LORD LISTER
GENAAMD RAFFLES
DE GROOTE ONBEKENDE.
NO. 8 IN DE CATAKOMBEN VAN PARIJS.
IN DE CATACOMBEN VAN PARIJS.
EERSTE HOOFDSTUK.
DE VLUCHT.
Een dikke mist, die als een ondoordringbare sluier steden en dorpen
omhult, hing boven de straten van Londen.
Hij drong de huizen binnen en de groote overkapping van het Victoria
station scheen deze zware wolken te willen opzuigen, zoodat zelfs het
heldere schijnsel der electrische booglampen niet in staat was, het
perron te verlichten.
Het was acht uur in den morgen.
De trein, die naar Dover rijdt in aansluiting op de booten welke naar
Frankrijk varen, stond voor het vertrek gereed.
Het voorste gedeelte van den trein verdween in het halfdonker van den
mist, die op dit oogenblik nog zwaarder scheen te zijn geworden en die
als een beschermende sluier twee mannen omhulde, welke met vlugge
schreden over het perron liepen.
De oudste der twee, een slanke elegante persoonlijkheid met een vollen
blonden baard, wierp zijn citybag in een openstaande coupé eerste
klasse. Daarop wendde hij zich tot zijn metgezel, tot wien hij op
zachten, maar beslisten toon sprak:
„Charly, ik waarschuw je! Keten je jong leven niet aan het
avontuurlijke bestaan, dat mij wacht!”
De andere scheen deze woorden nauwelijks te hooren en met nog meer
overtuiging vervolgde de spreker:
„Blijf hier, Charly, ik neem het je niet kwalijk....”
Hij wilde nog meer zeggen, maar de jongste, in wiens baardeloos, bleek
gelaat twee donkere oogen schitterden, viel hem in de rede:
„Wat beteekent dit? Ik ga mee en daarmee uit!”
Hij zette zijn reistaschje op de bank naast dat van zijn reisgezel.
Daarop namen beiden zonder een woord te spreken plaats.
Het was twee minuten voor het tijdstip van vertrek en reeds sloten de
conducteurs de coupé-deuren, toen plotseling verscheiden
courantenjongens voor den gereedstaanden trein verschenen en, terwijl
zij de extra-nummers der morgenbladen in de hoogte hielden, luid
schreeuwden:
„Raffles is ontdekt!”
„1000 pond belooning!”
„Raffles is dezelfde als Lord Edward Lister!”
„Een Engelsch edelman als misdadiger!”
„Raffles is ontsnapt!”
Ook de beide juist ingestapte reizigers hoorden deze uitroepen, maar
alleen Charly scheen zich hierover te verontrusten, zijn oudere vriend
luisterde slechts met een spotachtig lachje naar de nieuwtjes der
courantenjongens.
Hij stond op en opende het raampje der coupédeur.
Terwijl hij twee geldstukjes uit zijn zak te voorschijn haalde, riep
hij een der jongens, die juist uit den nevel voor hem opdook, en kocht
een courant.
Daarop klonk het sein tot vertrek en de trein zette zich in beweging.
En terwijl nog het geroep: „Raffles is ontdekt!” „Duizend pond
belooning!” over het perron weerklonk, verliet Lord Edward Lister,
alias Raffles, dezelfde voor wiens inhechtenisneming de Londensche
politie die hooge som had uitgeloofd, vergezeld door zijn vriend en
secretaris Charly Brand, de Engelsche hoofdstad om zichzelf aan gene
zijde van het kanaal in veiligheid te brengen.
De „Senegambia”, een kleine, onooglijke stoomboot, die niet in staat
scheen te zijn om de gevaren van het kanaal te trotseeren, verliet de
reede van Dover.
De dikke mist scheen te zullen optrekken. De krijtrotsen der Engelsche
kust waren nog zichtbaar, toen het bloote oog reeds de havenwerken van
Calais kon onderscheiden.
Lord Lister was alleen aan boord gegaan en Charly Brand had den
overtocht op het schip aanvaard, alsof hij den ander in het geheel niet
kende.
Men moest op alles zijn voorbereid en hoewel Raffles geen grooten dunk
had van de speurkunst der hem vervolgende Engelsche politie, liet hij
toch niet na, zijn spoor zooveel mogelijk uit te wisschen.
Hij kon er wel zeker van zijn, dat de havenautoriteiten der Vereenigde
Koninkrijken langs telegrafischen weg op de hoogte waren gebracht van
een zeer volledig signalement van den vluchteling en zijn vriend.
In dit opzicht had Lord Lister echter zijn maatregelen genomen.
Een valsche baard, die op zeer kunstige wijze was vervaardigd en
bevestigd en een parafine-inspuiting, die het mogelijk maakte, zijn
neus een anderen vorm te geven, hadden hem zoo verschillend gemaakt van
het signalement, dat zijn eigen moeder hem niet herkend zou hebben.
Hij was bovendien in het bezit van een Amerikaansche pas, die hem
legitimeerde als burger der Vereenigde Staten, Harrison en het viel
Raffles gemakkelijk, de woorden zoo uit te spreken als dat den Yankees
eigen is.
Toen de trein in Dover was aangekomen, hadden Raffles en Charly de
coupé verlaten als twee elkaar vreemde menschen, die toevallig een
eindweegs hebben samengereisd.
Bij den uitgang van het perron had Lord Lister de politiebeambten
opgemerkt, die alle passagiers met wantrouwende blikken opnamen.
Op gerekten Amerikaansch-Engelschen toon had hij een kruier geroepen en
hem bevolen, zijn bagage aan boord te brengen.
Hij onderhield zich nog eenigen tijd in Yankee-dialect met den man,
die; zijn reistasch dragend, naast hem voortliep en kwam zoo
ongehinderd langs de spiedende beambten.
Even gemakkelijk was Charly hen gepasseerd, want zijn signalement was
niet opgegeven en niemand lette dus op hem.
De boot doorkliefde met tamelijke snelheid de golven van het kanaal.
Lord Lister bevond zich op het achterdek en, als onverschillig
ronddrentelend, naderde Charly hem.
Dicht bij zijn vriend bleef hij staan om met groote belangstelling in
het water te kijken.
Het achterdek was geheel verlaten en niemand was getuige van het
gesprek, dat beide vrienden, zonder elkaar aan te zien, samen voerden.
De Lord sprak:
„Ik heb er ernstig over nagedacht, wij moeten voorloopig van elkaar
scheiden.”
„Is dat dringend noodig?” klonk het van Charly’s lippen.
„Ja,” antwoordde Lord Lister. „De couranten vermelden, dat Raffles met
zijn secretaris is gevlucht, maar van jou is geen signalement
opgegeven.
„Ik moet voorzichtig zijn en zal mij in Parijs zoolang verbergen,
totdat mijn valsche baard door een echten vervangen is. Met behulp van
parafine-inspuitingen zal ik mijn neus dezen vorm laten behouden en met
mijn sterken baardgroei kan ik stellig over drie weken zonder vrees
weer opduiken.”
„En wat moet ik in dien tijd doen?” vroeg Charly.
„Ik leg hier op de bank de portefeuille met de 50,000 pond, die ik de
verzekeringmaatschappij heb afhandig gemaakt. Als ik wegga, neem jij ze
op, je neemt in Calais een andere coupé dan ik en reist naar Parijs.
Daar neem je je intrek in het Hotel Regina onder den naam Mc. Allan en
je geeft je uit als een rijke Schot, die voor zijn pleizier voor een
paar weken naar Parijs is gekomen. Je leeft daarnaar, betoont je zeer
vrijgevig en bekommert je verder niet om mij.”
„En wat gebeurt er met jou?” informeerde Charly Brand op angstigen
toon.
„Ik heb nog 2000 pond bij mij, dat is meer dan voldoende om in die drie
weken alles in het werk te stellen om alle mogelijke sporen uit te
wisschen.”
En zonder verder eenig antwoord af te wachten, legde Lord Lister de
zwarte portefeuille, die de banknoten bevatten, op een der houten
stoeltjes vlak bij hem en wandelde naar de kajuitstrap, die naar het
kleine rooksalon leidde.
Charly naderde het vouwstoeltje, nam de portefeuille op en stak deze in
zijn borstzak.
Als mijmerend bleef hij een paar minuten zitten, starend naar de zich
steeds meer verwijderende Engelsche kust.
Daarop stond hij op en begaf zich naar het middendek, waar meerdere
passagiers het zich op breede ruststoelen gemakkelijk hadden gemaakt.
Op een dezer stoelen rustte een jong meisje; haar slanke gestalte was
in een plaid gehuld, die haar tegen den frisschen zeewind beschutte.
Haar gezichtje, dat ondanks het lichtblonde haar zeer interessant was,
werd overschaduwd door een breede Engelsche reispet, die door een
langen, onder de kin vastgeknoopten sluier, werd vastgehouden.
Charly kon niet nalaten zijn oogen eenigen tijd op het aantrekkelijke
wezentje te laten rusten.
Een groote bekoring ging van deze geheele verschijning uit. Uit de
plaid, die de japon bedekte, kwamen twee kleine laarsjes te voorschijn,
welke een paar allersierlijkste voetjes nauw omsloten. Een plotselinge
windruk liet af en toe de fijne enkels zien en wanneer dan de hand van
onder de plaid te voorschijn kwam, ontdekte men onder den dunnen zijden
handschoen de sierlijke, slanke vingers.
De dame, die tot nu toe rustig in haar stoel had gelegen, scheen te
voelen, dat zij de opmerkzaamheid trok.
Zij keek op en een lange, uitdagende blik van haar donkere oogen, die
zeldzaam afstaken bij het blond der haren, viel op Charly.
Deze wendde zich nu af, als vreesde hij, door het aanknoopen van
galante avonturen hier de attentie te trekken.— — —
De „Senegambia” liep de haven van Calais binnen en op zeer korten
afstand van de aanlegplaats stond reeds de trein naar Parijs gereed.
Raffles stond al voor een eerste klasse coupé in de zijgang van den
trein en hij kon niet nalaten te glimlachen, toen hij zag, dat zijn
vriend Charly Brand in de aangrenzende coupé plaats nam, te zamen met
de pikante schoonheid, die ook hem aan boord reeds was opgevallen.
De trein zette zich in beweging.
Lord Lister trok zich terug in de coupé. Als Mc. Allan misschien van
plan was om zijn rol als rijke Schot in Parijs te spelen met behulp van
een galante dame, had hij daar niets tegen. Hij gunde den armen jongen,
wiens aanhankelijkheid hem trof, gaarne dat pleizier.
In Amiens, het eerste station van beteekenis, kocht Lord Lister het
Parijsche morgenblad, dat aan het station werd verkocht en tot zijn
groote voldoening zag hij, dat de Parijsche pers zich niet minder dan
de Londensche verdiepte in gissingen omtrent het geheimzinnige bestaan
van Raffles—Lord Lister.
Hij gevoelde zich nog veiliger toen hij bemerkte, dat het signalement
der Fransche bladen even weinig met zijn vermomd uiterlijk
overeenstemde als dat der Engelsche.
De trein stoomde het reuzenstation St. Lazare te Parijs binnen, waar
het licht der electrische lampen schitterde.
Lord Lister had het perron verlaten en was juist van plan, in een
rijtuig plaats te nemen, toen hij nog eens om zich heen keek om zijn
vriend in de menschenmassa te zoeken.
Hij zag hem en weer vloog een glimlach over zijn gelaat.
Charly Brand stond op korten afstand van hem, voor een geopend rijtuig
en hielp de blonde dame instappen. Daarop riep hij den koetsier een
adres toe, dat de Lord door het lawaai om hem heen niet kon verstaan,
nam bij de dame plaats en het rijtuig rolde weg.
Lachend steeg Raffles in zijn huurrijtuigje en reed naar het hotel, dat
hij den koetsier had opgegeven.
TWEEDE HOOFDSTUK.
GESTOLEN GOED GEDIJT NIET.
Reeds vier dagen was Raffles in Parijs. Reeds vier dagen lang genoot
hij in het steeds groeiende gevoel van veiligheid, dat zich van hem
meester maakte bij het lezen der courantenberichten over zijn eigen
aangelegenheden.
Hij had in Montparnasse een kamer gehuurd in een tweederangs hotel.
Lord Lister stond voor den smallen ingang van zijn hotel en dacht er
over na, hoe hij den avond zou doorbrengen.
Hij verveelde zich en het speet hem, voor zoo langen tijd het
gezelschap van Charly te moeten missen.
Het was halfvijf en de eerste avondbladen moesten reeds zijn
verschenen.
Raffles liep naar de naastbijzijnde courantenkiosk en ontvouwde,
langzaam voortloopende, het daar gekochte blad, terwijl zijn blik langs
de kolommen vloog.
Plotseling bleef hij staan.
Zijn oog bleef rusten op het met vette letters gedrukte opschrift van
een klein stadsbericht, waarvan de inhoud hem sterk interesseerde.
Daar stond in dikke letters:
POGING TOT ZELFMOORD IN HOTEL „REGINA”.
Een rijke Schot wordt bij een galant avontuur geplunderd
en tracht, uit wanhoop, zich van het leven te berooven.
Raffles had moeite om zichzelf te beheerschen.
Geen twijfel mogelijk, deze rijke Schot, van wien hier sprake was,
moest Charly Brand zijn.
Met koortsachtige haast vloog hij het artikel door, dat zijn vermoeden
bevestigde.
De Schot heette Mc. Allan, hij had getracht, zich een kogel door het
hoofd te jagen en was zwaar gewond naar het St. Louis hospitaal
gebracht.
Raffles aarzelde geen oogenblik. Hij sprong in een rijtuig en 20
minuten later bevond hij zich aan den ingang van het ziekenhuis.
Zonder veel moeite gelukte het hem, aan het bed van Charly te worden
toegelaten.
De ongelukkige was bij zijn volle bewustzijn. De kogel, die in het
achterhoofd was gedrongen, was door de doktoren reeds verwijderd en het
levensgevaar geweken.
Toen Raffles binnentrad, kwamen Charly Brand de tranen in de oogen.
De jonge dokter, die Raffles had binnengebracht, verwijderde zich
bescheiden en nauwelijks waren de beide vrienden alleen, toen Charly
snikkend vertelde, wat er met hem was gebeurd.
Hij had zich aangesloten bij de vrouw, die hem was opgevallen aan boord
der „Senegambia”.
Nadat zij eerst herhaaldelijk had geweigerd, had zij den tweeden dag er
in toegestemd, met hem naar het theater te gaan.
Charly had minder het plan gehad om galante avonturen te zoeken dan wel
om de hem door Lord Lister opgedragen rol van overmoedigen rijkaard
goed te spelen.
Na het einde der voorstelling had de auto der dame op hem gewacht.
Charly was ingestapt en glimlachend had de blonde dame hem uit een
gevulde bonbonnière gepresenteerd. Met haar welgevormd blank handje had
zij hem een der bonbons in den mond geduwd.
Verder wist Charly niet wat er met hem gebeurd was.
Hij moest in het rijtuig zijn ingeslapen en om vijf uur in den morgen
vond een agent van politie hem op den hoek van de Rue Rivoli, in de
buurt van zijn hotel.
Hij lag daar op de straatsteenen, tegen een muur geleund.
De portefeuille met 49,000 pond erin, was verdwenen, andere voorwerpen
van waarde en eenige biljetten van honderd francs, die hij in zijn
vestzak droeg, had men in zijn bezit gelaten.
Nadat men hem in het hotel had gebracht, was hij eerst tot het volle
besef gekomen van hetgeen met hem was voorgevallen.
Het ontzettende feit stond hem helder voor oogen: hij had den hem
toevertrouwden schat verloren.
Wanhoop greep hem aan, hij wilde zichzelf een kogel door het hoofd
jagen, maar het schot faalde en bracht hem slechts een verwonding toe,
zonder hem te dooden.
Raffles had naar het verhaal van Charly geluisterd, zonder hem in de
rede te vallen.
„Goddank!” riep hij uit, „dat je hand beefde en je je plan dus niet
hebt kunnen volvoeren! Hoe kan men zoo dom zijn, mijn jongen, zich om
een beetje geld van het leven te willen berooven!”
Met vochtige oogen keek Charly hem aan.
„Je vergeeft mij dus, Edward?”
„Och kom, er valt niets te vergeven,” antwoordde Raffles. „Ik voel
verbazend veel lust om in dit speciale geval de rol van Sherlock Holmes
te spelen om die nobele dame en haar medeplichtigen, want die moet zij
hebben, op te sporen en hun, als het kan, weer een deel van het
geroofde af te nemen.
„Je weet zeker niet, welken weg de auto nam?”
„Neen, ik heb er geen flauw vermoeden van, want ik ben blijkbaar
onmiddellijk na het gebruik van den bonbon ingeslapen,” sprak Charly.
„Nu, ik heb de schoone dame aan boord gezien en zou haar onder elke
vermomming terugkennen. Mocht het toeval mij op haar weg brengen, dan
kan je er zeker van zijn, dat ik het broeinest van ongerechtigheden
opspoor.”
„Wat wil je gaan doen?” vroeg Charly angstig.
„Voorloopig niets!” antwoordde Lord Lister.
„Ik zal alleen zorgen, dat ik op een dergelijk toeval ben voorbereid en
niet het slachtoffer word van haar slaapmiddeltjes. Daarbij zou ik niet
gaarne willen dat de politie zich met mij bemoeide. Voorloopig zou ik
liever niets met die heeren te maken hebben.”
Charly glimlachte.
„Heeft men je reeds ondervraagd?” vroeg Raffles plotseling.
„Neen, nog niet,” sprak de patiënt, „maar dat zal vanavond geschieden.
Men heeft mij het bezoek van den commissaris al aangekondigd.”
Raffles scheen een oogenblik ernstig na te denken.
„Vertel hem wat je wilt,” zei hij eindelijk, „maar in geen geval de
waarheid; breng hem zoover mogelijk van het spoor, want ik wil zelf
deze zaak ongestoord en op mijn gemak uitpluizen. Begrepen?”
Charly knikte.
Een zucht van verlichting ontsnapte den jongen man, nu zijn vriend hem
geen enkel verwijt had gemaakt.
„Ik ga nu heen en kom je morgen weer bezoeken,” sprak Raffles,
opstaande.
Daarop drukte hij Charly met eenige vriendelijke woorden de hand en
vertrok.
De Acacia-allée in het Bois de Boulogne is des morgens tusschen 11 en
12 de verzamelplaats van de elegante leegloopers van beiderlei kunne,
welke in Parijs talrijker zijn dan ergens ter wereld.
Dames uit den goeden stand begeven zich hierheen slechts in gezelschap
van heeren, terwijl de vertegenwoordigsters der demi-monde en van de
tooneelwereld hier alleen of vergezeld door haar luxehondjes flaneeren.
Het gewirwar van menschen was heden bijzonder druk in de Acacia-allée.
Ruiters en wandelaars passeerden elkaar in bonte rijen, terwijl
elegante voertuigen heen en weer ratelden over den met herfstbladeren
bedekten rijweg.
Op een der gehuurde stoelen, die aan weerskanten van den weg gereed
stonden, zat een eenzaam toeschouwer.
De naar Yankee-mode verzorgde baard, de zware wenkbrauwen en de groote
neus met te breede punt verrieden duidelijk den Amerikaan, terwijl de
degelijke en tevens elegante kleeding het type voltooide.
De man maakte den indruk, zeer geblaseerd en rijk te zijn en wie hem
daar zoo vol aandacht met zijn heldere, grijsblauwe oogen de voorbij
wandelende dames zag opnemen, moest wel denken, dat hij hierheen
gekomen was om aangenaam, vrouwelijk gezelschap te zoeken.
Daar naderde aan het einde van de laan een elegante equipage.
De dame, die de paarden mende, een typische blondine, wier opvallend
eenvoudig toilet haar fijnen smaak verried, scheen in deze omgeving nog
onbekend te zijn, want, in tegenstelling met de andere vrouwen, groette
niemand haar.
Toch scheen zij de algemeene attentie te trekken en toen de Amerikaan
vanuit zijn stoel de schoone wagenbestuurster opmerkte, stond hij op,
om haar beter te kunnen zien.
De blondine sprong, toen zij tot in het midden der allee was gereden,
met een sierlijke beweging uit het rijtuig. Zij wierp den groom, die op
de achterbank zat de teugels toe en begaf zich naar het wandelpad.
De eenzame toeschouwer hield zijn blikken onafgewend op haar gevestigd.
Met gespannen aandacht volgde hij al haar bewegingen en zag hij, hoe
zij onderzoekend naar de heeren keek, die haar glimlachend
voorbijgingen.
Geen hunner scheen haar echter te kunnen bekoren en zoo was zij den
Amerikaan genaderd, die haar met een langen blik en bijna onmerkbaar
glimlachje in de oogen keek, terwijl hij beleefd zijn hoed voor haar
afnam.
Een knikje en een aanmoedigende blik uit de donkere oogen was zijn
belooning.
Hij naderde haar en in onberispelijk Fransch, met een licht
Amerikaansch accent, sprak hij:
„Madame, ik ben u dankbaar, voor de wijze waarop gij mijn onbeleefden
groet beantwoordt.”
„Ah! Gij zijt een Amerikaan,” antwoordde de dame glimlachend en nog
voordat hij haar had kunnen antwoorden, vervolgde zij:
„Als gij wilt, gaan wij samen in „Café de Madrid” dejeuneeren.”
„Ik voeg mij natuurlijk naar al uw wenschen,” antwoordde de galante
Amerikaan.
De dame keerde zich om, de equipage werd door den groom tot aan den
rand van het voetpad gestuurd, zij nam plaats en greep de teugels.
Met een welsprekende handbeweging noodigde zij den Amerikaan uit, de
plaats aan haar zijde in te nemen.
Raffles, want hij was het, reed met de avonturierster, die hij dadelijk
had herkend als de schoone van de „Senegambia”, naar het „Café de
Madrid”.
De maaltijd was afgeloopen.
De kellners, die op geruischlooze wijze de gasten van het dure Café de
Madrid bedienden, plaatsten de Mokkakopjes op het tafeltje, waaraan
Raffles en zijn elegante dame hun maaltijd hadden gebruikt.
Het onderhoud vlotte uitstekend, maar Raffles had alle reden om zich te
verbazen. Elke poging die hij aanwendde om het gesprek een min of meer
pikant tintje te geven, leed schipbreuk.
Raffles stond voor een raadsel.
Deze vrouw, die zich door hem had laten aanspreken als een geslepen
demi-mondaine, gedroeg zich nu als een dame uit de beste kringen. En
toch was hij er zeker van dezelfde persoon tegenover zich te hebben,
die Charly tot haar slachtoffer had gemaakt.
Haar uitnoodiging echter, om des avonds de opera met haar te gaan
bezoeken, verdreef zijn twijfel weer. Hij beloofde het haar en beiden
stonden op om heen te gaan.
Zijn aanbod om haar naar huis te mogen geleiden, wees zij af, evenals
zijn voorstel om haar des avonds af te halen. Zij verzocht hem, tegen
acht uur bij de trap der groote opera op haar te willen wachten.
Daarop nam zij in de sierlijke equipage, die buiten wachtte, plaats,
nam de teugels uit de handen van den groom en na een gracieus
hoofdknikje der dame verwijderde het rijtuig zich en was weldra uit de
oogen van den verbaasden Raffles verdwenen.
DERDE HOOFDSTUK.
IN HET HOL VAN DEN LEEUW.
De voorstelling in de Groote Opera was afgeloopen.
In het heldere licht der electrische lampen bewoog zich een
onafzienbare menschenmenigte langs den boulevard, zoodat de groote
stroom operabezoekers, die het gebouw verliet, zich onmerkbaar hierin
oploste.
Lord Lister schreed door de middelste vestibule aan de zijde van zijn
laatste verovering.
Een wijde zwarte avondjas hing over zijn schouders en bedekte slechts
weinig van het keurige avondtoilet, dat zijn rijzige gestalte zeer
voordeelig deed uitkomen.
Zijn gezellin, wier prachtige japon zichtbaar was onder den losjes
omgeslagen witten theatermantel, wendde zich nu tot haar nieuwen
vriend.
„Ik heb mijn automobiel besteld en als gij er lust in hebt, soupeeren
wij in mijn huis, ik heb alles in gereedheid laten brengen.”
Met een vriendelijken glimlach nam Raffles de uitnoodiging aan.
Hij voelde, dat het beslissende oogenblik gekomen was en dat men hem
een dergelijk lot had toegedacht als zijn vriend Charly ten deel was
gevallen, die nu reeds 14 dagen geleden, volkomen hersteld, het
hospitaal had verlaten.
Lord Lister had zijn vriend niet medegedeeld, dat hij de rooveres op
het spoor was.
„Hier staat mijn auto,” sprak de dame, op een der vele gereedstaande
motorwagens wijzende.
„Naar huis!” riep zij tot den kleinen, mageren chauffeur; galant opende
Lord Lister de coupédeur en hielp haar instijgen.
Hij overtuigde zich ervan, met een greep in zijn jaszak, dat zijn
pistool daar tot zijn beschikking was, daarop nam hij naast de dame
plaats en de auto sloeg den weg naar de Champs Elysées in.
Raffles haalde een gouden cigaretten-étui uit zijn vestzak en sprak tot
de schoone blondine:
„U permitteert zeker wel, dat ik een cigarette rook?”
„O, ik wilde u mijn bonbons juist aanbieden,” antwoordde zij en een
kleine bonbonnière werd te voorschijn gehaald.
Lord Listers hart bonsde, want nu was het kritieke moment gekomen.
„Laat ons ruilen, Madame. Ik neem uw bonbon, als gij met uw klein
mondje een paar trekjes aan mijn cigarette doet”
„Als gij het graag wilt,” klonk het lachend en twee rijen paarlen
schitterden tusschen haar lippen. Hij stak een cigarette tusschen haar
lippen en gaf haar vuur. Terwijl zij den tabaksrook met lange trekken
opzoog, namen haar met ringen getooide, blanke vingers een bonbon uit
het sierlijke doosje en hielden deze aan den mond van haar cavalier.
Raffles kende de uitwerking van deze snoeperij. Voorzichtig hield hij
de bonbon tusschen zijn tanden en terwijl hij zich boog om de hand van
zijn dame te kussen, liet hij het gevaarlijke verdoovingsmiddel in zijn
rechterhand vallen.
Met leegen mond zette hij nog eenige oogenblikken de kauwbeweging
voort.
Met groote voldoening zag hij, dat de dame zijn cigarette alle eer
bewees.
Daarop leunde hij in de kussens terug en sloot schijnbaar de oogen, den
blik echter tusschen de nauwelijks geopende oogleden onafgewend op zijn
gezellin gevestigd houdende.
Hij zag duidelijk, hoe zij met een duivelsch lachje naar hem keek.
Een oogenblik wachtte zij nog, toen stond zij op, draaide het
electrische licht, dat in de auto brandde, uit en gaf door een telkens
herhaald kloppen tegen een der vensters, den chauffeur een teeken.
Het rijtuig had intusschen de Place de la Concorde bereikt en sloeg nu
den weg in naar de Champs Elysées.
De cigarette, die een sterk werkend slaapmiddel bevatte, moest nu
spoedig gaan werken om het plan van Raffles te doen gelukken, want hij
had geen flauw vermoeden, hoelang de rit nog kon duren.
Nu bemerkte hij opeens, dat de dame achteroverleunde en in die houding
onbeweeglijk bleef liggen.
Om zekerheid te hebben, trapte hij, schijnbaar in diepen slaap
verzonken, op haar voet, maar zij bewoog zich niet.
Nu stond hij op en boog zich over haar heen; zij was vast ingeslapen en
Raffles wist, dat zij in de eerste tien uur niet zou ontwaken.
Vastberaden trok hij zijn wijde avondjas uit; de revolver bracht hij in
veilige bewaring in een zijner broekzakken.
Hierop nam hij haar den lichten theatermantel van de schouders en sloeg
zijn jas om haar heen, waarin hij haar zoodanig hulde, dat haar japon
geheel bedekt was. Haar mantel sloeg hij losjes om, zoodat hij het
kleedingstuk elk oogenblik zonder eenige moeite van zich af zou kunnen
werpen.
Nu keek hij door het raampje naar buiten.
De auto was juist een der breede lanen van het Bois de Boulogne
ingereden en Raffles begreep uit de verminderde snelheid, dat zij het
doel van den tocht naderden.
Aandachtig keek hij naar buiten en kon, ondanks de onvoldoende
verlichting, de huisnummers onderscheiden.
De auto bleef staan; een enkele blik vertelde Raffles, dat het huis,
voor welks tuinhek zij zich bevonden, het nummer 117 droeg.
De chauffeur gaf met zijn hoorn een teeken, het hek scheen zich
automatisch te openen en de auto reed langzaam naar binnen tot vlak
voor de hooge, ruime poort van het gebouw.
Raffles zag, hoe de gedaante van een ouden man uit de geopende deur te
voorschijn kwam en hij kon duidelijk hooren, dat de chauffeur den ouden
man toefluisterde:
„Hij is verdoofd, Tatiana heeft mij het teeken gegeven.”
De auto was nu door de poort naar binnengereden, de breede deuren waren
weer dichtgevallen en Raffles kon bij het licht der beide autolantaarns
zien, hoe de chauffeur van den bok sprong en met den oude het portier
naderden.
Het beslissende oogenblik was gekomen.
Raffles rechterhand omklemde krampachtig zijn revolver en terwijl hij
met de linker van binnen de deur opende, fluisterde hij met gedempte
stem:
„Pst, zachtjes aan!”
Bij deze woorden tilde hij de in zijn jas gehulde vrouwengestalte in de
armen der beide mannen.
Doordat het licht in de auto niet meer brandde, was het hun beiden
onmogelijk, iets van het bedrog te ontdekken. Zij waren onmiddellijk
gereed om hun prooi mee naar binnen te nemen en juist hadden zij met
hun vermeend slachtoffer den lichtcirkel der beide rijtuiglampen
bereikt, toen een donderende stem hun toeriep:
„Halt!”
Vol ontzetting keken zij om.
Verlamd van schrik lieten zij hun last vallen.
Voor hen, geleund tegen de auto, stond een man, in rok gekleed, die hun
met dreigend gebaar zijn revolver voorhield.
Een enkele blik op de gestalte die aan hun voeten lag, verklaarde hun
wat er was gebeurd!
Voordat nog een enkel woord over hun lippen was gekomen, klonken op
gebiedenden toon Raffles’ bevelen:
„Neemt die vrouw op en draagt haar in huis, ik volg u en bij den
minsten tegenstand schiet ik u beiden neer. Dit wapen is voldoende om
er zeven schurken het levenslicht mee uit te blazen.”
De oude man trachtte op stamelenden toon iets te antwoorden, maar reeds
klonk het:
„Geen woord, of ik schiet. Vooruit, doet, wat ik u beveel!”
Bevend van angst namen de mannen het roerlooze lichaam op en, door
Raffles gevolgd, die het pistool in de eene en zijn electrische
zaklantaarn in de andere hand hield, zette de groep zich zwijgend in
beweging.
Zij gingen een trapje op, dat naar een glazen deur leidde. Hierdoor
kwamen zij in een vestibule, welke flauw verlicht was door een enkel
electrisch lichtje.
Op deze vestibule, die met dikke tapijten was belegd en waaraan
gemakkelijke Engelsche clubstoelen een zekerde behaaglijke gezelligheid
gaven, kwamen drie deuren uit, welke blijkbaar toegang gaven tot de
voornaamste vertrekken van de villa.
De beide dragers keken om naar Raffles, alsof zij diens verdere bevelen
wachtten.
Raffles gebood hun, Tatiana neer te leggen.
Terwijl hij zijn wapen op hen gericht hield, begon hij nu met zachte,
maar niet minder bevelende stem:
„Gij hebt drie weken geleden den Schot Mc Allan van alles beroofd en
hem 49,000 pond, in Engelsche banknoten van duizend pond, afgenomen.
Gij moet mij dat geld teruggeven.”
„Wij hebben het niet meer,” stamelde de oude bevend.
„Je liegt,” antwoordde Raffles bedaard en toen de oude hierop niets kon
antwoorden, vervolgde hij:
„Jullie hebt de keus, òf je geeft het geld terug, dan zal ik jullie met
rust laten en mij niet meer om je bekommeren, òf ge weigert, dan roep
ik onmiddellijk de politie op, nadat ik het je eerst, door middel van
dit wapen, onmogelijk heb gemaakt om te vluchten.”
„Behoort gijzelf niet tot de politie?” waagde de oude het nu, zeer
verbaasd, te vragen.
„Neen,” antwoordde Raffles, glimlachend bij de gedachte dat men hem
voor een detective had gehouden.
De oude man scheen een oogenblik na te denken, maar Raffles gunde hem
niet veel tijd.
„Nu, vlug een beetje, ik wacht op antwoord,” beet hij hem toe.
Aarzelend begon de oude:
„Ik heb u de waarheid gezegd, wij hebben nog slechts een deel van het
geld, als gij ons wilt volgen, kunt gij er u van overtuigen.”
„Goed,” antwoordde Raffles. „Jullie gaat vooruit, maar als je mij een
poets denkt te spelen, rekent er dan op, dat uw laatste oogenblik is
aangebroken.”
De oude man opende een der deuren, die op de vestibule uitkwamen en
trad, door den chauffeur gevolgd, binnen.
„Maakt licht!” beval Raffles en in hetzelfde oogenblik brandde een
groote kroon, die in het midden van de kamer aan het plafond hing.
Raffles trad binnen en overzag met een enkelen blik het vertrek.
De oude ging naar een schrijftafel en wilde een der laden openen.
„Halt!” riep Raffles. „Wat is daarin?”
„De rest van het geld,” antwoordde de oude man.
„Geen wapens?”
„Neen,” klonk het terug.
„Kerel, ik geloof je niet,” sprak Raffles.
Hij beval den chauffeur in den meest verwijderden hoek van het vertrek
te gaan staan met opgeheven armen.
De man gehoorzaamde.
Nu naderde Raffles den oude en, terwijl hij hem den mond van het
pistool tegen een der slapen drukte, beval hij hem, de schrijftafel te
openen.
„Als zich in het schrijfbureau iets bevindt, wat je woorden
logenstraft, schiet ik.”
„De schrijftafel bevat niets dan boeken en de rest van het geld,”
antwoordde de bedreigde sidderend van angst.
„Open ze dan!”
Raffles zag, dat de oude man de waarheid had gesproken.
Voor zijn oogen lag zijn eigen portefeuille, dezelfde, die hij aan
boord van de „Senegambia” aan Charly Brand had gegeven.
Raffles nam ze op en opende haar, zonder de beide mannen uit het oog te
verliezen.
Er waren nog 19 banknoten in van duizend pond.
„Waar is de rest van het geld?” vroeg Raffles, „maar spreek de
waarheid!”
De oude aarzelde geen oogenblik.
„Ik heb het gebruikt om dit huis te koopen, dat wij vroeger in huur
hadden.”
„Onder welken naam zijt gij eigenaar ervan geworden?”
„Ik heet Gregor Komartscheff.”
„Zijt gij Rus?”
„Van Russische afkomst, maar Turksch onderdaan.”
„En Tatiana?”
„Is mijn dochter.”
„En hij?” Raffles wees met zijn revolver naar den chauffeur.
„Dat is mijn neef Andrej”.
„Drijft gij uw schurkachtig bestaan reeds lang?” informeerde Raffles
„Neen, mijnheer,” antwoordde Komartscheff, „en geloof mij, het doel van
onze rooverijen is minder schurkachtig dan de daad. Het geld, dat wij
bemachtigen, dient om onze ongelukkige broeders in Turkije te
bevrijden.”
Lord Lister was te wantrouwend van aard om zonder slag of stoot een
dergelijk sentimenteel verhaal te gelooven.
Anderzijds echter was, na alles wat hij hier had gezien, de schijn vóór
den ouden man.
Hij nam de portefeuille met de rest van het geld en stak dit alles bij
zich.
Daarop sprak hij op minder dreigenden toon tot het tweetal:
„Uw streven, om rijken leegloopers de zakken te lichten, ten einde hun
geld voor nuttiger doeleinden te besteden, is mij niet geheel
onsympathiek en het zou best mogelijk kunnen zijn, dat wij tot een
overeenkomst kwamen.
„Als gij openhartig tegenover mij zijt, hebt gij niets van mij te
vreezen, zelfs al zou het ontbrekende geld niet weer voor den dag
komen.
„Ik zal morgenmiddag met mijn vriend Mc Allan, denzelfden, dien gij
drie weken geleden geplunderd hebt, bij u komen en als gij mij kunt
bewijzen, dat uwe verhalen op waarheid gebaseerd zijn, wil ik u in meer
dan een opzicht van dienst zijn.
„Voorloopig vertrouw ik u nog niet. Gaat mij dus beiden voor en brengt
mij weer naar buiten. Als ik weg ben, moet gij Tatiana naar bed
brengen. Zij zal in den loop van den morgen vanzelf uit haar verdooving
ontwaken.
„Ziezoo, wijst mij nu den weg.”
Beide mannen liepen voor hem uit en na eenige minuten had Raffles het
huis in de avenue van het Bois de Boulogne verlaten.
Hij liep de donkere straten door en de gebeurtenissen van dien dag,
vanaf de ontmoeting in het Bois de Boulogne tot aan het dramatische
einde passeerden in zijn gedachten nog eens de revue.
Het raadselachtige gedrag van het jonge meisje was hem nu begrijpelijk.
Het verhaal van den ouden man voldoende om de wonderlijke houding van
Tatiana te verklaren. Maar zouden de woorden van Komartscheff waarheid
bevatten?
Het viel Raffles niet moeilijk, er geloof aan te schenken. Maar hij
hield er niet van, alleen zijn gevoel te laten werken waar het zaken
betrof, die slechts konden worden opgehelderd door een logisch denkend
verstand.
Toch doemde telkens weer de liefelijke verschijning van Tatiana voor
hem op, naast het beeld van ongekunsteld leed, dat de gedachte aan den
ouden Komartscheff in hem wakker riep en toen Raffles tegen drie uur in
den morgen zijn bed opzocht, hoopte hij van ganscher harte, dat het
resultaat van zijn onderzoek naar de bewoners der villa niet in
tegenspraak zou zijn met hun eigen mededeelingen.
VIERDE HOOFDSTUK.
IN DE CATACOMBEN.
Tatiana Komartscheff ontwaakte uit haar verdooving.
De zon stond hoog aan den hemel en haar stralen schenen op het bed,
waarop het jonge meisje met groote zorg door haar vader was neergelegd.
Nu sloeg zij de oogen op en langzamerhand keerde haar bewustzijn terug.
Zij hief het hoofd op en keek in de kamer rond.
In een hoek van het vertrek zat haar vader.
„Papa, wat is er gebeurd?” klonk het nu op angstigen toon van haar
lippen.
De oude man stond op, sidderend en bleek naderde hij het bed zijner
dochter.
„Mijn lieve kind, wij zijn verraden, alles is ontdekt.”
Verschrikt sprong Tatiana op.
„Papa, laat ons vluchten, wij zullen elders de middelen vinden om ons
onderdrukt volk in zijn strijd tegen het tyrannieke juk te helpen en te
steunen.”
De oude schudde zijn hoofd.
In korte woorden vertelde hij haar de gebeurtenissen van den laatsten
nacht.
In dien tusschentijd kwam Andrej de kamer binnen.
Hij bleef zwijgend bij de deur staan en zijn blik hing met slaafsche
bewondering aan de trekken van de schoone Tatiana.
Komartscheff had zijn verhaal gedaan en Tatiana, die zich in de kussens
had opgericht, vroeg:
„Denkt u, dat die heer werkelijk terug zal komen?”
„Ja,” antwoordde haar vader. „Hij zei, dat hij zijn vriend Mc. Allan,
den Schot, zou meebrengen.”
„De arme man, die drie weken geleden in onze handen viel!” riep het
jonge meisje uit, terwijl een straal van vreugde haar gelaat
verhelderde.
Een uitdrukking van haat en minachting vertoonde zich in Andrejs oogen
en woedend mompelde hij eenige onverstaanbare woorden.
Komartscheff keek hem vragend aan en op ontstemden toon sprak Andrej:
„De groote belangstelling van Tatiana voor dien knappen Schot leek mij
dadelijk een slecht voorteeken en het is zoo uitgekomen. Het lijkt er
nu zelfs op, alsof zij er zich op verheugt, hem weer te zullen zien.
Als zij zulke gedachten in zich omdraagt, zal de zaak van ons volk
daaronder lijden.”
Tatiana wierp een blik vol minachting op den jongen man, en zonder
aarzelen sprak zij:
„Jij zoudt er natuurlijk niets tegen hebben, als ik de belangen van ons
volk aan jouw persoon opofferde, maar ik verzeker je, dat dit nooit zal
gebeuren.”
„Er is nu geen tijd om te twisten, laat ons liever overleggen, wat ons
te doen staat,” onderbrak Komartscheff het gesprek.
„Er valt niet veel te overleggen,” mompelde Andrej. „Als die twee zich
werkelijk hier wagen, zou het het beste zijn, hun voor eeuwig den mond
te snoeren.”
Met een blik vol ontzetting staarde Tatiana hem aan.
Komartscheff stond op, zijn gelaat was ernstig en een uitdrukking van
kalme waardigheid lag op zijn gelaat, toen hij tot zijn neef sprak:
„Wij hebben geroofd en de bezittingen van anderen gebruikt voor ons
doel, maar ik weet, dat ik al mijn daden voor mijn Hoogsten Rechter kan
verantwoorden. Nimmer echter zullen deze handen, die zich uitstrekten
naar het geld van anderen, om het onzen onderdrukten broeders aan te
bieden, bevlekt worden met het bloed van onschuldige menschen!”
Andrej wilde antwoorden, toen in hetzelfde oogenblik de bel weerklonk.
Beide mannen gingen de kamer uit.
De oude huishoudster, die elken dag haar bezigheden in de villa kwam
verrichten, opende de deur en liet Raffles en Charly binnen.
Toen de oude vrouw zich had verwijderd, vroeg Raffles:
„Is uw dochter ontwaakt?”
„Ja, een uur geleden,” antwoordde Komartscheff.
„En mogen wij haar zien?” informeerde Raffles verder.
„Zij ligt nog in bed,” sprak Komartscheff, „maar als de heeren met ons
willen binnengaan,” en hij opende de deur van de slaapkamer van
Tatiana.
De oogen van het jonge meisje vulden zich met tranen toen zij de beide
heeren zag, die bestemd waren geweest om haar slachtoffers te worden.
Heftig snikkend viel zij in de kussens terug.
Raffles was verbaasd bij het zien van haar ontroering, die zoo
ongekunsteld was, dat hij niet meer kon twijfelen aan de waarheid van
Komartscheffs verhaal.
Charly Brand was diep getroffen. Een gevoel van oneindig medelijden
maakte zich van hem meester en bedeesd trad hij naar het jonge meisje
toe.
„Ik bid u, wees kalm en droog uw tranen. Mijn vriend heeft mij de
opheldering, die uw vader hem gaf, medegedeeld, en ik geloof zonder
eenig voorbehoud aan de waarheid er van.”
Een blik vol innige dankbaarheid trof Charly.
Zij stak hem haar smalle, blanke hand toe, die hij eenigen tijd in de
zijne hield en met trillende lippen smeekte zij:
„Vergeef mij, wat ik u deed!”
Het kostte Charly moeite om zijn tranen te bedwingen.
„Ik heb u reeds lang vergeven en mijn vriend en ik zijn hierheen
gekomen, niet om ons te wreken, maar om u te helpen.”
Raffles had met een glimlach de twee gadegeslagen.
Nu kwam hij een stap nader en sprak:
„Dus, heeren, wij moeten nu niet sentimenteel worden, maar, practisch
en kalm overleggen, wat ons te doen staat.”
Hij wendde zich tot Komartscheff.
„Mijn naam is Donald Harrison en ik ben Amerikaan. Ik geloof, dat gij
hedennacht de waarheid hebt gesproken en daarom wil ik niet alleen geen
rekenschap hebben van hetgeen gij hebt gedaan, maar ik ben zelfs
bereid, u in het belang van het door u beoogde doel, verder te helpen.
„Als eerste voorwaarde stel ik echter den eisch, dat uw dochter niet
meer gebruikt wordt voor zulke schandelijke dingen, die haar onwaardig
zijn.”
Met een woedenden blik wendde Andrej zich tot den Amerikaan:
„Om welke reden maakt gij u bezorgd over het lot van deze dame?”
Raffles keek den jongen man verbaasd aan.
„Niet voor mijzelf, lieve vriend, maar in het belang van mijn vriend Mc
Allan.”
Een diepe blos kleurde bij die woorden de wangen van Tatiana en Charly
boog zich, als om de woorden van zijn vriend te bekrachtigen, over het
fijngevormde handje om er een langen kus op te drukken.
Slechts Andrejs misnoegen scheen grooter te worden, maar niemand lette
hierop.
Raffles vervolgde, terwijl hij zich tot Komartscheff richtte:
„Het huis, dat gij met het geld van mijn vriend hebt gekocht, wordt
mijn eigendom.
„Gij zult met uw dochter en uw neef de nog onbewoonde eerste étage van
de villa betrekken. Deze vertrekken gelijkvloers blijven ter
beschikking van mijn vriend en mij.”
Komartscheff scheen een oogenblik na te denken, daarop sprak hij met
zachte stem:
„Ik moet natuurlijk elk uwer voorwaarden aannemen, maar zullen wij onze
zaken daarboven verder drijven?”
„Neen, dat verbied ik u,” antwoordde Raffles.
„Maar wij hebben geld noodig voor onze heilige zaak,” klaagde
Komartscheff.
„Dat zal ik u verschaffen,” verzekerde de voorgewende Amerikaan. „Ik
drijf hier in Frankrijk groote zaken en de opbrengst van mijn
ondernemingen zal grootendeels uwe zaak ten goede komen.
„Ik denk, dat dit u aangenaam zal zijn, want gij loopt dan geen gevaar
meer, een menschenleven te verwoesten en de ziel van uw kind te
vergiftigen.”
Komartscheff keek vol innige dankbaarheid op naar den man, die hem als
een redder was verschenen.
Toen scheen hij een oogenblik na te denken. Eindelijk sprak hij:
„Al zouden de omstandigheden mij ook niet dwingen, uwe voorwaarden aan
te nemen, ik zou dit onder alle omstandigheden toch doen, want gij zijt
grootmoedig en edel. Eén verzoek wilde ik nog tot u richten.”
„Spreek,” antwoordde Harrison.
Na eenige aarzeling begon Komartscheff weer:
„Laat ons deze vertrekken behouden, want alleen Tatiana en ik wonen
hier. Andrejs woning bevindt zich in een eenzaam gelegen huis in de Rue
Bayen, het is door een geheime onderaardsche gang met deze villa
verbonden.”
„Dat is interessant,” liet Raffles zich ontvallen, „daar moet ik meer
van weten.”
„Ik heb geen enkele reden, u iets te verbergen,” sprak Komartscheff,
„ik verzoek u, mij te volgen.”
Hij opende een deur, die van de slaapkamer toegang gaf tot een
zijvertrek.
Raffles trad binnen en zag vol verbazing een groote ruime kamer, die
geen enkel meubel bevatte.
Alleen een kleine steendrukpers, een smeltoven, een zetkast en een zeer
primitieve, ruw houten plank aan den muur, waarop fleschjes en kleine
doosjes onordelijk door elkaar stonden, bevonden zich in deze ruimte,
die haar licht kreeg van een groot, nu echter door gordijnen gesloten
raam.
In een hoek tegenover het venster bevond zich in schuine richting een
met rijk beeldhouwwerk versierde schoorsteen.
Verrast over de vreemde meubelen, die deze kamer bevatte, bleef Raffles
een oogenblik op den drempel staan.
Komartscheff wachtte zijn vragen niet af, maar begon dadelijk uit te
leggen:
„Hier is mijn laboratorium, ik ben scheikundige van beroep en hier in
dit vertrek vervaardig ik de bonbons, die Tatiana noodig heeft voor het
verdooven van onze slachtoffers.
„Op deze kleine steendrukpers drukken wij vlugschriften, die van hier
uit met veel moeite in het Osmaansche Rijk worden binnengesmokkeld.”
„En waar bevindt zich de geheime gang?” vroeg de Amerikaan.
„Hier, kijk!”
Komartscheff was naar den schoorsteen gegaan; door een druk op een
veer, die handig in het snijwerk was verborgen, schoof hij den
schoorsteenmantel als een deur op zijde. Hij wees Raffles een smallen
ingang, die nu zichtbaar was geworden.
Raffles kwam naderbij.
Hij keek in de donkere opening en zag een trap, die naar beneden
voerde, maar waarvan het onderste gedeelte in de duisternis verloren
ging.
„Breng licht,” beval hij Komartscheff, „wij zullen naar beneden gaan.”
In dit oogenblik verscheen Andrej op den drempel der deur, die naar de
slaapkamer leidde.
Met van woede verwrongen gelaat keek hij naar Raffles en met moeite
siste hij:
„Mijn woning zult gij met rust laten, de oude—” hij wees naar
Komartscheff—„mag zich door u laten overbluffen, ik niet.”
Met onverstoorbare kalmte keek Raffles den jongen man in de oogen.
„Als woorden niet voldoende zijn, heb ik andere middelen voor u.”
Daarop draaide hij hem vol minachting zijn rug toe.
Achter Andrej zag Raffles Charly staan, die de twistwoorden had
gehoord. Andrej scheen echter gekalmeerd te zijn en door Charly
gevolgd, kwam hij nu het vertrek binnen.
Komartscheff had intusschen een lantaarn, die op de plank stond,
aangestoken en ging nu met het licht langs de smalle trappen naar
beneden.
De Amerikaan volgde hem, achter hem liep Andrej en eindelijk de
voorgewende Schot Mc Allan.
Op verzoek van Komartscheff trok Charly den schoorsteenmantel, die als
deur dienst deed, achter zich dicht en bij het flakkerende licht van de
lantaarn daalden zij een steile wenteltrap van ongeveer 40 treden af.
De gang, die zij nu bereikten, kon 12 à 15 meter lager liggen dan de
straat. De gang zelf was zoo breed, dat twee mannen elkaar konden
passeeren.
Lord Lister begreep, dat hij zich hier in een der diepe schachten
bevond, welke nog heden ten dage als de overblijfselen der oude
catacomben het onderaardsche Parijs doorkruisen.
Vermolmde doodshoofden en half verteerde beenderen, die op den bodem
lagen, bewezen, dat het vermoeden van Lord Lister juist was.
Langzaam bewogen de vier mannen zich voorwaarts bij het licht der
lantaarn.
Plotseling voelde Raffles, dat Andrej hem voorbijdrong.
Voordat hij begreep, wat deze van plan was, had Andrej zich tusschen
hem en Komartscheff geplaatst en terzelfder tijd weerklonk een slag. De
jonge man had de lantaarn op den grond geworpen, het licht doofde uit
en een ondoordringbare duisternis omgaf hen allen.
Dadelijk begreep Raffles den ernst van het oogenblik. Hij wilde snel
zijn revolver en electrische zaklantaarn te voorschijn halen, maar
reeds voelde hij zich door twee armen vastgegrepen en op den grond
geslingerd.
Een sterke hand omklemde zijn hals en met dreigende stem klonk het hem
in de ooren:
„Schurk, maak licht of ik wurg je!”
Raffles herkende de stem van Charly Brand, die in de meening was,
Andrej te pakken te hebben.
Hij wilde Charly waarschuwen, maar tevergeefs trachtte hij een woord te
spreken; als in een schroef was zijn hals vastgeklemd.
Maar daar drong een zwakke lichtstraal door de duisternis en met groote
snelheid naderde Tatiana de groep. Zij hield een lantaarn in haar
linkerhand, die een schitterend licht verspreidde.
In hetzelfde oogenblik sloop Andrej naar Charly toe, die over Lord
Lister gebogen stond. Hij hield een blinkenden dolk in zijn opgeheven
hand. (Zie het titelblad.)
Een heesche lach kwam van de lippen van den schurk en nog voordat
Charly op kon kijken, was de dolk in zijn zijde gedrongen.
Met een kreet wilde Charly opstaan, maar bewusteloos viel hij op
Raffles neer, die zich nu met inspanning van al zijn krachten van den
grond oprichtte.
Lord Lister overzag met een enkelen blik den toestand en begreep
onmiddellijk, wat hier gebeurd was.
Door een vuistslag neergeveld lag de oude man naast de lantaarn op den
grond. Vlak bij Raffles was Charly neergezonken en doodsbleek stond
Andrej tegen den muur, het bebloede wapen in de hand houdend.
Met een vloek wilde de schurk zich nu op Tatiana werpen, maar Raffles
was hem vóór. In zijn rechterhand het pistool geklemd houdend, riep hij
den jongen man toe:
„Terug, of ik schiet.”
Andrej wilde zich op zijn nieuwen vijand storten, maar terwijl hij zich
omdraaide, gleed zijn voet uit, hij viel en zijn eigen moordend wapen
drong hem in het hart.
Een bloedstroom kwam te voorschijn, een korte doodstrijd volgde en
Andrej was een lijk.
Eerst nu zag Tatiana, dat Mc Allan gewond was. Met een kreet van schrik
trok zij de kleeren van de wond, waarna zij haar zakdoek gebruikte om
het bloed te stelpen.
Raffles, die wel zag, dat Komartscheff uit zijn bewusteloosheid
ontwaakte, schoof de bevende Tatiana op zijde.
„Laat dat, kindlief, ik zal onzen vriend naar de villa terugdragen. Ik
hoop, dat zijn wond ongevaarlijk is, help gij uw vader, die uw steun
noodig heeft.”
Daarop nam hij Charly op en droeg hem naar de trap terug.
Geleund op den arm zijner dochter volgde de oude Komartscheff.
Met moeite beklom men de trap en terwijl de oude man uitgeput in een
stoel neerviel, legde Raffles met hulp van Tatiana den gewonden vriend
op het bed van het jonge meisje.
Een vluchtig onderzoek had hem ervan overtuigd, dat de wond inderdaad
van onschuldigen aard was. Vóór alles moest door een stevig verband
verder bloedverlies voorkomen worden.
Met vochtige oogen hoorde Tatiana’s vader naar Raffles’ verhaal over
het gebeurde in de onderaardsche gang.