Baltische patroeljes trokken evenwel reeds door de straten e

Produced by R.G.P.M. van Giesen

[Illustratie: voorkant kaft met de tekst:

J. FABIUS

IN HET

HOL VAN DEN LEEUW

REISSCHETSEN

UIT

SOVJET-RUSLAND

A. W. SIJTHOFF'S UITGEVERSMAATSCHAPPIJ

LEIDEN

illustrator: PIET C. WAGNER '20

]

IN HET HOL VAN DEN LEEUW

In het Hol van den

Leeuw

REISSCHETSEN UIT SOVJET-RUSLAND

DOOR

J. FABIUS

Eerste-Luitenant der Veld-Artillerie

[Logo: ALTYT WAEK SAEM]

A. W. SIJTHOFF'S UITGEVERSMAATSCHAPPIJ

LEIDEN -- MCMXX

Inhoudsopgave

OP WEG NAAR HET OOSTEN - Bartenstein, 15 Mei 1919

UIT OOST-PRUISEN - Koningsbergen, 18 Mei

DE VEROVERING VAN RIGA - I. Riga, 23 Mei

DE VEROVERING VAN RIGA - II. Riga, 22 Mei

LETLAND - Libau, 23 Mei

LITAUEN - Kowno, 4 Juni

OP WEG NAAR HET OOSTEN - Kowno, 16 Juni

TE WILNA AANGELAND - Wilna, 18 Juni

UIT LITAUEN - Wilna, 20 Juni

DOOR POLEN - Warschau, 23 Juni

WARSCHAU - I. Warschau, 28 Juni

ECONOMISCHE VOORUITZICHTEN IN POLEN - Warschau, 2 Juli

IN AFWACHTING - Warschau, 5 Juli

POOLSCH ALLERLEI - Warschau, 8 Juli

OP WEG NAAR RUSLAND - Bogdanof, 15 Juli

EEN ONDERHOUD MET TSJITSJERIN

EEN BEZOEK AAN BOLSJEWISTISCH RUSLAND - Berlijn, 30 Augustus, 1919

MIJN DAGBOEK - I. Krosne, 28 Juli

Aan het poolsch-bolsjewistische front - II. Radoskowitsj, 29 Juli

Door het bolsjewistische front - III. Slavino, 3 Augustus

Naar Smolensk - IV. Polosk, 5 Augustus 1919

Op weg naar Moskou - V. Smolensk, 7 Augustus

In Moskou - VI. Moskou, 9 Augustus

Te Moskou - VII. Moskou, 11 Augustus

De terugreis - VIII. Kowno, 26 Augustus

DE OOSTZEEPROVINCIËN - Berlijn, 3 September

DE STRIJD TEGEN DE SOVJET-REPUBLIEK - Berlijn, 16 September

OP WEG NAAR HET OOSTEN

Bartenstein, 15 Mei 1919

's Avonds aan het station Charlottenburg, Berlijn. Om 8.40 moet de

trein naar Oost-Pruisen vertrekken, ik ben er al om acht uur, maar

geen denken aan om een kaartje te krijgen, er staan nog wel een

honderd menschen voor het loket. Ik heb een pas, zonder welken ik

niet eens het recht had een kaartje te koopen, maar wat geeft me dat

op dit ogenblik? Gelukkig heb ik niet veel bagage, een handkoffer en

een pels, hoe zou ik het anders klaar spelen door de menigte te

dringen.

Ik besluit het nu maar zonder kaartje te probeeren, en het gedrang is

zoo groot, dat het me werkelijk lukt door de eerste controle heen te

komen, maar aan de trap die naar het perron leidt word ik weer

tegengehouden "Fahrschein bitte".

Nu komt het er op aan brutaal te zijn. In de eene hand mijn koffer,

over den anderen arm mijn pels loop ik haastig door, zonder den

beambte een blik te gunnen, hem snel toeroepend: houd me niet op, je

weet toch -- meer zei ik maar niet, want wat hij weten moest, wist ik

natuurlijk ook niet; in elk geval, de overbluffingstheorie, voor de

zooveelste maal in practijk gebracht, voldeed ook hier uitstekend, en

ongehinderd kwam ik op het gelukkig niet zoo volle perron.

De stationschef, tot wien ik mij wend, weet raad, de twee achterste

rijtuigen van den trein zijn gereserveerd voor de commissie die bij

president Ebert namens Oost-Pruisen geprotesteerd heeft tegen de

vredesvoorwaarden. Daarbij mag ik mij aansluiten, en zoo tref ik het

in alle opzichten. Ik krijg een mooi plaatsje voor deze nachtelijke

reis zonder slaapwagen en tegelijk kan ik me van den toestand al

direct op de hoogte stellen, aangezien ik met louter kenners van land

en luiden in de coupé zit.

Een stukje kwatta doet wonderen en eer wij een uur onderweg zijn, zit

ik dan ook zoo familiaar mogelijk met de heeren te praten.

Ik moet mij nog volkomen op de hoogte stellen. Een kaart van

Oost-Europa heb ik te Berlijn gekocht, maar dat is dan ook alles.

Verder weet ik niets. Ik maak dien avond echter ongetwijfeld groote

vorderingen, maar ik zal eerst nogeens een betere kaart moeten zien

te krijgen en dan eens een brief wijden aan de balkaniseering van

Oost-Europa, want dit is een vraagstuk op zichzelf. Mijn reisdoel is

het juist, door eigen aanschouwing hiermee kennis te maken en zoo

boegseer ik daarom naar het noorden om mij zoo langzamerhand naar het

zuiden te laten afzakken tegelijkertijd zoekend het gaatje, om door

de linies heen naar het Verre Oosten een kijkje te nemen.

Mijn reisgezelschap behoort niet tot hen die de revolutie gemaakt

hebben, een bankdirecteur, een grootgrondbezitter, een

"regeeringsrat". Wanneer het gesprek dan ook op de vredesvoorwaarden

komt, waartegen zij heftig protesteeren, neem ik toch de vrijheid hen

te vragen: maar hoe denkt de bevolking er nu over? Mijn vraag wordt

begrepen, dan zegt me een der heren: ga eens naar Wennig, den

Rijkscommissaris voor het Oosten en spreek met hem, hij is

meerderheidssocialist, en door de revolutie op dezen post gekomen.

Dan verflauwt het gesprek, we wikkelen ons in onze jassen (hoe

dankbaar ben ik een pels meegenomen te hebben) en zoo dommel ik in.

Om tien uur zijn wij in Koningsbergen en dank zij de goede zorg der

militaire autoriteiten, vond ik een hotelkamer met bad voor mij

beproken.

Na hiervan eerst te hebben genoten, ga ik natuurlijk mijn opwachting

bij de verschillende autoriteiten maken en de officieren van den

generalen staf, wien ik mijn plannen voorleg. Zij kijken eerst wel

wat bedenkelijk, maar wanneer ik hen mijn papieren getoond heb, komen

zij bij en beloven mij hun medewerking bij al mijn plannen.

Dat is al veel, en nu naar den regeeringspresident.

Ik laat mij aandienen en een oogenblik later sta ik tegenover een

stevige, ik zou haast zeggen hollandsche figuur; rood haar, energiek

gezicht, kleine roode snor.

Ik vertel hem het doel van mijn komst en onderwijl bekijken wij

elkaar even; een wederzijdsch opnemen, dan gaan wij zitten.

De brandende quaestie is op het oogenblik natuurlijk: wat zal er

gebeuren, wordt er onderteekend of niet? Ik vraag dan ook direct: wat

denkt u van den toestand?

Het antwoord is zeer beslist, want Pruisen geeft niet toe, men kan in

Berlijn doen wat men wil -- de bevolking hier, uitgezonderd misschien

een handjevol Spartaciërs, zal zich niet door de Polen laten

ringelooren.

Dus, zeg ik, als de regeering te Berlijn teekent, zullen Oost- en

West-Pruisen zich dan losscheuren?

Zeker, is het antwoord. Deze provincies zijn landbouw-gewesten, wij

kunnen ons zelven voeden, uithongeren kan men ons niet, wij hebben

kolenvoorraad voor eenige maanden en wij hebben, wat de hoofdzaak is,

vastberaden, energieke mannen, die, net als in 1813, er alles op

zullen zetten, dit land duitsch te houden.

De machtige toon waarop dit gezegd wordt, maar toch zonder eenig

pathos, maakt indruk.

Maar hoe staat het met de Polen, die hier wonen? vraag ik dan weer.

Laat ik eerlijk zijn, zegt de rijkscommissaris, er zijn hier poolsche

districten, eilandjes in de overigens absoluut voor de meerderheid

duitsche bevolking, maar deze zijn zoo weinig poolsch, dat zij hun

krant in 't duitsch drukken, en zij zouden ook niets voor Polen

voelen, wanneer de Entente-propaganda niet eenigen indruk gemaakt

had. Zij, die tot Polen overgaan, zullen n.l. vrij zijn, van den

geweldigen belastingdruk, die op Duitschland zal rusten.

Het is zoo langzamerhand etenstijd geworden, en als ik weg wil gaan,

noodigt de rijkscommissaris mij uit met hem te middagmalen.

Zoo leer ik dezen merkwaardigen man, eerst arbeider, later

journalist, sociaal-democraat, bij alle partijen hier in 't Oosten

zeer gezien en populair, beter kennen.

Hij vertelt me, hoe de keizer hem liet ontbieden om de stemming der

bevolking te weten, maar hoe Z.M. hem toen niet aan het woord liet

komen; hoe hij eerst tegen het eind der vorige regeering als gezant

naar Litauen gestuurd werd, tot de revolutie hem op zijn

tegenwoordigen post bracht. De eerste jaren van den oorlog soldaat in

hetzelfde gebied, waar hij nu regeert, zegt hij nu in te zien, hoe

dikwijls een regeerder gedwongen wordt, maatregelen te nemen, zonder

dat hij het er zelf geheel mee eens is; de omstandigheden zijn

dikwijls te machtig. Ik bemerk dat hij daarbij, van zichzelf

sprekend, op den keizer doelt.

Ik krijg uit dit alles den indruk, dien ik in de laatste dagen meer

kreeg, ook onder het volk, dat men de revolutie eenigszins betreurt,

of beter, het moment waarop zij is uitgebroken. De vredesvoorwaarden

schijnen de Duitschers wakker te schudden, en ten minste hier in 't

Oosten laait de vlam van het patriottisme hoog op.

Ik voel, met dien regeeringscommissaris pratend, hoe ik met een

m a n te doen heb, met een figuur, geschikt om te regeeren en te

handelen in moeilijke tijden, en het is misschien de grootste fout

van het vroegere régime, dat het dergelijke figuren te weinig

gelegenheid bood om naar voren te komen.

's Avonds ben ik te gast bij een majoor van den generalen staf, die

mij in een allergezelligst familiemilieu meeneemt. Met hem bespreek

ik dan mijn plannen voor de reis.

Ik moet eerst nog eens goed bedenken, hoe ik zal gaan; het front is

zoo ingewikkeld: hier vechten Duitschers tegen Bolsjewisten, geholpen

door de Polen, een eind verder staan Duitschers en Polen weer

tegenover elkaar; waar moet ik nu naar toe? Maar daar hoor ik opeens,

dat een heel goede vriend, dien ik al jaren ken en met wien ik al zoo

menig avontuur beleefde, heel in 't Noorden zit. Dat maakt aan al

mijn weifeling een eind. Ik ga ook naar het Noorden.

*

* *

UIT OOST-PRUISEN

Koningsbergen, 18 Mei

Het is hier in 't Noorden op het oogenblik nog koud en als men eenige

uren in een open auto heeft doorgebracht, zegent men de centrale

verwarming op zijn hotelkamer.

Ik ben vanmiddag naar het hoofdkwartier-Oost geweest, in gezelschap

van een majoor van den generalen staf.

Langs den gladden breeden weg suisden wij voort, door het prachtige

voorjaarslandschap, vlak, hier en daar toch even een golving, net

genoeg om relief te geven. Veel weiden passeerden wij met hollandsch

vee, zwart-bont, en hier en daar stond een molen, net als bij ons.

Heel vroeger schijnen hier ook hollandsche nederzettingen te zijn

geweest, landverhuizers, onder den Grooten Keurvorst hierheen

getogen. De huizen zijn groot en welvarend, nu en dan een klein

kasteeltje, meer echter nog buitenhuizen.

Wij zijn hier in 't land der groot-grondbezitters, met bijna geen

kleinen boerenstand.

De verhoudingen zijn nog patriarchaal, en ook de adel zelf is nog

eenvoudig, nog weinig doende aan luxe, meer nog de heereboer.

Kijkt men op de kaart, dan is het land bedekt met historische namen;

Eylau en Friedland doen aan Napoleon terugdenken. Wij passeerden het

slagveld van Eylau, waar op de plaats, waar Napoleon stond, een

eenvoudig gedenkteeken is opgericht; maar dan lezen wij een eindje

verder Gumbinnen-Stallupönen en ineens zijn wij weer midden in den

tegenwoordiger wereldbrand.

In het hoofdkwartier werd ik heel vriendelijk ontvangen en toen ik

mededeelde, dat het mijn plan was door de linies te gaan, bleek men

daartegen in 't geheel geen bezwaar te hebben.

De politieke toestand is hier in 't Oosten anders wel buitengewoon

ingewikkeld. Ik begin er nu zoo langzamerhand eenig beeld van te

krijgen en aangezien het den waarden lezer wel net zoo gegaan zal

zijn als mij, n.l. dat hij er niets van weet, zal ik trachten u een

klein beeld van den toestand te geven.

Ik voeg er vooraf aan toe, dat dit geen eigen aanschouwing is, maar

dat komt later, eerst is het toch wel noodig een algemeen overzicht

te geven.

Sedert den wapenstilstand in November is hier in 't noord-oosten een

eigenaardige toestand ontstaan doordat de Polen, in afwachting van

den vrede, reeds een gedeelte van Duitschland bezet hebben. De

Duitschers hebben daartegenover hun maatregelen genomen door hun in

de oostelijke garnizoenen gedemobiliseerde troepen met vrijwilligers

weer op sterkte te brengen. Tezamen vormen die troepen de

"Landesschutz Ost." Deze Landesschutz heeft echter ook nog te waken

tegen de bolsjewiki, waarmede de Polen echter ook op voet van oorlog

staan. Gedeeltelijk vechten hier dus Duitschers en Polen tegen

elkaar, en gedeeltelijk naast elkaar.

De Polen zelf hebben echter nog meer te doen, want ook met

Tsjecho-Slowaken en Oekrainers staan ze op niet al te besten voet.

De Bolsjewiki, dat eigenlijk een verzamelnaam is voor troepen op zeer

heterogene wijze samengesteld, worden door de Duitschers

tegengehouden in Koerland, Estland en Litauen, vroeger russisch

gebied dus.

Het front loopt ongeveer van Riga, precies in zuidelijke richting,

tot in de buurt van Lyck, waar het duitsch-poolsche,

poolsch-bolsjewistische en duitsch-bolsjewistische front tezamen

komen.

Dat is ook het punt, waar de liefhebber zich voor duizend roebel naar

Rusland kan laten overzetten; er zijn nog wel meer gaatjes in het

front, maar dit schijnt een van de meest gebruikte.

In dit vroegere russisch gebied is tusschen de Letten, die daar

sedert den vrede van Brest-Litofsk een eigen staat hebben, en

Litauen, door het optreden der bolsjewiki een scheuring ontstaan en

daar schijnen de eigenaardigste toestanden te heerschen.

Ik hoop er morgen heen te vertrekken en kan u dus binnenkort uit

eigen ervaring meedeelen hoe de vork in den steel zit.

De entente schijnt nu geëischt te hebben dat de Duitschers zich uit

dit gebied terugtrekken.

Goed, zeggen de Duitschers, weet dan echter wel dat wanneer wij hier

weggaan en ons achter de grens van 1 Augustus 1914, d.i. dus ongeveer

bij Memel, terugtrekken, de bolsjewiki hier onmiddellijk zullen

binnenvallen en dan moet je zelf maar zien hoe je ze er uit krijgt.

De voor de hand liggende oplossing zou zijn dat de Entente er dan

troepen heen stuurde, maar dat gebeurt niet, en dientengevolge

blijven de Duitschers er rustig zitten.

Te Koningsbergen zelf hoort men van niets anders dan van

protestvergaderingen tegen de vredesvoorwaarden, hetgeen zeer

begrijpelijk is als men bedenkt, dat Oost-Pruisen te land geheel en

al van het duitsche rijk zal worden afgesneden en daardoor in een

heel moeilijke positie komt.

Litauen schijnt, hoewel niet bepaald poolsch gemaakt, toch wel door

sterke banden met Polen te zullen worden verbonden.

Men beweert in oost-pruisische handelskringen, dat het een schijn van

onafhankelijkheid zal behouden, omdat de Engelschen er een goed oogje

op hebben om er het hout voor hun mijnen vandaan te halen.

Hoe het zij, de verbittering is groot, en kan aanleiding geven tot

zeer eigenaardige gebeurtenissen.

Men schijnt zich tot Hindenburg gewend te hebben om hem te vragen de

leiding te nemen bij een algemeen verzet. Die schijnt er echter niet

aan te willen en thans hoort men andere namen noemen.

Wij zijn hier in Oost-Pruisen op historischen bodem, en ook in 1813

begon hier de beweging die Duitschland bevrijdde.

Ik sprak dezer dagen een ouden Duitscher, die mij zeide: wij mogen

blij zijn dat de entente met zulke voorwaarden voor den dag is

gekomen, daardoor vinden wij onszelf terug, en dat hadden wij na de

Novemberdagen noodig.

Voor Oost-Pruisen is het dan ook wel om wanhopig te worden.

Afgesneden niet alleen van het eigen land, maar ook van Rusland, waar

het zooveel handelsbetrekkingen had, want niet alleen in de

Oostzee-provinciën leven heel veel duitsche families, groot

grondbezitters ook, die, hoewel trouw aan het russische rijk, veel

relaties met de Oost-Pruisen onderhielden.

Dat de Polen zeer fel gehaat zijn, blijkt m.i. ook wel uit de

plakkaten, die men overal aangeplakt ziet om de doortrekkende

poolsche troepen van generaal Haller niet te beleedigen. Daar waar

Franschen, Engelschen, Amerikanen overal ongehinderd in uniform door

Berlijn loopen, lijkt mij dit toch wel typeerend.

*

* *

DE VEROVERING VAN RIGA

I

Riga, 23 Mei

Woensdagavond kreeg ik plotseling bericht, dat er een extra-trein

naar Mitau zou rijden; of ik lust had om mee te gaan. Ik pakte in

allerijl mijn boeltje en kwam nog juist bijtijds aan het station.

Daar hoorde ik wat er aan de hand was. De baltische landweer zou den

volgenden dag Riga bestormen en men was zoo vriendelijk mij uit te

noodigen om er bij te zijn.

Wij zaten den heelen nacht in den trein en kwamen 's ochtends om 8

uur te Mitau aan.

Toen destijds, na de revolutie, de duitsche troepen werden

teruggetrokken, bezetten de bolsjewiki dadelijk na de ontruiming

Mitau en Riga, waar een letsch sovjetbestuur werd ingesteld. In Mitau

heeft dat bestuur slechts kort geduurd, doch in Riga wist het zich te

handhaven. Wat er te Riga voorviel, wist men eigenlijk niet, ofschoon

de letsche autoriteiten wel op de hoogte waren. De tegenwoordige

minister-president had namelijk, als bolsjewiek vermomd, eenige

bezoeken aan de stad gebracht en er met verscheidene personen

onderhandeld. Daardoor was den ingewijden bekend, dat de bevolking

van Riga met het nieuwe bewind allerminst ingenomen was.

Aangezien Riga met haar 500,000 inwoners, waarvan ongeveer 75,000

Duitschers zijn, de invloedrijkste stad van Letland is, was er de

regeering veel aan gelegen, ze weer in haar macht te hebben en zoo

kreeg de baltische landweer opdracht, de stad te veroveren.

Intusschen konden de Letten daarbij de hulp van de duitsche troepen

niet missen, want zoodra één deel van de linie in beweging kwam,

moest natuurlijk alles voorwaarts. Daar de bolsjewiki juist de

laatste dagen hevige aanvallen deden, hadden de Duitschers echter

zelf de handen vol; zij beloofden niettemin, als de baltische

landweer oprukte, ook hun vleugel zoover mogelijk naar voren te

schuiven, om den samenhang te bewaren.

Bij de verovering van Mitau op de bolsjewiki was gebleken, dat de

bolsjewistische letsche bevolking een waar schrikbewind tegen de

baltische families -- met name den adel -- en tegen de letsche

bourgeoisie had uitgeoefend. Meer dan duizend menschen waren

weggesleept of gedood en bijna elke baltische familie heeft het

verlies van een of meer leden te betreuren. In de meeste gevallen

waren de vrouwen, die door de letsche bolsjewiki in een

vrouwenbataljon waren ingedeeld, de hoofdschuldigen.

De verbitterde stemming, die wegens het gebeurde te Mitau aan

weerszijden heerschte, maakte den strijd om Riga buitengewoon

hardnekkig, daar men over en weer wist dat geen pardon zou worden

gegeven.

Van Mitau gingen we -- een duitsch majoor van den generalen staf, die

bij de bestorming tegenwoordig wilde zijn, een ordonnans-officier en

mijn persoon -- per auto verder. De oude linie van de bolsjewiki lag

weinig meer dan 5 K.M. van Mitau, maar wij wisten dat de aanval die

bij 't aanbreken van den dag was begonnen, snel was opgeschoten en

dat de bolsjewiki, blijkbaar overrompeld, overhaast terugtrokken.

Wij konden gemakkelijk uitmaken waar gevochten werd, omdat de

baltische kabelballon ons de plaats wees vanwaar de staf den strijd

leidde en wij zagen dadelijk dat de landweer in enkele uren zeer

aanzienlijk was opgeschoten. Wij snorden in snelle vaart langs den

weg, voorbij de twee oude linies en daarna door het gebied dat pas

nog in handen der bolsjewiki was geweest. Hier was klaarblijkelijk

niet hard gevochten, want wij zagen maar weinig sporen van strijd en

de weg was nagenoeg leeg. Hoe meer wij echter den kabelballon

naderden, des te voller werd het op den rechten weg; wij passeerden

treinkolonnes, troepenafdeelingen (alle soldaten droegen duitsche

stalen helmen), batterijen, keukenwagens enz., alles zwaar beladen en

met stof bedekt. Het leek meer op een volksverhuizing dan op een

legermacht, maar niettemin kon een vakman dadelijk waarnemen dat er

goede orde heerschte en dat de Balten, aangevoerd door officieren die

vroeger in het duitsche leger hadden gediend, hun werk kenden. Wij

reden ook een vliegtuig voorbij, dat enkele oogenblikken tevoren met

twee officieren te pletter was gevallen. Het terrein was doorsneden

met loopgraven en prikkeldraadversperringen; hier lagen namelijk de

slagvelden uit den wereldoorlog en nergens was dan ook een huis meer

te zien, doch slechts puinhoopen; zelfs de bosschen waren

grootendeels vernield.

De kolonnes aan den rechterkant van den weg trokken alle zoo snel

mogelijk voorwaarts en toen wij den staf bereikten, die zijn tenten

op een weide naast den weg had opgeslagen, hoorden wij dat de

bolsjewiki na een achterhoedegevecht nog altijd terugtrokken.

De baltische troepen waren reeds weer in kolonneformatie gebracht en

alles stormde voorwaarts om de voeling met den vijand niet te

verliezen en hem geen tijd te laten de bruggen over de 800 M. breede

Duna te vernielen.

Nadat wij ons eenigen tijd bij den staf hadden opgehouden, waar alle

berichten inkwamen -- met estafetten, auto's of vliegtuigen -- reden

wij verder. Het was een schouwspel als uit den ouden bewegingsoorlog;

hier waren geen loopgraven, slechts naast en achter elkaar

marcheerende kolonnes. Na eenigen tijd zagen wij de eerste huizen der

aan deze zijde van de Duna gelegen voorstad van Riga. Toen wij die

voorstad binnenreden sprong een jong kapitein op onze auto toe en

riep "rijd niet verder! De weg ligt onder machinegeweervuur. Er wordt

nu om de brug gevochten."

Wij volgden den goeden raad op, stapten uit en slopen langs de huizen

verder naar voren. Het was een breede straat waar wij doorkwamen;

angstige bewoners gluurden hier en daar uit de vensters. In het

midden was de straat vrij, daar lagen eenige dooden op den rug. Aan

beide kanten trokken de troepen voorwaarts met het geweer in den

aanslag. Tusschen de gelederen in werden de machinegeweren gedragen;

ik zag ook eenige gevangenen die als munitiedragers dienst deden. Van

de brug weerklonk hevig vuur.

Opeens viel vlak bij ons een schot uit een tuin; dadelijk drong een

patroelje er binnen en even later zagen wij een bolsjewiek den tuin

uitrennen en meteen neervallen, door een kogel getroffen.

De officieren, die de Balten aanvoerde; hadden allen geweren genomen

en naar beide kanten van de straat werd nu front gemaakt. Men zei dat

er nog meer bolsjewiki in de naastgelegen tuinen zaten, en dat bleek

ook juist want overal om ons heen werd geschoten. Niettemin bleef de

orde in de steeds voortrukkende kolonne voorbeeldig.

Plotseling, na een hoek te zijn omgeslagen, zagen wij de bruggen over

de Duna, een voor de spoorlijn en de andere voor voetgangers, voor

ons liggen met op den achtergrond de stad Riga. De bruggen waren

ongeschonden in handen der baltische troepen gevallen, die reeds op

den overkant der rivier in gevecht gewikkeld waren. Men kon duidelijk

zien hoe uit de huizen op hen gevuurd werd. Tot mijn verbazing bewoog

zich, ondanks het groote gevaar, een dichte menigte burgers, o.w.

vele vrouwen en kinderen, op de kade. Toen daarop echter de

machinegeweren begonnen te ratelen en de zware slagen der mijnwerpers

weerklonken, renden allen weg en zochten dekking achter muren.

Het gevecht was zeer goed te volgen, zelfs met het bloote oog. Het

ging om de huizen waaruit geschoten werd, waarin men de projectielen

der mijnwerpers kon zien inslaan. Steeds nieuwe troepen trokken over

de bruggen en in omgekeerde richting begon reeds de stroom van

gevangenen, die aan onzen kant van de rivier werden verzameld. Dan

werden de leiders, die verantwoordelijk werden gesteld voor de begane

wreedheden, er uit gezocht en na kort verhoor standrechtelijk

neergeschoten. Bijna allen stierven koelbloedig; slechts één

trachtte, natuurlijk te vergeefs, te vluchten.

Middelerwijl was vlak bij ons een batterij opgesteld, die de huizen

aan den overkant onder vuur nam.

Nadat wij het onvergetelijke schouwspel geruimen tijd hadden

gadegeslagen, zochten wij onze auto weer op en slaagden er in,

daarmee over de brug te komen.

Op den anderen oever, in de stad, lagen overal dooden. Wij hadden in

onze auto enkele met karabijnen gewapende officieren medegenomen en

toen wij de stad binnenreden woedde de strijd nog aan alle kanten. Er

hing een verstikkende reuk van gas, dat uit de kapotgeschoten

leidingen ontsnapte, in de straten. De winkels waren overal gesloten;

hier en daar waren verordeningen der sovjetregeering aangeplakt en

wapperde de roode vlag nog.

Baltische patroeljes trokken evenwel reeds door de straten en bevalen

alle vensters te sluiten, en toen wij in een rustiger wijk kwamen,

werd onze auto met luid gejuich begroet. Uit alle vensters wuifde men

ons met zakdoeken toe. Men kon het den menschen aanzien dat hun een

pak van het hart viel, toen zij de bevrijders zagen. Een oude dame

kwam op ons toe en snikte "God heeft ons toch niet verlaten. Maar wat

hebben we geleden. De citadel zit nog vol gijzelaars en ook de

centrale gevangenis. Haast u, anders worden ze doodgeschoten."

Ook de soldaten werden met geestdrift begroet. Hun intocht was een

ware triomftocht.

*

* *

II

Riga, 22 Mei

Het begint te schemeren, een eigenaardige schemering, daar het op

deze breedte om dezen tijd van het jaar bijna geen nacht wordt.

Het motregent; bij het trieste weer treft te meer de geweldige

somberheid, die over deze groote, haast uitgestorven stad is gekomen.

Nergens brandt licht. De huizen maken een uitgestorven indruk, daar

alle gordijnen verdwenen zijn.

Aan alle kanten wordt nog geschoten; uit oostelijke richting, waar de

vijand in de voorstad nog stand houdt, klinkt zelfs 't geweervuur als

van een veldslag met er tusschendoor het geschutgedonder.

Soms ratelt plotseling een machinegeweer door de straten; wij zijn er

zelf in den auto ook bijna het slachtoffer van geworden, maar het

vuur ging over onze hoofden heen.

Onmiddellijk wierp alles zich tegen de huizen, een mijnwerper reed

op, werd afgelegd, en het huis, waaruit de vuurstralen kwamen er mee

beschoten.

In de straten waar het rustiger was, en alle huizen onderzocht waren,

verzamelde zich een dichte menigte die met onbeschrijfelijk gejubel

de nu aan alle kanten binnenstroomende troepen begroette.

Onze auto wordt ook herhaaldelijk bestormd; hoeveel handen ik in dien

korten tijd gedrukt heb weet ik niet. Alle vrouwen huilen.

Overal liggen lijken, het meest op de hoeken der straten. Soms een

paar boven elkaar, lang uitgestrekt met een bloedvlek tegen den muur.

Dat zijn de standrechtelijk neergeschotenen.

Allen dragen ze de eigenaardige, bruingekleurde, russische militaire

jas. De meesten hebben geen schoenen meer aan; die heeft men ze

afgenomen, om ze zelf te dragen.

Overal heerscht groote angst omtrent het lot van de 1500 gijzelaars.

Een oud dametje komt naar me toe, en vraagt me snikkend of ik iets

weet; haar man en haar zoon zijn in handen der bolsjewiki. Wij rijden

dus naar het Hotel Petersburg, waar de staf zijn intrek heeft

genomen, en vernemen daar dat het gelukt is de 1500 gijzelaars uit de

gevangenis te bevrijden; maar bij de citadel is men te laat gekomen:

daar lagen 30 doodgeschoten gijzelaars. De lijken waren nog warm.

Verder zijn er nog een aantal meegenomen, omtrent wier lot niets

bekend is.

Men vraagt mij of ik mee wil, om den lijkenstapel te gaan zien, maar

daar heb ik geen zin meer in. Ik ben doodmoe, en moet bovendien mijn

brieven nog schrijven en dan nog telegrafeeren en dan tevens zien hoe

ik mijn berichten weg krijg.

Het zal echter moeilijk zijn in de stad kwartier te krijgen en daarom

besluiten wij met den auto terug naar Mitau te gaan, om dan den

volgenden morgen weer vroeg hierheen te komen.

In de hall van het hotel begint zich een angstige menigte te vormen,

vrouwen in 't zwart, met bleeke gezichten, die komen vragen hoe het

met hun familieleden, die gevangen genomen zijn, staat. Helaas moet

men eenigen mededeelen dat er geen hoop meer is. Zoo zijn o.a. zes

protestante geestelijken vermoord.

Dan stappen we in onzen auto, om den terugtocht te aanvaarden.

Het heeft opgehouden te regenen, de zon is al onder, maar in 't

noorden is nog een eigenaardige glans aan den hemel, die maakt dat

het niet geheel duister is.

De twee officieren, die mede in den auto zitten, ontzekeren hun

revolvers, de soldaat naast den chauffeur houdt zijn geweer klaar.

Met moeite komen we tusschen de kolonnes door over de brug. Wij gaan

nog even naar 't station. Daar is een heele trein met artillerie

buitgemaakt, doordat de voorste wagens derailleerden, en de trein

zoodoende niet meer weg kon. Er zijn een paar paarden bij

verpletterd, een groote bloedige massa. Maar overal ligt bloed en

stukken paardenvleesch: de uitgehongerde bevolking heeft in een paar

uur alle artilleriepaarden in de wagens geslacht.

Vrouwen met lange messen en armen tot aan de ellebogen rood van 't

bloed loopen nog rond of niet hier of daar wat te halen is.

Dan stappen we weer in, en na een snelle vaart van een uur zijn wij

weer in Mitau. Ik ben zoo gelukkig iemand te vinden die naar Libau

teruggaat en mijn brief en telegrammen mee neemt. Want van hieruit is

noch post noch telegraaf.

Ik ben in langen tijd niet zoo uitgeput geweest, en aangezien ik geen

ander kwartier kan krijgen, en nergens meer een bed over is, wikkel

ik me in mijn pels en slaap een looden slaap op een rustbank.

Den volgenden morgen gaan we alweer vroeg op 't pad. De zon schijnt

en thans biedt Riga een heel wat vroolijker aanblik dan den dag

tevoren. Er zijn eenige winkels geopend. Wel wordt hier en daar nog

geschoten, maar het is toch al veel minder geworden.

Wij gaan te voet de stad in en verwonderen ons over de enorme prijzen

der levensmiddelen: een half pond boter kost 150 mark, een pond meel

100 mark. Het is dan ook niet te verwonderen, dat er in de laatste

drie weken ongeveer 5000 menschen van honger zijn omgekomen.

Op straat is het druk, wij worden nog overal met vreugde begroet. De

lijken zijn nog niet opgeruimd en trekken vooral de aandacht van

jonge meisjes. Het maakt een zeer eigenaardigen indruk, een paar

elegant gekleede jonge vrouwen om zoo'n meestal erg verminkt,

bloederig lijk te zien staan; ze betasten het zelfs.

Ik zoek het adres van den nederlandschen consul, want ik ben

natuurlijk zeer benieuwd om te vernemen hoe het onzen landgenoten

gegaan is. Als ik er aanbel, wordt de deur zeer voorzichtig geopend,

en groot is de verbazing van den heer Henmark, als ik hem plotseling

in 't hollandsch aanspreek.

Hij is geen geboren Hollander, maar van huis uit een Riga'er, die

echter gedurende de zeven jaren, die hij in Nederland heeft vertoefd,

zich heeft laten naturaliseeren. Hij deelt mij direct mede, dat het

den ongeveer 20 Hollanders allen goed gaat. Hij heeft het nog al met

de letsche sovjet-regeering kunnen stellen.

Hij deelde mij verder mede, dat alleen nog de deensche consul met hem

gebleven was. Samen hebben zij toen de belangen van alle

vreemdelingen, en niet zonder succes, behartigd. De Zwitsers en

Zweden waren onder de hoede van onzen consul gekomen en ook nog een

aantal fransche leeraressen aan een fransche school.

De consul maakte op mij een zeer goeden indruk, en naar ik van

andere, zoowel hollandsche als buitenlandsche, zijde hoorde, heeft

hij de aan hem toevertrouwde belangen met energie verdedigd.

De meeste meubels uit de welgestelde huizen zijn weggehaald, minder

om te plunderen, dan wel om er in de Oekraine graan voor te koopen,

aangezien men daar het bolsjewistische papier geld niet in betaling

wenschte te nemen.

Van soldaten hoorde ik, dat op de bolsjewistische lijken groote

sommen gelds gevonden werden, die dan meestal onder de soldaten van

een compagnie verdeeld werden.

Aan geld scheen geen gebrek te zijn, maar wat heeft men aan geld

wanneer men er het allernoodigste niet voor kan koopen.

De bolsjewiki schenen door den aanval geheel verrast te zijn en

zoodoende is de inneming dan ook zoo vlot gelukt, al mag daarbij een

woord van hulde aan de troepen niet vergeten worden, die in veertien

uur al vechtend ongeveer 60 KM. hebben afgelegd.

De straatgevechten hebben nog de meeste slachtoffers gekost, vooral

onder den baltischen adel.

Men mag over dezen adel denken zooals men wil, maar moet erkennen dat

zij haar rechten met energie verdedigt, en lang zijn dan ook de

lijsten van hen die in den strijd tegen de bolsjewiki gesneuveld

zijn.

De man die den staatsgreep van 10 April ensceneerde, baron

Manteuffel, behoort ook tot de gedooden.

Het bolsjewistische bewind heeft een groote toenadering gebracht

tusschen de niet radicale Letten en de Balten, en bij een vrijzinnige

politiek van deze laatsten en afstand van het fabelachtig groote

grondbezit zou al veel gewonnen zijn. Of de Balten tot zulke

concessie bereid zullen blijken, is echter nog een open vraag.

Als ik in de stad wil lunchen, blijkt mij dat de prijzen nog steeds

stijgende zijn, en moet ik voor een allerschraalst maal met wat bier

200 mark neerleggen.

Men is vooral gebeten op de vrouwen uit de vrouwenbataljons,

aangezien men gelooft dat deze de gijzelaars hebben doodgeschoten.

Het standrecht is over de stad afgekondigd en overal hebben nog

huiszoekingen plaats, aangezien beweerd wordt dat de meeste

bolsjewiki niet gevlucht, maar in de stad gebleven zijn, na zich te

hebben verkleed.

*

* *

LETLAND

Libau, 23 Mei

De verovering van Riga heeft het letsche vraagstuk in een acuut

stadium gebracht, en vooral de vraag: wat zal de Entente nu doen?

houdt de gemoederen hier druk bezig.

Het is anders een eigenaardig leven hier. Vandaag loop ik even buiten

de stad en daar schieten ze mij eensklaps vijf kogels om de ooren.

Ja, zeide mij daarop iemand aan wien ik het vertelde, daar moet je

hier maar aan zien te wennen; we hebben op die manier een stuk of

drie dooden of gewonden per week.

's Middags loop ik in de hoofdstraat, en daar schiet plotseling een

heer, die ongenoegen scheen te hebben met een ander, er lustig met

een revolver op los, en treft daarbij, dat is nog het wonderlijkst

van de heele geschiedenis, niemand.

Van avond staat er in de libausche courant, dat het kurhaus aan het

strand, met het oog op 't treurige voorval, dat de heer X. den heer

Z. een paar dagen geleden tijdens het concert heeft doodgeschoten, en

mede om de kolenbesparing, een uur eerder gesloten zal worden.

Het verband tusschen die schietpartij, de kolenbesparing en de

vroegere sluiting is mij wel niet geheel duidelijk, maar het geheel

werpt toch wel een typischen kijk op het leven hier.

Toch is er geen gebrek aan besturende lichamen. Hier is in de eerste

plaats generaal Von der Goltz, de commandant van de duitsche troepen,

en gouverneur van de stad. Aangezien hij de eenige is die over een

behoorlijke strijdmacht beschikt, heeft hij vermoedelijk wel het

gezag in handen, in zooverre hij niet wordt belemmerd door een der

drie ententemissies.

Dan hebben wij de nieuwe regeering, het kabinet-Needra, dat decreten

uitvaardigt waaraan geen mensch zich stoort, en zijn macht tracht te

ontleenen aan de letsche troepen, die geen soldij krijgen en daarom

ook verder niets uitvoeren.

Verder hebben wij één schip in de haven, d.w.z. een koopvaarder

(oorlogsschepen zijn er genoeg) en daarop troont de door den

staatsgreep van 16 April door de Balten afgezette minister-president

Ulman. Hij durft er niet afkomen, uit angst aan land te worden

gevangen genomen en daarom blijft hij rustig aan boord onder

bescherming van de oorlogsbodems der Entente.

Men mompelt in de stad, dat hij bezig is aan een zeer radicaal

program omtrent de verdeeling van het grootgrondbezit, waarbij hij de

bosschen reeds aan de Engelschen verkocht zou hebben.

Men ziet hier ontbreekt alleen nog de prins Von Wied, om er een

grootsche herhaling van Albanië te kunnen geven.

Dan zijn er drie entente-missies: een engelsche, die Ulman schijnt

te steunen, een amerikaansche, die de nieuwe regeering niet

ongunstig gezind is, en nog een fransche, die in mooie pakjes over

straat loopt. Wij zouden haast de hoofdzaak nog vergeten: de Balten

en de Letten, die elkaar ook weer niet al te best kunnen zetten, en

dit alles te zamen heet "Latvija", zooals op de postzegels staat. Men

heeft bij de voortschrijdende balkaniseering van Oost-Europa niet

vergeten, dat ook de Zuid-Amerikaansche republieken in vele opzichten

de navolging waard zijn, en zoo komen er steeds weer nieuwe series

postzegels uit.

Minister Needra heeft wel een zeer zware taak, nog vermeerderd

doordat hij nu en dan gedwongen is onvrijwillig vacantie te nemen.

Hij was laatst n.l. op een gegeven morgen verdwenen, en bleek

opgelicht door eenige letsche officieren. Het gelukte hem echter, zij

het ook in zijn hemd, te ontkomen en daarop herriep hij onmiddellijk

de acte van afstand die men hem gedwongen had te teekenen.

De heer Needra beschouwt het als zijn voornaamste taak het

bolsjewisme te bestrijden. Van hem ging dan ook de krachtige druk uit

om Riga te bevrijden. Verder tracht hij, naar het schijnt niet zonder

eenig succes, een compromis met de baltische baronnen te sluiten om

tot een betere verdeeling van den grond te geraken. Om daarmee een

begin te maken heeft de regeering aan de rijksduitsche onderdanen,

die in de baltische landweer dienst nemen, onder voorwaarde dat zij

zich als Letten laten naturaliseeren, tachtig morgen land beloofd,

ten einde op die wijze tot de schepping van een kleinen boerenstand

te komen.

Voor den strijd tegen het bolsjewisme heeft de regeering op het

oogenblik de beschikking over de duitsche troepen, de baltische

landweer, die v.n.l. uit duitsche Letten is samengesteld, en de

letsche troepen. Het gedeelte van deze laatste, dat aan het front

staat, schijnt uitstekend te vechten; de letsche troepen, tot dusver

in Libau, schijnen te veel verpolitiekt te zijn.

Hoe goed de inheemsche troepen ook vechten, hun aantal is veel te

gering om het alleen tegen de bolsjewistische troepen te kunnen

opnemen, en daarom is men hier zeer benieuwd hoe lang de Duitschers

nog zullen blijven. Want niet alleen dat de Duitschers de bolsjewiki

aan het front tegenhouden, ook in Libau zelf zijn zij uiterst noodig

om daar de regeering te handhaven.

Het is dezer dagen door een toeval aan het licht gekomen, dat het

laatste offensief der bolsjewiki, dat door de verovering van Riga

gestuit werd, ondersteund had moeten worden door een opstand der

libausche bevolking.

Men heeft het complot nog bijtijds ontdekt en toen een grooten

voorraad wapens en ontplofbare stoffen, waaronder veel handgranaten,

in het centrum van de stad verborgen gevonden.

Trekken de Duitschers zich uit Letland terug, dan is het ook na een

paar dagen weer in de handen der bolsjewiki.

De Engelschen denken er anders over. Ik had dezer dagen een onderhoud

met een der leden van de engelsche missie, die meende dat het alleen

een kwestie van voedsel was en dat de duitsche troepen best gemist

konden worden. Waarop ik hem antwoordde: wanneer er dan tenminste

engelsche troepen voor in de plaats komen. Dit schijnt echter niet de

bedoeling van de Engelschen te zijn.

Merkwaardig is wel dat de Amerikanen den laatsten tijd tegenover de

Duitschers een heel andere houding hebben aangenomen en ook het

kabinet Needra schijnen te steunen.

Achter dit alles ligt echter een strijd van groote tragiek verborgen,

de strijd n.l. van de duitsche Letten voor het behoud hunner cultuur,

die eigenlijk de eenige cultuur van het land is. Want de Letten zelf

zijn altijd overheerscht, en hebben nooit iets beteekend. Het waren

alleen uitstekende soldaten onder het tsarenrijk, zooals nu nog de

geregelde letsche regimenten de garde van Trotzky vormen.

Het is merkwaardig hoe weinig de Russen zelf hier hebben

achtergelaten; men bespeurt nergens meer de teekenen der russische

heerschappij, ook in Riga niet, dat een geheel duitsche stad is. Er

worden hier dan ook maar twee talen gesproken, duitsch en letsch. Nu

moeten het intellect en de middenstand, die beide duitsch zijn, en de

meerderheid der duitsche Letten vormen, echter lijden onder den haat

der bevolking tegen de grootgrondbezitters, de baltische baronnen.

Wel heeft in den laatsten tijd het gedeelte der Letten, dat zich

eveneens door het bolsjewisme bedreigd voelt, zich bij de Balten

aangesloten, maar tezamen zijn ook die niet sterk genoeg om de in de

laatste jaren krachtig uit Rusland met bolsjewistische propaganda

bewerkte bevolking in toom te houden. Het is dan ook mijn vaste

overtuiging, dat op het oogenblik, waarop de Duitschers weggaan, het

geheele land bolsjewistisch zal worden.

Ondertusschen is men druk bezig, het heele land van den druk der

letsche sovjet-regeering te bevrijden en binnen korten tijd zal dat

over het geheele land wel gelukt zijn.

Maar wat nu?

De regeering verplaatst binnenkort haar zetel naar Riga en zal van

daar uit het land verder regeeren, wanneer zij er in slaagt zich

staande te houden.

Doch ook in dit geval geloof ik niet aan de toekomst van dit land,

omdat het uitsluitend een kustgebied is, en zijn vroegeren bloei

ontleende aan de gunstige ligging der havens Libau en Riga, met het

geheel westelijke Rusland als achterland.

Bekijkt men de kaart, dan ziet men, dat Litauen in het noorden zoover

vooruitspringt, dat Letland in twee deelen wordt gesplitst, door een

kleine kuststrook verbonden, waar juist Riga ligt.

Het land is dan ook onafscheidelijk met Litauen, dat nochtans weer

een geheel andere cultuur heeft, verbonden.

In de aan Duitschland voorgelegde vredesvoorwaarden moet het Memel

afstaan en dit is gedaan om Litauen, dat, hoewel het niet geheel

poolsch, daaraan toch door tal van banden gehecht zal worden, een

eigen haven, al dan niet onder contrôle der entente, te verschaffen.

Dit zou natuurlijk voor Libau en Riga zeer ongunstig zijn. Men ziet

dit in letsche kringen ook wel in, en vandaar, dat men er de hoop

heeft gevestigd op een niet-bolsjewistisch Rusland.

Een deel der baltische baronnen ziet dan ook met vreugde den steun,

dien de Russen van het oude regime bij den strijd tegen het

bolsjewisme bieden.

Het meest schijnt men te hopen op een federatief Rusland, waarin dan

Letland als bondsstaat zou worden opgenomen en waartoe dan natuurlijk

Litauen zelf ook zou moeten behooren.

Ik heb maar enkele stemmen gehoord, die een nauwere aansluiting bij

Duitschland bepleitten.

Het is echter voor Duitschland van veel belang, dat het land niet

bolsjewistisch wordt, want dat zou den ondergang der duitsche cultuur

beteekenen en Duitschland berooven van een kolonisatiegebied, dat

het, nu het zijn koloniën misschien zal verliezen, voornamelijk voor

zijn middenstand niet zal kunnen ontberen.

Intusschen zit ik hier gevangen, want in Oost-Pruisen staken de

spoorwegen en dientengevolge komen ook hier geen treinen aan en kan

ik niet weg.

Ik behoef mij echter niet te vervelen, want er zijn eenige theaters

en tingeltangels, terwijl ook het badleven aan het strand, nu het

weer wat beter wordt, heel aardig is.

Het leven is echter duur, te meer, omdat alles berekend wordt in

Oost-roebels, waarvan de koers vastgesteld is op twee mark.

Na tien uur mag tengevolge van den staat van beleg niemand zich meer

op straat vertoonen. Ten einde nu toch het bezoek aan theaters, enz.

mogelijk te maken gelden de toegangsbewijzen tevens als

nachtpermissie.

*

* *

LITAUEN

Kowno, 4 Juni

Als paddestoelen zijn zij hier in Oost-Europa uit den grond verrezen,

de nieuwe staatjes, Estland, Letland en Litauen.

Van Letland heb ik u 't een en ander medegedeeld en thans wil ik 't

hebben over Litauen, waar ik op 't oogenblik vertoef en nog wel in de

tijdelijke hoofdstad en zetel der regeering, sinds Wilna door de

Polen is ingenomen.

Hoe lang Litauen als staat met een eigen regeering bestaat, weet ik

niet precies, ik geloof een maand of zeven, maar in dien tijd heeft

het reeds vier regeeringswisselingen gehad en al dien tijd met het in

wording zijnde leger naar twee kanten front moeten maken, n.l. tegen

de bolsjewieken en tegen de Polen.

Litauen heeft wel is waar een eigen taal, maar het is er mee als met

het letsch; voordat van een onafhankelijk Litauen gesproken werd, was

het niet meer dan een boerendialect, terwijl in de steden russisch en

poolsch gesproken werd.

Het intellect is hier dan ook niet, zooals in Letland, duitsch, maar

poolsch, en ook de grootgrondbezitters zijn Polen, waarnaast men

echter een vrij talrijken kleinen boerenstand aantreft. Dit en ook

het ietwat liberaler optreden der poolsche magnaten maakt, dat de

tegenstellingen minder scherp zijn dan in Letland, en Litauen is dan

ook veel minder bolsjewistisch gezind.

Het groot aantal joden (in Kowno zijn zij zoo talrijk, dat het

jiddisch er als een der erkende talen is toegelaten) helpt de

tegenstellingen verzwakken, daar de joden hun eigen politiek voeren.

Aan den anderen kant toch ook weer niet, omdat zij een voortdurende

neiging hebben met de meerderheid mee te gaan.

Litauen, zonder Polen, Joden of Russen, kan slechts op heel weinig

intellectueelen bogen, vandaar dat men bij de vorming van een

nationaal ministerie op de grootste moeilijkheden stuitte, want men

had ternauwernood genoeg krachten beschikbaar om het aantal zetels te

bezetten.

Maar dan die regeeringswisselingen, zult ge vragen?

Dat is ook heel merkwaardig.

Men zou met een kleine variant op een bekend

Simplicissimus-aardigheidje over Montenegro, kunnen zeggen: de

Litauers leven, zooals bekend is, van regeeringswisselingen; daar er

echter in geheel Litauen maar materiaal voor één regeering is,

blijven dezelfde mannen steeds aan 't roer.

In tegenstelling met de Letten die protestant zijn, zijn de Litauers

voor het meerendeel katholiek, waarnaast men nog een vrij groot

aantal orthodoxen aantreft.

Aangezien de priesters echter voor een groot deel Polen zijn, hebben

zij niet dien invloed als in Polen zelf, hoewel men toch met hun

invloed rekening moet houden.

De poolsche grondbezitters missen het scherpe, hoekige karakter der

Balten, maar ook het heroïsche, want terwijl deze laatste met het

zwaard in de vuist hun rechten verdedigen, wonen de Polen rustig in

Warschau, wachten daar betere dagen af en maken alleen een kolossale

propaganda om Litauen bij Polen in te lijven.

Dat lijkt echter niet in de plannen der entente te liggen, die ook

hier hun missies heen hebben gezonden, en met behulp der plaatselijke

pers een geweldige campagne tegen de Duitschers, de eigenlijke

stichters van den staat, begonnen zijn.

Men zal zich afvragen, wat de Duitschers eigenlijk nog in Litauen

doen, waar ze niet, zooals in Letland, hun eigen kultuur helpen

verdedigen, en dan is het antwoord: ze houden den jongen staat op de

been en helpen het litausch leger organiseeren.

Trokken de Duitschers weg dan zou het noordelijk deel onmiddellijk

door de bolsjewiki, en de rest door de Polen worden bezet.

Bovendien is het voor de Duitschers van groot belang, dat Litauen

niet poolsch wordt, aangezien Rusland dan meer binnen hun bereik

blijft, en zoodoende het plan der entente om Duitschland door een

groot Polen geheel van Rusland af te scheiden, niet uitvoerbaar zal

zijn.

De Entente wil Litauen noch aan Polen noch aan de Duitschers geven,

doch deze politiek van halfheid maakt dat de Polen zich in het geheel

niet storen aan hetgeen er in Parijs besloten wordt en kalm hun gang

gaan.

Dat ze daarmee echter te veel hooi op hun vork laden is duidelijk. De

Litauers zijn wel is waar niet zeer gevaarlijke tegenstanders, maar

het aantal vijanden van den jongen poolschen staat groeit met den

dag: Duitschers, Bolsjewiki, Tjecho-Slowaken, Ukrainers, enz. Daarbij

komt dan nog, dat de bolsjewiki een kolossale propaganda in het

poolsche leger maken, waaraan de Polen zelf hard meewerken doordat ze

de duitsche krijgsgevangenen uit Rusland, en de russische uit

Duitschland, die bij hen de grens over trekken, naar Warschau voeren,

en naar men beweert voor een gedeelte in hun leger aanwerven.

De gevangenen zijn de beste propagandisten die de sovjetregeering

heeft, en ik denk dat dat wel een der redenen zal zijn, waarom de

duitsche regeering de Polen in dezen, zonder al te veel protest, maar

kalm hun gang laat gaan, want daardoor raken zij ze kwijt en hebben

hun vijanden er last van.

Ondertusschen moet de gevolmachtigde voor Litauen, dat is een soort

gezant, trachten de vraag op te lossen wat Duitschland nu eigenlijk

is, een bezettende mogendheid of de leverancier van een hulpkorps.

Men schijnt in deze een modus vivendi te hebben gevonden in het begrip

"bevriende mogendheid".

Ondertusschen een bevriende mogendheid die er de lakens uitdeelt.

De Litauers gaan echter bijzonder onafhankelijk doen door een eigen

paspoort-centrale op te richten, met het gevolg natuurlijk dat de

arme reizigers er de dupe van worden, aangezien zij thans een dubbel

visum noodig hebben, een van de Duitschers en een van de Litauers.

In het Hol van den Leeuw: Reisschetsen uit Sovjet-Rusland · 第 1 / 11 段