hem, nu nogmaals den tocht te ondernemen naar de woning aan het andere
einde der gang.
Hij durfde met alle gerustheid zijn vriend aan de zorgen van het jonge
meisje toevertrouwen en zonder uitstel begaven de twee mannen zich weer
op weg.
De gang had overal dezelfde afmetingen.
Eindelijk, nadat het tweetal een weg van twee kilometer had afgelegd,
bleef de grijze gids plotseling staan.
Raffles zag bij het schijnsel der lantaarn de afgesleten treden van een
steenen trap, die niet zoo hoog was, als die, welke naar de villa
leidde.
De zes smalle treden voerden naar een deur, welke op bijna onzichtbare
wijze in den muur was aangebracht en die nu door Komartscheff werd
geopend.
Het heldere daglicht scheen beiden mannen in het gelaat.
Raffles stak zijn electrische lantaarn in den zak en volgde
Komartscheff in een klein kamertje, welks schoorsteen, evenals in de
villa der Avenue du Bois de Boulogne, den toegang naar de catacomben
bedekte.
Het scheen een slaapvertrek te zijn, want in een der hoeken stond een
bed.
De smalle, ouderwetsche ramen zagen uit op een tuin. Dikke gordijnen,
die tot op den grond neerhingen, verhinderen om een blik naar binnen te
slaan.
Raffles trad naar een der vensters en opende het gordijn. Hij zag, dat
het vertrek zich gelijkvloers bevond en aan de andere zijde van den
tuin bemerkte hij een woonhuis van één verdieping, welks front
waarschijnlijk aan de straatzijde lag. De kamer, waarin hij zich
bevond, behoorde tot een afzonderlijk gelegen tuinhuis.
Komartscheff vertelde hem, dat zijn vermoedens juist waren. Het
tuinhuis, dat slechts uit twee vertrekken bestond, die op een klein
portaal uitkwamen, behoorde tot het huis in de Rue Bayen, dat door den
eigenaar, een ouden vrijgezel Menuisier, geheel alleen bewoond werd.
Deze heer Menuisier was het onderwerp der gesprekken van alle
babbelzieke vrouwen uit Ternes, zoo heette het stadsgedeelte, waarin
deze woning lag.
Zijn gierigheid was spreekwoordelijk en men verdiepte zich in allerlei
gissingen omtrent den oorsprong van zijn onmetelijk vermogen.
Twijfelachtige ondernemingen en woeker schenen de hoofdbronnen van zijn
kapitaal te zijn.
Hij oefende zijn woekerhandel reeds lang niet meer uit en leefde stil,
maar zijn onverzadiglijke gierigheid verhinderde hem, van zijn schatten
te genieten.
Hij leefde met zijn oude huishoudster, van wie men vertelde, dat zij
vroeger zijn beminde was geweest en was blij, dat hij een goed
betalenden huurder had gevonden voor zijn tuinhuis, van welks
onderaardschen uitgang hij geen vermoeden had.
Raffles had met groote belangstelling naar de verhalen van Komartscheff
geluisterd.
Deze heer Menuisier scheen hem bijzonder te interesseeren en het plan
kwam onmiddellijk bij hem op om dezen vroegeren woekeraar tot den
eerstvolgenden zijner slachtoffers te maken.
Zonder Komartscheff hiervan iets te laten merken, begon hij met dezen
den terugtocht.
Eerst moest Charly weer op de been gebracht en het lijk van Andrej
verwijderd worden. Dit laatste kon het gemakkelijkst geschieden door
hem een graf te graven in den bodem van de onderaardsche gang.
Dit onaangename werk moest Raffles alleen op zich nemen, want Charly
lag hulpeloos op het ziekbed en op Komartscheff’s steun viel bij dit
werk niet te rekenen.
Toen de avond aanbrak, begon de groote onbekende zijn werk. Voorzien
van een houweel en spade ging hij naar beneden, naar de plek, waar het
gevecht had plaats gehad.
Het lijk van Andrej lag in een bloedplas, waarin zacht en spookachtig
de waterdroppels van het vochtige dak der gang neervielen! Zonder zijn
houweel noodig te hebben, had hij binnen een kwartier een gat van een
meter diep in den leemachtigen bodem gegraven. Hierin legde hij het
lijk.
Daarop wierp hij de natte, kleverige stukken aarde weer in de opening
en nadat nog eens een kwartier was verloopen, waren alle sporen van het
bloedige gevecht verdwenen.
Vermoeid leunde Raffles tegen den muur. De ongewone arbeid in gebukte
houding had hem veel meer vermoeid dan hij had gedacht.
Maar hij had tijd noch lust om lang uit te rusten.
Hij legde zijn werktuigen op den grond, nam zijn lantaarn op en ging de
gang verder in, want hij wilde het wonderlijke tuinhuis nog eens aan
zijn onderzoekende blikken onderwerpen.
Spoedig had hij het eind der gang, waar het tuinhuis lag, bereikt.
Voorzichtig doofde hij het licht der lantaarn uit en opende de
geheimzinnige deur. Het zwakke licht, dat door de vensters binnendrong,
was hem voldoende.
Met een uitdrukking van voldoening liet hij zijn blikken door het
vertrek gaan. Het resultaat van dit nachtelijk onderzoek scheen zijn
wenschen te bevredigen; het plan, dat in hem was opgekomen, nam vastere
vormen aan.
Voorzichtig verdween hij weer achter den schoorsteen en sloot de deur
aan de buitenzijde.
Hij stak het licht in de lantaarn weer aan en terwijl zijn werkzaam
brein zich bezighield met het uitwerken zijner nieuwe plannen, begaf
Raffles zich weer naar de villa in de Avenue du Bois de Boulogne.
VIJFDE HOOFDSTUK.
TATIANA.
De kamer, die tot dusverre als slaapvertrek van Tatiana had dienst
gedaan, had een groote verandering ondergaan.
Mc Allan had hier nu zijn intrek genomen om te herstellen van zijn
wonde, die gelukkig van ongevaarlijken aard bleek te zijn. De dolk was
in zijn vleesch gedrongen, zonder edele deelen te hebben geraakt, maar
Charly had veel bloedverlies geleden.
Toen Raffles uit de Catacomben was teruggekeerd, had hij alles in
gereedheid gevonden voor de verpleging van den patiënt.
Tatiana had met behulp der huishoudster in haar eigen kamer alles in
orde gemaakt.
Het bed, waarop zij kort geleden zelf uit haar verdooving was ontwaakt,
had men vervangen door een divan. Hierop droeg zij, met inspanning van
al haar krachten, den gewonde, en toen Raffles met Komartscheff
terugkeerde, vond hij het meisje vol angst over zijn vriend gebogen,
die, in dekens gehuld en op zachte kussens neergevleid, nog steeds
bewusteloos was.
Het gelukte den kalmen Amerikaan spoedig, zichzelf en de anderen gerust
te stellen. Eerst bracht hij met behulp van zacht prikkelende middelen,
die hij in het laboratorium van Komartscheff vond, zijn vriend, al was
het ook slechts tijdelijk, weer tot bewustzijn.
Daarop onderzocht hij de wond, waarop hij een zorgvuldig aangebracht
verband legde en nu besloot hij, geen dokter te halen, om het gevaar
niet te loopen, hun gemeenschappelijk geheim te moeten verraden.
Zoo moest Mc Allan dus zonder geneeskundige hulp herstellen.
Charly was weer in zijn toestand van bewusteloosheid teruggekeerd, die
eenige dagen aanhield en toen plaats maakte voor een gevoel van
wezenloosheid, zoodat hij niets om zich heen herkende.
Hij zag niets van het geheimzinnige werk, dat Raffles verrichtte,
evenmin als de opofferende zorg van het blonde jonge meisje, dat dag en
nacht niet van zijn bed week. Hij merkte niet op, hoe een uitdrukking
van vreugde zich over haar lief gelaat verspreidde, als in zijn
koortsvlagen de naam „Tatiana” van zijn bleeke lippen vernomen werd.
Dit waren voor Tatiana Komartscheff oogenblikken van het hoogste geluk.
Zij begreep dan, dat de jonge man haar niet haatte of verachtte, dat
hij haar had vergeven, en zij verdubbelde nog haar zorgen voor den
zieke.
Ook de verhouding tusschen Raffles en haar was vriendschappelijker
geworden. De zonderlinge Amerikaan bracht uren door in de kamer met den
geheimen uitgang, en Tatiana was zoozeer in beslag genomen door haar
zorg voor den patiënt, dat zij niet lette op de geluiden, die
herhaaldelijk uit dat vertrek tot haar doordrongen.
Toen op zekeren dag Charly plotseling onrustiger dan anders was, klopte
het angstige meisje op de deur van de kamer, waarin de Amerikaan zich
bevond.
„Binnen!” klonk het en zij opende snel de deur.
Een oogenblik bleef zij verbaasd staan, want er was zooveel in de kamer
veranderd, dat het haar opviel.
Vóór alles zag zij, dat de steendrukpers en de plank met de chemicaliën
van haar vader verdwenen waren, maar haar gedachten waren te zeer
vervuld met den patiënt, dan dat zij hierover langer dan een oogenblik
nadacht.
Zij deelde den Amerikaan den toestand van Mc Allan mede, en Raffles
haastte zich naar de legerstede van zijn vriend. Hij kwam al spoedig
tot de overtuiging, dat een zware droom den armen jongen onrustig
maakte, en schertsend sprak hij tot Tatiana, dat de zieke van zijn
verpleegster droomde.
Een diepe blos bedekte het gelaat van het meisje en zonder eenige
bedoeling, alleen om het gesprek een andere wending te geven, vroeg
zij, waarom de veranderingen in het aangrenzende vertrek waren
aangebracht.
Raffles werd plotseling ernstig.
„Mijn kind,” sprak hij, „vraag niet alles. Het is dikwijls gevaarlijk,
te weten!”
Met een vriendelijken glimlach streelde hij haar wang en keerde daarna
in zijn kamer terug.
Ook Tatiana begaf zich weer naar haar plaats aan het ziekbed. De
patiënt scheen rustiger te zijn geworden.
Tatiana zat in den leunstoel, die naast den divan stond, waarop Mc
Allan lag. Haar blond hoofdje zonk achterover, vermoeid van het lange
waken, en de slaap sloot haar oogen.
In de kamer heerschte een diepe rust, de regelmatige tik van de pendule
scheen de stilte nog volkomener te maken.
Raffles, die even op den drempel was verschenen, had hoed en stok
opgenomen en was uitgegaan.
Patiënt en verpleegster sliepen. Het hoofd van den zieke schoof
onrustig op zijn kussen heen en weer en eindelijk opende Charly de
oogen.
Verbaasd keek hij door het vertrek. Hij moest lang nadenken, voordat
hij zich kon herinneren, wat er was gebeurd. Weer doorleefde hij het
voorgevallene in de catacomben en nogmaals voelde hij het moordende
staal in zijn zijde dringen.
Daarna liet hem zijn geheugen in den steek, hij wist niet, wat er
verder met hem gebeurd was.
Plotseling viel zijn blik op het sluimerende meisje, dat naast den
divan in een stoel rustte.
Een vreugdestraal verhelderde zijn gelaat.
Zij, die hem in zijn droomen had bijgestaan als een reddende engel, zij
was dus werkelijk in zijn nabijheid.
Hoe lang hij hier had gelegen wist hij niet, maar zij had bij hem
gewaakt, volhardend en trouw totdat de slaap haar had overvallen.
Een gevoel van innige dankbaarheid maakte zich van hem meester en vol
ontroering keek hij naar het sluimerende meisje.
Maar wat was dat?
Tatiana sliep niet rustig; zij droomde en twee dikke tranen rolden over
haar wangen.
De herstellende kon zijn medelijden niet langer bedwingen. Met zachte
stem riep hij:
„Tatiana!”
Het meisje opende de oogen.
Zij ontwaakte als uit een bangen droom en haar verlegen blik viel op
Charly, die zich half had opgericht.
„Om Godswil, wat doet gij, gij moogt u nog niet bewegen!”
Tatiana was verschrikt opgesprongen en dwong met zachte hand den
patiënt weer te gaan liggen.
Glimlachend gehoorzaamde Charly, maar hij hield haar hand in de zijne
toen hij geruststellend sprak:
„Ik voel mij volkomen gezond. Mijn wond is zeker reeds genezen, maar
gij zijt bedroefd, gij hebt in den slaap geweend!”
Met een weemoedigen klank in haar stem antwoordde Tatiana:
„Ik heb in mijn droom de ontzettende gebeurtenissen uit mijn jeugd
doorleefd. Het ongeluk van mijn familie riep mijn tranen te voorschijn.
Als gij al mijn verdriet kendet, zoudt gij mij niet meer verachten!”
„Ik u verachten!” Charly richtte zich weer op. „Ik aanbid u, Tatiana,
ik ben het toeval dankbaar, dat mij in uw nabijheid voerde, ik dank
Andrej voor de verwonding, die hij mij toebracht, want gij hebt mij
genezen. Tatiana, hoe zou ik u kunnen verachten, ik, die u liefheb!”
Het meisje trok haar hand uit de zijne en stond op.
„Neen, ga niet verder. Ik kan u niet antwoorden, voordat gij mijn
geschiedenis kent. Gij moet weten, wat mijn armen vader en mij er toe
heeft geleid om het beroep te kiezen, waardoor gij mij hebt leeren
kennen en waarvan gij en uw vriend bijna de slachtoffers waart
geworden. Als gij mij liefhebt, zult gij eerst weten, dat ik ook uwe
achting verdien.”
Met gloeiende wangen en schitterende oogen stond zij tegenover den
verbaasden Mc Allan.
„Maar Tatiana, blijf toch kalm,” sprak hij op bezorgden toon.
„Ik ben kalm,” antwoordde zij met een glimlach. „Wilt gij naar mij
luisteren?”
En toen hij bevestigend knikte, begon Tatiana Komartscheff haar
verhaal.
ZESDE HOOFDSTUK.
DE GESCHIEDENIS VAN GRAAF KOMARTSCHEFF.
„Onze familie, dat wil zeggen die van mijn vader, is van Russische
afkomst en er bestonden reeds graven Komartscheff onder de regeering
van Iwan den Verschrikkelijke. Zij waren rijke schapenfokkers in de
vlakten van Ukraine.
„Onder Czaar Alexander I moest mijn overgrootvader om politieke redenen
vluchten. Hij was oud en weduwnaar en slechts een zoon leefde met hem
samen op zijn bezittingen.
„In den nacht verlieten zij hun woonplaats. Wat zij aan geldswaarde
bezaten, namen zij mee en na lang ronddolen vestigden zij zich op
Turksch gebied, in het tegenwoordige Bulgarije, waar zij veilig waren
voor de Russische wetten.
„In de provincie Oost-Roumelië, bij de kleine stad Aitos, op eenige
mijlen afstands van de Zwarte Zee, gingen de beide vluchtelingen in een
der dalen van het Balkangebergte wonen.
„Voor een paar duizend roebel kregen zij land van den Pascha, die als
gouverneur het district bestuurde.
„Deze gouverneur, Elemer Pascha heette hij, was een welwillend,
rechtvaardig mensch, die zich erover verheugde, dat de wilskracht en
lust tot werken van mijn overgrootvader en zijn zoon de bevolking, die
deels uit Osmaansche Mohamedanen, deels uit Bulgaarsche Christenen
bestond, aanspoorde om hun gewone onverschilligheid en werkeloosheid te
laten varen.
„Elemer Pascha was tevreden over het goede voorbeeld, dat de
Komartscheffs, die hun graventitel hadden afgelegd, gaven, want zijn
district werd een toonbeeld van welvaart voor het geheele Osmaansche
Rijk.
„Geen enkele andere gouverneur uit het onmetelijke Rijk van den Sultan
zond zoo geregeld de inkomsten zijner belastingen op naar
Konstantinopel.
„Mijn overgrootvader stierf en zijn zoon, die was getrouwd met de
dochter van een Bulgaarschen Wojwode, wiens bezitting aan de onze
grensde, nam het beheer der goederen over.
„Een jaar na den dood van mijn overgrootvader werd mijn vader geboren.
„De volksontwikkeling begon in dien tijd in de Balkanstaten reeds beter
te worden en mijn vader werd als knaap voor zijn studies naar Weenen
gezonden.
„Hij keerde volwassen terug, om zijn ouders te begraven, die in zekeren
nacht beide door een bende roovers, die de bezitting hadden geplunderd,
werden vermoord.
„De Pascha, die in Aitos resideerde—Elemer Pascha was reeds lang dood
en geen zijner opvolgers had zijn populariteit geërfd—haalde de
schouders op toen mijn vader hem het gebeurde verhaalde.
„Het volk mompelde, dat hij gemeene zaak maakte met de roovers en dat
in Stamboel de gunstelingen van den Sultan, die zelf van deze dingen
niets wist, benden samenstelden, om in de provincies te gaan plunderen.
„In onmachtige woede moest mijn vader zich in zijn lot schikken. Hij
nam het landgoed onder zijn beheer en zette het bedrijf verder voort.
„Daarop koos hij een nieuwen vertegenwoordiger, een Armeniër, en keerde
naar Weenen terug.
„Hier woonde zijn beminde, de eenige dochter van een niet zeer
vermogend Oostenrijksch overste.
„In Weenen, ten huize van de ouders der bruid, werd het huwelijk
gesloten en mijn vader nam zijn jonge vrouw mee naar de kust van de
Zwarte Zee.
„Hij was van plan, zich met haar te vestigen op zijn daar weer opnieuw
bloeiende bezitting, maar hij werd danig teleurgesteld.
„Toen zij hun eigendommen hadden bereikt, vonden zij slechts rookende
puinhoopen.
„De schurkachtige beheerder zelf had de rooverbenden laten roepen, die
alles hadden verwoest en den verrader op hun vlucht hadden meegenomen.
„Andrej, het tweejarig zoontje van den misdadigen Armeniër, was
onverzorgd op het landgoed achtergebleven.
„Mijn ouders ontfermden zich over het kind en toen ik een jaar later
geboren werd, werden wij zamen opgevoed en Andrej heette algemeen mijn
neef.
„Het was een droevig leven, dat mijn ouders leidden. Mijn vader wapende
zijn arbeiders en vormde van hen een goed geschoolden, strijdlustigen
troep en de aanwezigheid van deze kleine, maar goed gewapende brigade,
gaf ons eenige veiligheid.
„Weliswaar werd nog dikwijls gestolen en zelfs een herder vermoord,
maar het eigenlijke landgoed, dat alle bezittingen van mijn vader
bevatte, bleef gespaard.
„Des te erger hielden de benden huis in de andere deelen van het Rijk.
In Westelijk Europa meende men dat deze bloedbaden een gevolg waren van
kleine godsdiensttwisten.
„Maar deze opvatting was onjuist.
„Christenen en Mohamedanen leefden overal rustig en tevreden naast
elkaar en beide leden in gelijke mate van de plundertochten der
Turksche troepen.
„Ik was twaalf jaar oud geworden en Andrej was juist luitenant geworden
in de brigade van mijn vader, toen op zekeren dag—wij zaten aan den
maaltijd—de zoon van den Pascha uit Aitos met 20 soldaten ons erf
betrad.
„Mijn vader, die een onheil vermoedde, wilde naar buiten snellen, maar
reeds kwam de jonge Achmed—zoo heette de zoon van den Pascha—binnen.
„Achmed stond bekend als een misdadige woesteling.
„Met brutale hoffelijkheid begroette hij mijn moeder, wier schoonheid
hem verraste. Maar mijn vader, die door de houding van den jongen man
woedend was geworden, vroeg hem kortaf wat hij verlangde.
„Met goed gespeelde vriendelijkheid sprak Achmed:
„„Komartscheff Effendi, ik kom met een onaangename boodschap, maar ik
denk, dat wij het wel eens zullen worden. Men heeft in Stamboel
vernomen, dat gij uwe ondergeschikten een militaire opvoeding geeft en
hen van wapens voorziet.
„„Dat mag niet en de Sultan heeft mijn vader het bevel gezonden, de
wapens van u op te eischen. Ik ben gekomen om u te verzoeken, mij de
munitie en geweren uit te leveren. Men heeft mij in Aitos 20 man van
het garnizoen meegegeven, hoewel ik beweerde, dat dit niet noodig was.
Ik meende, dat gij aan het bevel van den Sultan zoudt gehoorzamen.”
„Mijn vader was doodsbleek geworden. Maar aan tegenstand viel niet te
denken. Hij gaf de wapens aan de soldaten over, behalve eenige
pistolen, die hij verborgen hield en alles werd op een wagen geladen en
naar Aitos overgebracht.
„Achmed nam afscheid, vader gaf hem geen gelegenheid, mijn moeder nog
verder met zijn laffe vleitaal lastig te vallen.
„Wij waren alleen. Maar de dag zou een vreeselijk einde hebben.
„Het werd nacht en wij hadden ons ter rust begeven.
„Plotseling klonken geweerschoten over het erf en een helle lichtschijn
drong door de ramen van de slaapkamer mijner ouders. Mijn vader snelde
naar de deur, een revolver in de rechterhand.
„Een enkele blik naar buiten verklaarde hem alles. De schuren en
stallen stonden in lichterlaaie, de roovers dreven de kudden weg en
daar buiten lagen de lijken der in hun slaap vermoorde bedienden.
„Daar klonk een kreet van ontzetting mijn vader in de ooren. Met een
sprong was hij teruggekeerd in het slaapvertrek, waarin mijn moeder
zich bevond.
„Hier vertoonde zich een ontzettend schouwspel aan zijn blik.
„Achmed, de zoon van den Pascha, was met twee der roovers door het raam
naar binnen geklommen en nu was de schurk bezig, de wanhopige vrouw,
die zich met bovenmenschelijke kracht verdedigde, mee te voeren.
„Een schot uit de revolver van mijn vader velde hem neer, een tweede
doodde een der helpers. De andere sprong vluchtend op de vensterbank,
maar voordat hij naar buiten sprong, schoot hij zijn geweer af op mijn
moeder, die in de armen van haar door smart half waanzinnigen
echtgenoot, den laatsten adem uitblies.
„„Vlucht, vlucht met Tatiana!” waren haar laatste woorden.
„Er bleef mijn vader geen andere keus, want de moord op Achmed
beteekende voor hem een zekere dood.
„Mijn vader haalde mij uit mijn slaapkamer, waarin ik bevend, zonder te
weten wat er gebeurde, het vreeselijke had gehoord. In een kast
verborgen vonden wij Andrej, die daarin was gevlucht.
„Nog dienzelfden nacht vertrokken wij. Te voet bereikten wij tegen den
morgen Misivria, de naastbijgelegen kleine havenplaats aan de Zwarte
Zee. Een medelijdende schipper bracht ons naar Konstanta op Rumeensch
gebied, vanwaar wij ons naar Weenen begaven.
„Ik werd naar Genève gebracht, op een kostschool.
„Wat mijn vader deed, bleef langen tijd een geheim voor mij.
„Maar op mijn achttienden verjaardag verscheen hij in mijn pensionaat,
om mij mede te nemen naar Parijs. Hij vertelde mij alles.
„Ik vernam, dat zich een bevrijdingscomité had gevormd, welks
hoofdzetel Saloniki was, maar dit comité had geld noodig, om zijn doel
te bereiken.
„En zoo stelde ik mij in dienst van een beweging, waarvan ik
verwachtte, dat zij den dood mijner moeder zou wreken.”
Tatiana zweeg een oogenblik, daarop vervolgde zij met een blik op
Charly:
„Gij weet wat ik deed en waarom ik het heb gedaan. Kunt gij mij toch
nog liefhebben?”
Charly had zich geheel in de kussens opgericht. Heldere tranen
glinsterden in zijn oogen. Hij trok het jonge meisje naar zich toe en
sprak op vastberaden toon:
„Ik heb je lief, mijn kind, en jouw wraak zal ook de mijne zijn!”
Hartstochtelijk drukte hij zijn lippen op Tatiana’s mond en vol zalige
ontroering beantwoordde zij diens kus, welke hun verloving bezegelde.
ZEVENDE HOOFDSTUK.
VALSCHE MUNTER.
De heer Emile Menuisier was min of meer zenuwachtig.
De huurder van zijn tuinhuis, die reeds eergisteren bij hem had moeten
komen om de verschuldigde huur te betalen, scheen verdwenen te zijn.
Reeds sinds veertien dagen had hij hem niet gezien.
Er bestond in de oogen van den edelmoedigen heer Menuisier geen enkele
verontschuldiging voor lieden, die hun huurpenningen niet prompt
betaalden en hij sprak er dus met diepe minachting over tegen zijn
huishoudster, de oude Coralie.
Maar bij het oude, tandelooze vrouwtje vond hij weinig troost voor het
geldverlies, dat hij leed door het verdwijnen van zijn huurder en
daarom besloot de heer Menuisier op den derden van de nieuwe maand een
bordje te bevestigen aan zijn huisdeur in de Rue Bayen, waarop te lezen
stond, dat hij zijn tuinhuis te huur aanbood.
Mijnheer Menuisier behoefde niet lang te wachten.
Nauwelijks een half uur nadat het bordje buiten hing, kwam reeds de
eerste liefhebber.
Maar de oude woekeraar zag dezen woningzoekende met wantrouwen aan. Het
was een lange man met blonden, tamelijk slecht verzorgden puntbaard en
rijken haardos.
De wijde pantalon, de zwarte zijden strik en de fluweelen baret, die
hij schuin op het hoofd droeg, kenmerkten hem als artist en wel als
schilder.
Voor dergelijke lui had de heer Menuisier niet veel sympathie en het
nonchalante uiterlijk van den binnentredende deden den rijkaard
vermoeden, dat deze jonge man ook dezelfde onverschilligheid aan den
dag zou leggen waar het op geldzaken aankwam.
„Wat wenscht gij?” zoo begon hij het gesprek.
„Ik wilde het tuinhuis, dat gij te huur aanbiedt, wel eens zien,”
antwoordde de ander zeer bescheiden.
„Ik verhuur alleen aan solide personen,” bromde op onbeschaafden toon
de heer Menuisier en reeds wilde hij den bezoeker den rug toedraaien.
Maar de kunstenaar scheen er nog niet van af te zien.
Vol eerbied voor den rijken huiseigenaar verklaarde hij:
„Ik heb geld en als ik uw tuinhuis huur, betaal ik u een jaar vooruit.”
Menuisier keerde zich om. Dat scheen dus een witte raaf te zijn!
Maar—men moest voorzichtig wezen.
„Gij moet mij de huur vooruit betalen en nog voordat gij in de woning
trekt,” sprak de eigenaar tot den bezoeker.
„Nog voordat ik in de woning trek!” herhaalde deze met onverminderde
bescheidenheid.
Gerustgesteld zette Menuisier zijn kalotje op, nam een sleutelbos en
ging den bezoeker voor om hem het tuinhuis te laten zien.
De bescheidenheid van dezen huurder was werkelijk voorbeeldig, alles
beviel hem, geen enkele opmerking waagde hij het te maken, en toen
Menuisier hem den huurprijs had genoemd, deed de vreemdeling, die zich
nu voorstelde als de portretschilder Rapin, niets anders dan zijn
portefeuille voor den dag te halen en het verschuldigde van een
halfjaar vooruit te betalen.
„Wanneer denkt u het te betrekken?” vroeg de verbaasde Menuisier, nu
veel vriendelijker.