De dokter was nog niet opgestaan. Zijn bediende zeide, dat hij
gisteren eerst laat naar bed was gegaan en bevolen had hem niet
te wekken. De bediende maakte de lampen schoon en scheen daar zeer
druk mede. Zijn op de peer van een lamp gerichte opmerkzaamheid en de
volkomen onverschilligheid voor hetgeen in Lewin omging, verwekte bij
dezen een gevoel van wrevel; maar daar hij spoedig daarop bedacht, dat
niemand verplicht was zijn gevoelens te kennen of te raden, besloot
hij zoo kalm en beredeneerd mogelijk te handelen en vastberaden
door dezen muur van onverschilligheid te dringen en zijn doel te
bereiken. Zonder zich te overijlen, haalde hij een billet van tien
roebel te voorschijn, reikte den dienaar het papier toe en zette hem
uiteen, hoe Peter Dimitritsch (hoe groot en gewichtig scheen hem nu
deze hem anders onverschillige Peter Dimitritsch) hem beloofd had ten
allen tijde en op ieder uur bij hem te komen, dat hij het dus niet
kwalijk zou nemen, als men hem nu wekte. De bediende stemde dit toe,
verzocht Lewin in de spreekkamer te gaan en ging naar boven. Lewin
hoorde, hoe de dokter achter de deur hoestte, op en neer ging, iets
sprak en zich toen wiesch. Er waren nog geen drie minuten verloopen,
die Lewin echter reeds als een uur toeschenen, toen hij het niet
langer kon uithouden.
"Peter Dimitritsch! Peter Dimitritsch!" sprak hij met smeekende stem
in de open deur. "Om Godswil! Vergeef mij, maar ontvang mij, zooals
gij zijt. Het is reeds langer dan twee uren!"
"Dadelijk, dadelijk!" antwoordde een stem, en Lewin had tot zijn
verwondering daarin een lachenden toon opgemerkt."
"Slechts een oogenblik...!"
"Terstond!"
"Peter Dimitritsch," begon Lewin weer met klagende stem, maar op
dit oogenblik trad de dokter binnen en wel, tot Lewins ergernis,
geheel gekapt en gekleed. "Deze menschen hebben in 't geheel geen
geweten!" dacht Lewin. ''Zij kappen zich, terwijl wij te gronde gaan!"
"Goeden morgen!" zeide de dokter hem de hand gevende. Toen voegde
hij er, alsof hij hem plagen wilde, bij: "Nu? vertel mij eens bedaard
wat er is."
Terwijl Lewin zich beijverde zoo uitvoerig mogelijk den toestand
zijner vrouw te schilderen, brak hij zijn verhaal zelf ieder oogenblik
af met het verzoek, of Peter Dimitritsch toch dadelijk met hem mede
wilde gaan.
"Zeker, maar het heeft nog volstrekt zoo'n haast niet. U weet dat zoo
niet, maar ik verzeker u bepaald, dat het nog niet noodig is. Maar
ik heb het u beloofd--welnu, laten wij dan maar gaan! Maar het heeft
volstrekt geen haast. Neem toch plaats. Wil u niet een kop koffie?"
Lewin zag hem aan, of hij ook soms den gek met hem wilde steken. Maar
de dokter dacht niet aan lachen.
"Ik ken dat, ik ken dat!" zeide hij even glimlachend. "Ik ben
zelf huisvader, maar in zulke oogenblikken zijn wij mannen de
beklagenswaardigste schepsels. Ik heb een patiënte, wier man by
dergelijke gelegenheden altijd in den paardenstal vlucht."
"Maar wat dunkt u, Peter Dimitritsch--dunkt u, dat alles goed zal
afloopen?"
"Er zijn alle kenteekenen voor een goeden afloop voorhanden."
"U komt dus dadelijk?" vroeg Lewin en zag den bediende, die de koffie
binnen bracht, boos aan.
"Binnen een uur."
"Neen, om Gods wil, kom toch dadelijk."
"Nu. laat mij ten minste eerst rustig mijn koffie drinken."
De dokter ging aan de tafel zitten. Beiden zwegen.
"De Turken hebben duchtig slaag gehad. Heeft u het laatste telegram
gelezen?" vroeg de dokter een stuk wittebrood kauwende.
"Neen, ik kan niet," zeide Lewin en sprong op. "Dus binnen een half
uur zal u er zijn?"
"In een half uur."
"Op uw woord van eer?"
Lewin kwam te gelijk weer aan zijn huis met zijn schoonmoeder en zij
gingen te zamen de deur der slaapkamer in. De vorstin had tranen in
de oogen; haar handen beefden. Bij de eerste ontmoeting van Lewin
had zij hem omhelsd en was begonnen te weenen.
"Nu, moedertje Lisaweta Petrowna?" zeide zij tot de vroedvrouw, die
met opgewonden en tevreden uitdrukking op het gelaat haar tegentrad.
"Alles goed," antwoordde deze. "Overreed ze maar, dat zij gaat
liggen. Dit zal haar verlichten."
Van het oogenblik af, dat Lewin was ontwaakt en volkomen had begrepen,
wat er te doen was, had hij zich voorgenomen al zijn gedachten en
gevoelens in zijn binnenste op te sluiten, ten einde zijn vrouw niet
op te winden, maar haar gerust te stellen, haar moed te ondersteunen
en haar te vermanen, dezen zwaren strijd van ongeveer vijf uren,
zooals men hem gezegd had, standvastig door te staan. Maar toen hij
nu na zijn terugkomst haar lijden zag, begon hij telkens al meermalen
te herhalen: "Mijn God, vergeef en help!", wierp het hoofd terug,
en werd beangst, dat hij het niet uithouden, in tranen uitbarsten
en wegloopen zoude. Zoo groot was zijn ontroering. En toch was er
slechts een uur verloopen.
Maar er verliep nog het tweede, derde, vierde en vijfde uur, dat hij
zich als het uiterste tijdpunt had voorgesteld, en de toestand was
nog steeds onveranderd. Hij hield het slechts uit, omdat hem niets
anders overbleef, maar hij dacht elk oogenblik de uiterste grenzen van
geduld bereikt te hebben en dat zijn hart zou barsten van medegevoel
en medeleden.
Doch er verliepen nog minuten en uren, en zijn gevoel en ontroering
werden meer en meer gespannen. "Mijn God! vergeef en help!" herhaalde
hij voortdurend, en sprak die woorden zoo vol vertrouwen en innig,
als in zijn eerste jeugd.