TWEE TANDEN.

De Londensche avondbladen waren juist uitgekomen, toen

politie-inspecteur Baxter, vergezeld door zijn secretaris, den dikken

Marholm, langs het Strand wandelde, om den avond in het Lyceumtheater

door te brengen.

„Merkwaardig!” sprak „de Vloo” tot zijn chef.

„Wat is merkwaardig?” vroeg de inspecteur, zijn ondergeschikte met een

scheeven blik aanziende.

„Ik bedoel,” antwoordde Marholm, „dat wij sinds ongeveer vijf weken

niets van onzen vriend John Raffles hebben gehoord.”

Baxter zette een gezicht, alsof hij in een zure citroen beet.

Hij gaf den Vloo een stomp in de zij en sprak, terwijl hij bleef

stilstaan:

„Gij zijt werkelijk een nare kerel! Daar wandelt men eens heel

genoeglijk, denkt aan geen onaangename dingen en slechts aan „die

lustige Witwe”, die men wil gaan hooren, om zich te amuseeren en— —”

Het luide geschreeuw van een bende courantenjongens, die de eerste

avondbladen op het Strand te koop aanboden, weerklonk, zoodat de

inspecteur van politie zijn zin niet kon voltooien.

„Raffles amuseert zich! De vroolijke Raffles!” klonk het.

Baxter staarde naar de wandelaars, die zich om de krantenjongens

verdrongen; het was hem alsof Raffles plotseling als een reusachtig

spook voor hem opdook en met zijn ironisch glimlachje om de lippen hem

strak aankeek.

„Raffles waart rond!” lachte de Vloo, „daar is hij.”

„Waar?” riep Baxter op verschrikten toon uit.

De Vloo had een avondblad gekocht en hield het den inspecteur onder den

neus.

„Wel, sir, hier is hij! Luister maar eens!”

„Je bent een ezel, Marholm!” vloekte de inspecteur van politie, „houd

je flauwe grappen voor je en maak mij niet verschrikt— —Ik meende, dat

je Raffles werkelijk hadt gezien.”

De Vloo lachte luidkeels en riep:

„Ik verzeker u, inspecteur, als dat werkelijk het geval was, zou ik

zwijgen en wel om u een schrik te sparen, die u het leven zou kunnen

kosten.”

„Ik zou hem willen gevangen nemen!” schreeuwde Baxter. „Gevangen nemen!

Gevangen nemen!”

„Dat geloof ik graag”, lachte de Vloo oneerbiedig, „maar gij krijgt hem

niet!”

„Ik zweer je,” antwoordde de inspecteur vol woede, „dat ik hem nog wel

eens zal krijgen!”

De Vloo haalde de schouders op en verdiepte zich in het lezen van het

krantenbericht, terwijl de inspecteur woedend weigerde het bericht te

lezen.

Plotseling bleef Marholm staan en barstte in een schaterlachen uit,

evenals veel andere voorbijgangers, die het stuk lazen.

Hij hijgde letterlijk naar adem, terwijl Baxter hem met gefronst

voorhoofd aankeek.

„Wat hebt gij toch?” vroeg hij op nijdigen toon, „wees toch niet zoo

kinderachtig!”

„O mijn hemel, inspecteur!” De Vloo stikte bijna—„luister toch eens

even—die Raffles!— —O hemel, het is meer dan amusant— —Raffles— — — —”

„Houd op met dien vervloekten Raffles!”

„Ik kan niet!” riep Marholm, vol pret. „Dit is een van zijn aardigste

streken!— —Ik kan werkelijk niet— —ik— —”

Hij veegde zich de dikke tranen uit zijn kleine oogjes, voordat hij

verder sprak:

„Stel u eens even voor!— —Een blarenrecept— —een blarenzalf!”

„Zijt gij krankzinnig?” riep de inspecteur van politie, „wat vertelt

gij toch voor nonsens!”

Marholm hield zijn buik vast.

„Ik heb kramp in mijn maag gekregen van het lachen, inspecteur!”

Daar hij nog steeds lachte en Baxter hetzelfde opmerkte bij alle andere

wandelaars, die het avondblad lazen, begon hij te vreezen, dat daar in

de krant iets grappigs stond omtrent hem, den inspecteur van politie,

en Raffles.

Hij scheurde zijn secretaris het blad uit de handen en begon bij de

dichtstbijzijnde lantaarn eveneens het artikel te lezen.

Met woedende blikken las hij het volgende:

„Even voor het ter perse gaan van dit nummer ontvingen wij ten

bericht, waarvan wij de waarheid niet kunnen bewijzen, maar welks

afzender zeer zeker het volle vertrouwen van onze lezers bezit:

Raffles deelt ons mede— — —”

En nu volgde een uitvoerige beschrijving van de geschiedenis met het

recept van den Ierschen kapitein.

Baxter, die zijn loopbaan als eenvoudig Engelsch soldaat was begonnen,

kende den drilstok der Engelsche officieren uit eigen bittere ervaring.

Meer dan eens had hij er zelf ransel mee gehad, en dikwijls in zijn

kamer met zijn kameraden die menschen-bestrijding vervloekt.

Toen hij het artikel had uitgelezen, wendde hij zich tot Marholm en

sprak:

„Ik moet openlijk bekennen, dat dit een van de weinige streken van den

grooten onbekende is, die mij uitstekend bevallen!”

„Ik maak u mijn compliment,” lachte de Vloo, „ik zie, dat mijn hoop mij

niet bedriegt. Gij zult, evenals ik, nog eens een geestdriftig

aanhanger worden van Lord Lister.”

Dadelijk trok de inspecteur van politie zijn gelaat weer in den

ambtelijken plooi.

„Kom nu mee, Marholm, over een paar minuten begint de schouwburg en ik

heb geen lust, de „Lustige Witwe” te verzuimen.”

„De heele „Lustige Witwe” is niet zoo vroolijk, inspecteur, als onze

Raffles! Ik geloof zeker, dat we binnenkort meer van hem zullen hooren—

—een geniale kerel!”

„Hou nu toch op, Marholm!” zei Baxter geërgerd, „wat ge daar zegt, past

geen detective van Scotland Yard. Raffles is in weerwil van alles de

gevaarlijkste misdadiger, die zich ooit in Old England ophield.”

„Wel mogelijk, dat zal ik ook heelemaal niet tegenspreken,” antwoordde

de Vloo, „maar dit wil ik u wel vertellen, inspecteur, ik hing morgen

aan den dag mijn jas aan den kapstok, als ik met hem kon ruilen”.—

Terzelfder tijd, dat de beide politieambtenaren dit gesprek voerden,

zat Raffles in de prachtig ingerichte studeerkamer van zijne bij het

Hydepark gelegen villa, die hij ongeveer een half jaar geleden had

gekocht uit den faillieten boedel van een Amerikaansch katoenhandelaar.

Met welbehagen las hij het in de courant afgedrukt verslag van zijne

bestraffing van den kapitein Mac Govern, wegens diens op de Iersche

garde bedreven beulswerk.

Daarop wendde hij zich tot zijn onafscheidelijken metgezel, die mede in

de kamer aanwezig was en bezig was, de courantenberichten uit te

knippen en deze te plakken in het door hem aangelegde archief over

Raffles’ daden.

„Weet je,” sprak Raffles tot Charly Brand, „ik zou graag dat arme,

kleine meisje willen bevrijden, dat in dienst is bij dien menschenbeul,

en het bij een nette familie onderdak brengen.”

„Hoe wil je dat aanleggen?” vroeg zijn vriend. „Het meisje is een wees

en mag volgens de Engelsche wet den haar aangewezen dienst niet

verlaten. Zou ze het nochtans doen, dan zou de politie haar terughalen

en naar den ouden dienst terugbrengen”.

„Bah!” lachte Raffles. „Geloof je werkelijk, dat de politie in staat is

het verblijf van een mijner beschermelingen op te sporen, wanneer ik

van plan ben het verborgen te houden!— —Maak je daarover niet ongerust,

beste Charly!”

„Dat weet ik ook wel,” antwoordde de secretaris, „maar dan blijft het

toch altijd nog een vraag, hoe je het meisje uit dat huis zult krijgen.

Vrijwillig zal ze in geen geval meegaan, daar ze zeer zeker de

voorschriften zal kennen.”

„Ik ga haar dadelijk schaken! Ik zal me nog dezen nacht toegang

verschaffen tot het huis van den kapitein en het arme kind, desnoods

met geweld, in betere omstandigheden brengen.”

Charly Brand haalde de schouders op en hernam:

„Daar kan ik je niets op antwoorden. Ik weet, dat, wanneer jij je iets

voorneemt, je het ook ten uitvoer brengt.”

„Ongetwijfeld,” knikte de groote onbekende, „beletselen van welken aard

ook ken ik niet, en dit gevalletje is zoo eenvoudig, dat ik het niet

eens noodig acht, een plan voor de uitvoering te overwegen.— — —

„Over twee uur, nadat we het avondeten hebben gebruikt, zullen we

opbreken.”—

Het liep tegen tienen, toen het tweetal, in gummi-jassen gehuld, want

er scheen een onweer te dreigen, zich naar het huis van den kapitein op

den Hamilton Road begaf.

Alle winkels waren al gesloten, en niets wees er op, dat nog ergens

iemand wakker was.

Na zich even te hebben georiënteerd zei Raffles:

„Ik zal de huisdeur niet met een Dietrich openmaken, doch, daar ik

ontdekte, dat zich op den zolder een dakvenster bevindt, liever

hierdoor naar binnen gaan.

„Jij moet hier langzaam op en neer wandelen en wachten, totdat ik uit

het huis kom.”

De woning van den kapitein was een zoogenaamd Engelsch één-familie-huis

en omgeven door een kleinen tuin, die aan de straatzijde door een

schutting was afgesloten.

John Raffles klom daar met gemak over, en Charly Brand zag, hoe zijn

vriend als een donkere schaduw om het huis sloop en aan de achterzijde

verdween.

Het viel Raffles niet moeilijk een klein dak te bereiken, dat boven de

poort was aangebracht en van daar op een ijzeren balk te klimmen, die

hem boven op het huis zou brengen.

Met een kleine klimpartij was hij boven. Hier constateerde hij, dat het

dak met pannen bedekt en tamelijk schuin was.

Het onweer was intusschen nader gekomen, en de heerschende duisternis

maakte het voor Raffles onmogelijk ook maar een handbreed te kunnen

zien.

Zijn electrische zaklantaarn wilde hij niet gebruiken, om niet de

aandacht te trekken.

Voorzichtig ging hij al tastend verder en klom naar het zich in het

midden van het huis bevindende dakvenster, waardoor hij gemakkelijk de

trap kon bereiken.— — —

Hij zag niet het gevaar, dat hem bedreigde!

Het venster stond namelijk open. Door de duisternis had hij dit niet

bemerkt en viel hals over kop de trap af. Tevergeefs beproefde hij een

houvast te vinden en maakte opnieuw een buiteling, waardoor hij met een

doffen slag neerviel. Daarna rolde hij langs de treden naar beneden en

bleef onder aan de trap bewusteloos liggen.

Het echtpaar werd door het lawaai van den val verschrikt wakker en

beiden keken angstig naar de gesloten deur van de slaapkamer.

De schrik was hun zoodanig in de leden geslagen, dat ze op dat

oogenblik hun pijnen vergaten.

„Heb je dat vallen op de trappen gehoord, Harry?” vroeg de mevrouw aan

haar man, die sidderend van angst overeind in bed zat.

„Ik hoorde het!” antwoordde de dappere kapitein, „ik geloof, dat de

bliksem is ingeslagen. Er is buiten een hevig onweer.”

„Neen, Harry, dat is geen verklaring,” sprak zijn vrouw, „het onweer is

eerst in aantocht; ik hoorde duidelijk, dat er iemand van de trappen

moet zijn gevallen. Bewijs nu je dapperheid als Engelsch officier. Neem

je revolver en ga naar de gang.”

Doch de kapitein had weinig lust het veilige bed te verlaten.

„Je zult je vergissen, lieve Eulalia”, trachtte hij zijn vrouw gerust

te stellen, „hoe zou iemand in ons goed gesloten huis kunnen komen! Dat

is een onmogelijkheid, of heb je soms vergeten, de huisdeur te

sluiten?”

De vrouw keek peinzend voor zich en sprak na eenige seconden:

„Ik heb alles gesloten, Harry, maar... nu weet ik het!—Ik vergat het

dakvenster op zolder dicht te maken!... Harry, sta op! Door het

dakvenster moet een inbreker naar binnen zijn geklommen!”

Maar de kapitein wilde niet.

Lord Lister No. 0045: Het gestolen dienstmeisje · 第 8 / 21 题