Nu klonk duidelijk een gekerm op de gang.— —

Het vlechtje van de kapiteinsvrouw, dat veel op een rattestaartje

geleek, rees in de hoogte van ontzetting, terwijl op het voorhoofd van

haar heer en gebieder het angstzweet stond.

„Wil je ons koelbloedig laten vermoorden, jij lafaard?” beet mevrouw

hem toe, haar echtgenoot een hevigen stoot in den rug gevend.

„Is je leven je zoo weinig waard, dat je niet eens maatregelen neemt om

je te verdedigen?— —

„O, wat ben jij voor een mensch, wat een lafaard!

„En in jou zag ik tot nu toe den toekomstigen veldheer van Engeland,

die eindelijk het gehate Duitschland zou overwinnen!

„Jij stumperige kerel, sta toch op! Neem je revolver en toon den

inbreker dat je een held bent!”

„Maar als er nu eens meer zijn, lieve Eulalia?” waagde hij het met

zwakke stem te antwoorden.

Nu begon zij te krijschen:

„Wat?... Wat?... Ik dacht, dat je vanmiddag een gevecht had geleverd

met twaalf misdadigers en nu ben je bang voor een enkelen? Wat ben ik

een ongelukkige vrouw, zoo’n laffen man te hebben! O! O!”

Of hij wilde of niet, de kapitein moest gehoorzamen, hij nam de

revolver, die op het nachtkastje lag en sloop met knikkende knieën naar

de deur, rillende van koude, ondanks het warme weer.

Zijn vrouw was eveneens uit bed gestapt en greep als wapen een

waterkaraf.

Zij was, in tegenstelling met haar man, dapper en strijdlustig en nog

voordat de kapitein het kon beletten, opende zij de slaapkamerdeur.

Een oogenblik later week zij verschrikt achteruit.

Angstig klemde zij zich aan haar echtgenoot vast en deze zocht

wederkeerig steun bij haar.

Beiden voelden, dat zij op het punt waren, flauw te vallen.

Bij het licht van de lamp, die in de slaapkamer brandde, zagen zij John

Raffles in een bloedplas op den steenen vloer liggen.

„Een moordenaar, Harry,” fluisterde zij bevend.

„Een inbreker,” riep de kapitein met gesmoorde stem.

Door liet rumoer eveneens uit haar slaap gewekt, was het kleine

dienstmeisje ook naderbij gekomen.

Zij kwam op dit oogenblik te voorschijn uit haar kamertje, aan het eind

van de gang.

Nauwelijks had zij den persoon op den grond zien liggen, of zij riep:

„Groote hemel, die arme man is dood!”

Zonder aarzelen snelde zij naar hem toe, boog zich over hem heen en

vroeg:

„Zal ik een dokter voor u halen? Hebt gij u erg pijn gedaan? Wat

scheelt u?”

Deze woorden van het meisje gaven het echtpaar weer een beetje moed.

Met onzekere schreden kwamen zij naderbij, nog steeds op elkaar

steunende. Maar nauwelijks hadden zij zijn gelaat gezien of zij

sprongen weer vol ontzetting achteruit en barstten in woest geschreeuw

los.

„Dat is hij! Dat is hij!” riep de dappere kapitein, stiet als een

waanzinnige zijn vrouw de gang in, vloog naar de slaapkamer terug,

wierp de deur achter zich dicht en grendelde deze drie keer.

Dit nog niet voldoende achtende, begon hij de deur te barricadeeren met

stoelen, tafels en andere meubelstukken.

Zijn vrouw, die tengevolge van den duw tegen den muur aangevlogen was,

stond een oogenblik sprakeloos.

Toen kwam haar vrouwelijk instinct haar te hulp en wees haar een weg

ter redding en een middel om den bewustelooze onschadelijk te maken.

In den hoek onder de trap hing een waschlijn.

Deze greep zij en zij begon als een krankzinnige den bewusteloozen

Raffles tot een pakje samen te binden.

Daarop snelde zij naar de slaapkamer, sloeg met haar vuisten op de deur

en schreeuwde:

„Doe open! Doe open!”

„Help! Help!” klonk het van binnen terug, „heb medelijden met mij!

Spaar mijn leven!”

„Idioot! Gek! Schapekop!” riep zijn vrouw terug. „Ik ben het immers!

Kom er uit, Harry, de moordenaar is onschadelijk gemaakt! Ik heb hem

met de waschlijn vastgebonden!”

„Is dat werkelijk waar?”

„Het is zoo, Harry! Kom eruit, Harry en overtuig jezelf. Wij zullen nu

de politie roepen opdat zij den man kan gevangen nemen.”

„Lieg je niet? Kun je het mij bezweren?”

„Ik zweer het je, ellendige lafaard, maak de deur open, of ik haal een

bijl en sla ze stuk!”

„Heeft hij je geen kwaad gedaan?”

„Neen, Harry, niets! Ik heb hem vastgebonden en hij ligt hulpeloos

neer. Kom hier, Harry! Kom hier!”

Nu begon de kapitein de barricade van de deur weg te ruimen en, nadat

hij een revolver in de hand had genomen, opende hij de deur eindelijk.

Met een schuwen blik overtuigde hij zich ervan, dat zijn vrouw waarheid

had gesproken.

Nu kwam zijn moed terug.

Hij sprong naar den bewustelooze toe, gaf hem een trap en riep:

„Aha, ellendige schurk! Gemeene misdadiger! Jij, galeiboef, deze keer

ben je aan het verkeerde adres gekomen. Beweeg je niet, of ik schiet je

neer!”

Dreigend hield hij den geboeiden man de revolver voor.

Raffles, die intusschen weer tot zich zelf was gekomen, overzag met één

enkelen blik de gevaarlijke omstandigheden, waarin hij zich bevond— —

—hij dacht een oogenblik na, maar de toestand was wanhopig.

Hij voelde, dat hij bij het vallen van de trap twee tanden had verloren

en verzocht, daar zijn mond bebloed was, een beetje water.

„Ellendige hond!” schreeuwde de kapitein, het wapen nog steeds op hem

gericht houdende, „eindelijk zul je je welverdiende straf krijgen!”

En toen de Groote Onbekende trachtte, gemakkelijker te gaan liggen,

schoot de kapitein zijn revolver op hem af.

Gelukkig miste de kogel en woedend schreeuwde de kapitein:

„Eulalia, help, help, hij wil zich losmaken!”

„Vervloekt! Schiet toch niet, man!” sprak Raffles. „Gij ziet immers,

dat ik mij niet verdedigen kan. Leg uw revolver weg! Gij zoudt er een

ongeluk mee kunnen begaan, want schieten kunt gij niet!”

„Wat?” riep de kapitein uit, „wat, zou ik niet kunnen schieten! Dat zal

ik hem eens anders toonen!”

In zijn blinde woede hield hij opnieuw zijn revolver gereed en wilde

vuren, toen het kleine dienstmeisje, dat in den ongelukkige haar

geheimzinnigen vriend had herkend, de revolver van den kapitein op zij

sloeg, zoodat het schot krakend in den muur terecht kwam.

„Sla hem dood, Harry, sla hem dood!” riep de vrouw van den kapitein,

terwijl zij met een bezem haar man te hulp kwam.

Blindelings sloeg zij naar den geboeide, zoodat deze niets anders kon

doen dan zich bedaard te houden.

„Ha, Eulalia, kijk eens, wat ik hier vind!”

Bij die woorden bukte zich de echtgenoot der furie.

„Wat is er, Harry? Wat heb je daar?”

Zegevierend nam de kapitein iets van den grond op tusschen duim en

wijsvinger en hield het in de hoogte:

„Een zegeteeken, lieve Eulalia! Een zegeteeken, dat wij in den

gevaarlijken strijd met dezen man hebben verworven. Kijk eens, de

vuistslag, dien ik hem gaf en die hem neervelde, kostte hem twee

tanden!”

„Een vuistslag? Een vuistslag? Wanneer heb je hem dien gegeven?” vroeg

mevrouw verbaasd.

„Heb je dat niet gezien?” vroeg de kapitein op beleedigden toon.

„Mijn beroemde bokserslag?— —Bliksemsnel gaf ik den inbreker er een,

toen wij de deur van de slaapkamer uitkwamen—heb je dat werkelijk niet

gezien?”

„Ik ben heelemaal van streek, lieve Harry, alles draait voor mijn

oogen. Heb jij hem werkelijk neergeslagen?”

„Ja zeker, dat heb ik gedaan! Ik was de overwinnaar van dezen man. Ik

heb hem neergeveld! Kijk eens, Eulalia, ik zal je laten zien, hoe die

beroemde bokserslag is. Dat is de slag, dien men in het Iersche

regiment alleen van mij kan leeren en die zoo gevreesd is, dat niemand

het waagt zich met mij te meten.

„Als jij het mij niet hadt belet, en de slag den kerel op de juiste

plek had getroffen, had hij in plaats van deze twee tanden, zijn

geheele gebit verloren.

„Je weet niet, hoe verschrikkelijk ik kan zijn, omdat ik door mijn

liefde voor jou, Eulalia, van een tijger in een lam ben veranderd— — —

„Maar liefste, dit zeg ik je: wek den duivel niet op, die in mij

sluimert, want dan sta ik niet voor mij zelf in.”

Hij knarste met de tanden en verdraaide de oogen.

„Ja, dan Eulalia, zou ik gevaarlijker zijn dan het gevaarlijkste

roofdier. Je beenderen zou ik tot pap slaan, je haren uit je hoofd

rukken en er zou niets van je overblijven dan een grafsteen met den

naam: Eulalia!”

Voor den eersten keer in haar leven keek de vrouw van den kapitein

rillend en bevend naar haar man.

Hij leek haar werkelijk op dit oogenblik, nu hij in zijn opgeheven hand

de bloedige tanden van den Grooten Onbekende hield, een Simson.

Bijna angstig en onderdanig naderde zij hem en vroeg:

„Wat zal er nu gebeuren, lieve Harry?”

„Ah!” riep de kapitein, „mijn vriend, kolonel Humbert, heeft zich van

zijn tijgerjachten in Indië van elk neergeschoten beest een tand in

goud laten zetten, welke hij nu aan zijn horlogeketting draagt.

„Ik zal evenzoo doen: één zal ik als dasspeld dragen en jou de andere

aan je armband geven, dan hebben wij voor ons geheele leven een

herinnering aan den gevaarlijken strijd met dat sujet daar!—

„Dit zijn menschelijke tijgertanden! En geheel Londen zal ons die

souvenirs benijden.— —

„Snel nu naar de telephoon, terwijl ik den misdadiger met mijn

revolvers bewaak en roep de politie.”

Noch de kapitein, noch zijn vrouw hadden opgemerkt, dat het

dienstmeisje den Grooten Onbekende water te drinken had gegeven,

terwijl Raffles haar toefluisterde:

„Maak de huisdeur open!”

Hij had zich niet in het meisje vergist.

In dit schijnbaar zwakke schepseltje heerschte een diepgeworteld gevoel

van dankbaarheid voor het geschenk, dat Raffles haar dien middag had

gegeven.

Zonder op de mogelijke gevolgen van haar daad te letten, liep zij naar

de huisdeur en opende deze juist toen haar meesteres per telefoon het

naaste politiebureau waarschuwde.

John Raffles richtte zich met een snelle beweging op en gaf den vlak

bij hem staanden kapitein op Japansche boksersmanier zulk een

geweldigen stomp in den buik, dat deze als een bal op den grond rolde.

In het volgende oogenblik deed John Raffles het tusschen hem en Charly

Brand afgesproken fluitsignaal hooren.

Luid weerklonk het gefluit over de straat en Charly Brand, die aan de

overzijde op den loer stond, trok zijn revolver te voorschijn en snelde

met een paar reuzensprongen naar den ingang van het huis.

Met een enkelen blik begreep hij het gevaarlijke van den toestand.

„Een mes!” riep Raffles hem toe, „haast je! De politie is reeds

opgebeld! En daar het bureau slechts een paar huizen hier vandaan is,

hebben wij de jachthonden over eenige minuten op ons dak!”

Zonder zich te bekommeren om den kapitein, die bevend van angst op den

grond lag en geen kik durfde geven, terwijl zijn vrouw met knikkende

knieën bij de telefoon stond, haalde Charly Brand een vlijmscherp

Zweedsch mes uit zijn zak, en sneed daarmede de waschlijn door,

waarmede Raffles gebonden was.

Dit alles speelde zich af in een paar seconden.

Eindelijk was de Groote Onbekende vrij.

Hij rekte zijn leden uit. Daarop greep hij het verbaasde dienstmeisje

bij den arm en sprak:

„Voor jou ben ik hier gekomen. In dit moordhol kan je niet blijven! Ik

neem je mee!”

„Het is hoog tijd! Haast je!” waarschuwde Charly Brand. „Ik hoor al op

de straat een politie-patrouille aankomen. Vooruit!”

Het meisje wilde zich eerst verzetten. Zij wist niet, wat de beide

vreemde heeren met haar voorhadden.

„Ik zal je geen kwaad doen,” sprak Raffles, „maar je integendeel uit

slechte handen redden.”

Hij greep den arm der kleine stevig vast en trok haar mee naar buiten.

Daar keerde hij zich nog even om en riep den kapitein toe:

„Wij zien elkaar terug, ouwe menschenbeul! Ik wil van u den bokserslag

leeren kennen, dien gij mij hebt toegebracht! Tot weerziens, ellendig

creatuur!”

Daarop sprong hij met Charly Brand, het meisje tusschen hen in nemend,

het stoepje naar de straat af en verdween in het nachtelijk donker,

terwijl het geschreeuw om hulp van de kapiteinsvrouw hun nog in de

ooren klonk en haar echtgenoot hun een schot achterna zond.

Nu naderde ook reeds de politie.

„Wat is hier te doen, wat is er aan de hand?” vroeg de sergeant, die de

manschappen aanvoerde.

„Raffles was hier!” schreeuwde McGovern.

„Ik had hem neergeslagen en geboeid. Bij dien strijd heeft hij twee

tanden verloren. Kijk, hier heb ik ze!”

Nieuwsgierig drongen de politieagenten om hem heen, om den zeldzamen

buit te bekijken.

„Dat is prachtig mooi!” sprak de sergeant van politie na eenige

oogenblikken, „maar de tanden van den Grooten Onbekende helpen ons

niets, die kunnen wij niet achter de tralies zetten.

„Waar is Raffles zelf? Of is hij soms weer ontvlucht?”

„Ja en wel door uw schuld!” raasde de vrouw.

„Neem mij niet kwalijk, mevrouw,” antwoordde de sergeant op gekrenkten

toon, „wij komen daar juist eerst in uw huis. Hoe kan het nu onze

schuld zijn, dat Raffles ontvlucht is!”

„En toch is het zoo!” vervolgde de kapiteinsvrouw, „maar gij zijt als

altijd te laat gekomen!”

„Wij zijn onmiddellijk hierheen gesneld! Vlugger kon het met den besten

wil niet! Gij hadt hem niet moeten laten ontkomen, mevrouw!”

„Zoo?” vroeg zij op scherpen toon. „Wat kan men doen, als plotseling de

huisdeur opengaat en een gemaskerde roover binnentreedt, die iemand een

revolver onder den neus duwt?”

„Aha!” knikte de sergeant van politie, „dus een medeplichtige heeft hem

bevrijd!”

„Ja!” antwoordde de kapiteinsvrouw. „Hij heeft den gevangene, dien ik

met een waschlijn had vastgebonden, losgesneden en is daarop met hem

gevlucht.

„En wat het allergekste van de geschiedenis is, mijne heeren, het

ongelooflijkste! De misdadigers hebben mijn dienstmeisje gestolen!— —

—”

Met open monden keken de politiebeambten de spreekster aan, zij durfden

hun ooren niet gelooven!

„Wel vervloekt, mevrouw”, riep de sergeant uit, „wat heeft Raffles van

u gestolen?”

„Mijn dienstmeisje!” schreeuwde de vrouw des huizes op gillenden toon,

„een vies, vuil, leugenachtig schepsel, een dievegge! Zij steelt als

een ekster!”

„Nu,” sprak de aanvoerder der politieagenten droogjes, „dan moogt gij

blij zijn, dat gij dat schepsel kwijt zijt!”

„Wat? Wat denkt gij? Wat durft gij beweren?” krijschte zij verder.

„Ik ben een hulpbehoevende, zieke vrouw, wat moet ik zonder

dienstmeisje beginnen? Wie moet morgen vroeg thee zetten voor mijn man?

En wie moet boodschappen voor mij doen? O, ik wil niet eens aan al die

narigheid denken!”

„Kom, dan moet gij zelf maar eens gaan, mevrouw!” antwoordde de

sergeant. „Mijn vrouw doet haar inkoopen ook elken morgen zelf!”

Het volgende oogenblik wenschte hij tien mijlen ver weg te zijn.

Een stortvloed van scheldwoorden vloog hem naar het hoofd.

Als een godin der wrake stond de vrouw van den kapitein voor den

sergeant van politie en schreeuwde in de grootste opgewondenheid,

terwijl haar stem oversloeg:

„Ik ben een dame! Ik ben een dame! Hoe kunt ge mij met uw vrouw

vergelijken! Weet gij niet, hoe ik heet? Mijn naam is mevrouw kapitein

Eulalia Mac Govern! Mijn man is kapitein van de Iersche koninklijke

garde in den Tower!

„Gij schijnt te vergeten, met wie gij de eer hebt te spreken! O, mijn

hemel! Wie zal morgen de laarzen van mijn man poetsen!

„Ik had liever gehad, dat Raffles de beurs van mijn man (hierin bevond

zich zelden meer dan een shilling) of mijn zilver had gestolen (dat was

alles onecht) dan het dienstmeisje.”

De politieagenten bedwongen met moeite hun lachen en een van hen, die

op den achtergrond stond, merkte op:

„Dan was dat vuile dienstmeisje Raffles zeker meer waard dan heel het

tafelzilver en de beurs van den kapitein.”

„Hoe? Wat?” gilde de vrouw. „Mijn tafelzilver? Mijn tafelzilver heeft

200 pond sterling gekost!”

„Een kleinigheidje voor Raffles, daarmee bemoeit hij zich in het geheel

niet. Hij heeft liever paarlen en dus was uw dienstmeisje zeker de

eenige parel, die hier te vinden was.

„Overigens moet gij den eerstvolgenden keer, dat gij Raffles weer

gevangen hebt, den inspecteur van politie Baxter waarschuwen, die kan

even handig met hem omgaan als gij!”

„Vooruit mannen, naar huis!” beval de sergeant, wien het geval begon te

vervelen.

Op dit oogenblik werd het huis bestormd door verschillende

verslaggevers, die per auto waren aangekomen en schreeuwden:

„Waar is Raffles? Waar is Raffles?”

Een van hen had een camera in de rechterhand en in de linker een

toestel voor magnesiumlicht.

Het was een verslaggever van de Times, die op het bericht van Raffles’

gevangenneming, dat bliksemsnel door de buurt verspreid was, hierheen

was gekomen om het merkwaardige tooneel te vereeuwigen.

De tweede heer was een nieuwtjesjager van de Daily News en op hem

volgden verscheiden andere.

Met ongekende vlugheid hadden de kranten hun vertegenwoordigers

uitgezonden.

De sergeant van politie lachte spottend en sprak:

„Mijne heeren, het is jammer van uw nachtrust! Raffles is er lang

vandoor!”

„Wat heeft hij gestolen?” vroeg de reporter van de Times.

„Een dienstmeisje!” antwoordde een der politieagenten.

De verslaggevers waren nu even verbaasd als de politiebeambten het

eerst waren geweest.

„Jawel!” riep de geestige agent, „hier is een parel gevonden van

onschatbare waarde! Zij moet wel lui zijn, leugenachtig, oneerlijk, en

wie weet wat nog meer, maar Raffles heeft haar toch gestolen!

„Al het verdere zult gij van mijnheer den kapitein zelf hooren, die

twee tanden roemrijk in den slag heeft veroverd.”

Hierop formeerden zich de politieagenten en begaven zich lachend naar

hun bureau terug.

Kapitein McGovern echter vertelde den verslaggevers, die vol ijver zijn

woorden stenografeerden, van zijn vreeselijk gevecht met John Raffles,

wees hun de bloedplek en de tanden en eindigde met de woorden:

„Ik ben bereid, mijne heeren, om ieder van u, die zijn tanden vannacht

nog graag wil missen, den bokserslag toe te brengen!”

Eenstemmig bedankten de verslaggevers daarvoor en snelden daarop met

hun auto’s, die in een lange rij voor het huis stonden, naar hun

redacties, om het nieuwste sensatiebericht van Raffles: twee verloren

tanden, den Ierschen bokserslag van den geweldigen kapitein Mac Govern

en het gestolen dienstmeisje nog in de ochtendbladen geplaatst te

krijgen.

Lord Lister No. 0045: Het gestolen dienstmeisje · 第 9 / 21 题