uw misdaden bekent, zult
gij een zachte straf krijgen.”
De gevangene was als verpletterd in een stoel gezonken en droogde met
de rechtermouw,—want hij had geen zakdoek bij zich—het zweet van zijn
gelaat.
Hij dacht er niet aan zich te verdedigen. Hij was door Raffles
overvallen en dus op niets voorbereid geweest.
Nadat hij de noodige inlichtingen omtrent zijn persoon had gegeven,
bekende hij, dat hij in de laatste jaren een strafbaren omgang had
gehad met verscheiden weesmeisjes en er een bijzonder vermaak in had
gevonden om de meisjes met een stok te tuchtigen.
Voor dat doel had hij een houten blok laten maken, waaraan de meisjes
werden vastgebonden om zoo door hem met een rieten stokje geslagen te
worden.
De officier van politie spuwde verachtelijk voor den schurk uit en
sprak tot Raffles:
„Daar hebt gij een beste vangst gedaan! Ik feliciteer u wel! Ik zal den
kerel onmiddellijk onder veilig geleide naar Scotland Yard laten
transporteeren!”
„Uitstekend!” antwoordde Raffles. „Ik verzoek u, een paar regels van
mij mee te geven aan inspecteur Baxter.”
De groote Onbekende ging aan de schrijftafel zitten, nam een
dienstcouvert en schreef daarop:
„Aan den heer Inspecteur Baxter,
Scotland Yard.”
Daarop haalde hij een kaartje uit zijn zak, schreef er eenige regels op
en sloot het in het couvert.
Hij overhandigde den brief aan den politie-officier en ging heen.
Toen hij bij de deur stond, vroeg deze beambte hem:
„Brengt gij den inspecteur van het weeshuis ook hier? Als dat het geval
is, maak ik alvast de noodige toebereidselen voor het tweede protocol!”
„Die gaat direct naar Scotland Yard!” sprak Raffles.
„Allright!”
Daarop verliet de Groote Onbekende het politiebureau en ging naar
Charly Brand, die op straat wachtte en vol zenuwachtige ongerustheid
heen en weer liep.
Een cab, die langzaam voorbij reed bracht hen terug naar hun woning in
Hydepark.
Het was reeds drie uur in den morgen toen Raffles weer in zijn
studeerkamer stond.
Met een ironischen glimlach legde hij de bretels van den weesvader op
zijn schrijftafel en sprak:
„Zie je, beste Charly, dezen man heb ik voor een goed doel met een
afgezakte pantalon laten loopen.
„Kom, nu wil ik de brieven eens gaan bestudeeren en de portretten
bekijken om te weten te komen, wie de vader van het door mij geroofde
dienstmeisje is.”
Met een pennemesje maakte hij het verzegelde pakket open en nauwelijks
had hij een blik geworpen op het cabinetportret dat bovenop lag, of hij
sprong verbaasd op en riep:
„Maar hoe is dat mogelijk? Dat is niet te gelooven! Dat kan niet waar
zijn!”
Charly Brand keek zijn vriend vol verwondering aan. Deze opende zijn
schrijftafel, nam er een leeren cassette uit en haalde daaruit een pak
photographieën te voorschijn.
Na haastig gezocht te hebben, overhandigde hij zijn secretaris een
portret in cabinetformaat.
„Lees eens Charly, wat hier staat.”
„Aan mijn geliefden vriend Lord Edward Lister, kolonel in het
Schotsche regiment lanciers. Ter herinnering aan onze gezamenlijke
campagne in Afrika.