XXXV.

De vorst en Sergej Iwanowitsch namen plaats in de telega en reden,

het overige gezelschap ging te voet naar huis.

Toen zij nog een paar honderd schreden er van verwijderd waren, stak

de wind al op en ieder oogenblik kon men het nederstroomen van den

regen verwachten.

De kinderen liepen met een geschreeuw van schrik vermengd met gelach

vooruit. Dolly werd belemmerd door haar japon, die om de beenen

samensloeg, terwijl zij niet ging, maar liep, zonder de oogen van de

kinderen af te wenden. De heeren hielden hunne hoeden vast en ijlden

met groote schreden voort. Zij bereikten juist de buitentrap toen de

eerste groote druppels vielen.

"Waar is Catharina Alexandrowna?" was Lewins eerste vraag aan Agasija

Michailowna, die hen in de vestibule met doeken en plaids tegenkwam.

"Wij dachten dat zij bij u was."

"En Mitja?"

"Waarschijnlijk in het bosch met zijn bonne."

Lewin nam de plaids en snelde naar het bosch.

In het korte tijdsverloop was de hemel reeds verduisterd als bij een

eclips, en de wind blies en huilde met geweld, deed de takken schudden

en de bladeren rondvliegen, terwijl veld en bosch waren verscholen

achter een gordijn van regen.

Met gebogen, hoofd tegen den wind kampend, naderde Lewin met de

doeken op den arm het bosch, waar hij achter een eik iets wits zag

schemeren, toen plotseling alles voor hem opvlamde, de aarde dreunde

en de hemel boven zijn hoofd scheen te barsten. Toen hij de oogen, die

een oogenblik verblind waren, weer opsloeg, zag Lewin mot ontzetting

door het regengordijn henen, dat de top van den hem zoo goed bekenden

eik geheel van gedaante was veranderd.

"De bliksem heeft hem getroffen!" had hij nauwelijks tijd te denken,

toen de kruin van den eik lager daalde on hij het kraken en splinteren

vernam van een boom, die op andere boomen nedervalt.

"Mijn God! mijn God! laat zij slechts niet getroffen zijn!" riep hij,

koud van schrik, terwijl de bliksem op nieuw alles in vuur zette,

en hoewel het hem dadelijk inviel, hoe dwaas dat gebed was, herhaalde

hij het toch onwillekeurig.

Toen hij de plek bereikte, waar zij zich gewoonlijk ophielden, vond

hij ze niet.

Zij bevonden zich aan het ander eind van het bosch onder een oude linde

en riepen hem aan. Twee gestalten in donkere kleeding stonden over

iets gebogen. Het waren Kitty en de bonne. De regen had opgehouden

en het werd helder. Beiden stonden gebukt over de kinderwagen met de

groene kap.

"Gij leeft? Gij zijt ongedeerd? Goddank!" riep hij uit en naderde haar.

Kitty's rooskleurig en vochtig gelaat was naar hem toegekeerd en

lachte hem onder den verbogen hoed verlegen toe.

"Hoe kun je zoo lichtzinnig zijn? Ik begrijp niet, hoe men zoo

roekeloos kan wezen," voegde hij haar geërgerd toe.

"Ik heb werkelijk geen schuld. Wij wilden al naar huis gaan, maar

toen werd hij onrustig...."

"Nu, Goddank, je bent behouden en wel!"

Mitja was geheel droog en gezond gebleven en sliep onafgebroken

door. Men pakte de doornatte doeken bijeen; de bonne nam het kind

uit den wagen en droeg het op den arm. Lewin ging naast zijn vrouw,

hij gevoelde zich schuldig wegens zijn verstoordheid en drukte haar

ongemerkt de hand.

Na den regen was het te nat om te wandelen, ook rezen steeds nieuwe

onweerswolken aan den horizon op.

Er werd niet meer gestreden en allen waren het overige van den dag

in de beste luim.

Katawassow maakte telkens de dames door zijn origineele grappen aan

het lachen. Ook Sergej Iwanowitsch was zeer opgeruimd; hij opende

zijn broeder een blik in de toekomst van het Oostersch vraagstuk en

wel zoo eenvoudig en helder, dat allen hem met opmerkzaamheid volgden.

Slechts Kitty kon hem niet ten einde toe aanhooren; zij werd geroepen

om Mitja zijn bad te geven.

Eenige minuten daarna werd ook Lewin in de kinderkamer geroepen.

Wat zou men van hem willen? Men riep hem nooit bij het kind dan in

dringende gevallen. Maar zijn ongerustheid zoowel als de belangstelling

in de theorieën van zijn broeder verdwenen zoodra hij zich een

oogenblik alleen bevond, en zijn gevoel van innerlijk geluk en vrede,

dat hem 's morgens vervuld had, keerde nu weder. De stem des gemoeds

was bij hem sterker geworden dan die van het ontledend verstand. Hij

ging het terras over en zag twee sterren schitteren aan den hemel.

"Ja," zeide hij naar den hemel ziende, "ik herinner mij gedacht te

hebben, dat er een waarheid kon liggen in de zinsbegoocheling van

dat gewelf, dat ik dikwijls beschouwde; maar welk was het onvoltooid

gebleven begrip in mijn verstand? ..." En terwijl hij de kinderkamer

binnenging, herinnerde hij het zich.

"Waarom, indien het sterkst bewijs van Gods bestaan is gelegen in de

innerlijke openbaring van goed en kwaad, die hij een iegelijk onzer

mededeelt--waarom zou deze openbaring beperkt zijn tot de Christelijke

Kerk? En deze millioenen Buddhisten, Muzelmannen, die eveneens het

goede zoeken? ..." Het antwoord op deze vraag moest bestaan, maar

hij kon het voor hij binnentrad niet uiteenzetten.

Kitty stond met opgestroopte mouwen over de badkuip gebogen, terwijl

zij met de eene hand het hoofdje van het kind vasthield en het met de

andere afsponste. Zij keek om toen zij haar man hoorde naderen. "Kom

gauw! Agasija Michailowna had toch gelijk, hij kent ons."

De ontdekking was gewichtig. Om er zich volkomen van te overtuigen,

onderwierp men Mitja aan verschillende proeven; men riep de keukenmeid,

die hij zelden gezien had, en zij moest zich over het kind bukken. De

uitslag was beslissend. Hij keerde het gezichtje van haar af, en

toen Kitty zich over hem boog, begon hij te lachen, drukte met de

kleine handjes in de spons en maakte met de lipjes zulk een tevreden

en eigenaardig geluid, dat niet slechts Kitty en de bonne, maar ook

Lewin zelf er door verrast en opgetogen was.

Het kind werd uit de badkuip genomen, met water begoten, in een laken

gehuld, afgedroogd en na een doordringenden schreeuw op zijn moeders

schoot gelegd.

"Nu, ik ben blij te zien, dat je hem ook begint lief te hebben,"

zeide Kitty tot Lewin, nadat zij zich met het kind aan de borst op

haar gewone plaats had nedergezet. "Ik ben er heel blij om; want ik

was zeer bedroefd, omdat je gezegd had niets voor hem te gevoelen."

"Neen, dat heb ik niet gezegd. Ik heb alleen gezegd, dat ik mij

teleurgesteld gevoelde."

"Hoe dan, teleurgesteld?"

"Nu, juist niet teleurgesteld, maar slechts beantwoordde de

werkelijkheid niet aan mijn verwachting. Ik had gedacht, dat ik een

verrassend, geheel nieuw gevoel zou ontwaren, en in de plaats beving

mij slechts ... een soort van onbehagen, medelijden en angst, die

hij mij inboezemde."

Zij hoorde opmerkzaam toe, terwijl zij de ringen, die zij gedurende

het baden had afgelegd, weer aan haar slanke vingers stak.

"Ik meen hoofdzakelijk daarom, dat meer medeleden en angst dan genoegen

met mijn gevoel waren verbonden. Maar vandaag, na mijn angst gedurende

het onweer, heb ik leeren beseffen, hoe dierbaar hij mij is."

Kitty's gelaat helderde op.

"Je bent dus zeer geschrokken?" zeide zij. "Ik ook, maar nu, nu alles

voorbij is, nu komt mij het gebeurde nog veel verschrikkelijker voor,

dan in het oogenblik van gevaar. Ik wil morgen toch den eik nog eens

zien! En hoe grappig is Katawassow. Buiten het gebeurde was het een

zeer genoeglijke dag. En ook tegen Sergej waart ge zoo aardig en

net.... Ga nu weer naar je gasten. Het is hier na het bad altijd wat

drukkend en dompig. Ik ben blijde je in zoo'n goede verhouding met

je broer te zien."

Anna Karenina(#13214) · 第 193 / 196 题