XXXVI.

Toen Lewin zijn vrouw had verlaten, hernam hij den loop zijner

gedachten en, in plaats van in het salon terug te keeren, waaruit de

stemmen tot hem doordrongen, bleef hij nog op de ballustrade van het

terras leunen.

Het was reeds geheel donker. In het zuiden, waarheen hij zijn

blik gericht had, hingen geen wolken; deze waren naar het noorden

getrokken. Daar lichtte nog somwijlen een bliksemstraal en werd het

verwijderd geluid van den donder gehoord. Lewin luisterde naar het

geluid der regendruppen, die van den linden vielen, en staarde naar

de hem bekende Cassiopea en den melkweg, die dit sterrebeeld met zijn

vertakkingen doorkruiste. Bij ieder lichten van den bliksem verdwenen

de sterren, maar verschenen kort daarna weer op dezelfde plaats,

alsof een zeker treffende hand ze daarheen geslingerd had.

"Welke bekommering brengt mij in verwarring?" vroeg hij zich zelf,

terwijl hij gevoelde, dat de twijfel zich in zijn ziel steeds meer

begon op te lossen.

"Ja, de eenige ontwijfelbare openbaring van Gods bestaan zijn de wetten

van het goede en het booze; die wetten, die ik erken in het diepst van

mijn ziel en die mij vereenigen met allen, die ze erkennen gelijk ik;

en deze vereeniging van menschelijke wezens, die het zelfde geloof

in de hoofdzaken verbindt, noemt men de Christelijke kerk. En de

Israëlieten, de Muzelmannen, de Buddhisten?" dacht hij, terugkomende

op een vraagstuk, dat hem kritiek toescheen. "Deze millioenen menschen,

zouden zij verstoken zijn van de grootste der weldaden, die alleen aan

het leven waarde en beteekenis geeft?" Hij peinsde. "Maar de vraag, die

ik mij stel, is die van de verbinding der verschillende godsdiensten

met de Godheid? Is het niet de openbaring van God aan het heelal met

zijn nevelsterren en planeten, die ik tracht te doorgronden? Is het

goed, hardnekkig de koude logica te doen optreden op een oogenblik, dat

mij een zekere overtuiging is geschonken, die ontoegankelijk is voor de

rede? De slotsommen der sterrekundigen zouden valsch en onnauwkeurig

zijn geweest, indien zij niet gegrond geweest waren op één meridiaan,

op één horizon, en evenzoo zouden mijn overtuigingen geen redelijken

zin hebben, indien ze niet waren verbonden met de openbaring, die mij

het Christendom heeft geschonken, en die ik altijd kan toetsen aan

de stemmen in mijn binnenste. De betrekkingen der andere godsdiensten

met de Godheid zullen altijd voor mij ondoorgrondelijk blijven en ik

heb het recht niet ze na te vorschen."

"Ben je nog altijd hier?" vroeg plotseling Kitty's stem. Zij had

denzelfden weg naar het salon als hij gekozen. "Er is toch niets dat je

hindert?" En zij zag hem bij het sterrelicht opmerkzaam in het gelaat.

Maar zij zou de uitdrukking er van niet hebben kunnen onderscheiden,

als niet een nogmaals nawerkend weerlichten haar was te hulp

gekomen. Toen zij eene kalme blijmoedigheid in zijn trekken las,

lachte zij hem toe.

"Zij begrijpt mij," dacht hij; "zij weet waaraan ik denk. Moet ik

het haar zeggen? Ja. ik zeg het haar."

Maar juist toen hij wilde beginnen te spreken, zeide zij: "Hoor,

Kostja, doe me het genoegen en ga eens naar de hoekkamer en kijk eens,

of alles voor Sergej behoorlijk in orde is gebracht. Ik kan er zelf

niet wel heengaan. Zie ook eens, of men er de nieuwe waschtafel in

gebracht heeft."

"Best, ik ga er heen," zeide hij en kuste haar.

"Neen, ik moet het haar niet zeggen," dacht hij, toen zij heenging om

in het salon terug te keeren. "Het is een geheim, dat slechts mij zelf

van nabij betreft, en mijn woorden zouden het haar niet kunnen doen

begrijpen. Het is een nieuw gevoel, dat mij niet plotseling veranderd,

doorgloeid en in verrukking gebracht heeft zooals ik verwacht had,

evenmin als vroeger mijn vaderlijke liefde voor Mitja; ook deze kwam

niet plotseling en verrassend. Dit gevoel.--ik kan het geen anderen

naam dan _het geloof_ geven, is onder droefheid en smart onmerkbaar

in mijn ziel gedrongen en heeft zich daar ingeplant."

"Even als vroeger zal ik waarschijnlijk voortgaan mij te ergeren over

Iwan den koetsier, evenzoo zal ik polemiseeren en mijn denkbeelden

onjuist uitdrukken; evenals vroeger zal een muur het allerheiligste

mijns harten afsluiten voor anderen, zelfs voor mijn vrouw die ik

evenals vroeger verantwoordelijk zal maken voor mijne dwalingen,

om er daarna weer berouw over te hebben, en evenzoo als tot hiertoe

zal ik met mijn verstand niet begrepen waarom ik bid, en ik zal toch

bidden--: maar mijn innerlijk leven heeft zijn vrijheid veroverd; het

zal niet meer de speelbal zijn der omstandigheden, en mijn geheele

leven, elke minuut van mijn bestaan heeft onbetwistbare en diepe

beteekenis, die het in mijn macht staat in elk mijner handelingen te

leggen: die van het goede."

Anna Karenina(#13214) · 第 194 / 196 题